Het Godsbeeld door de eeuwen heen.
(Een 'Kracht' achter 'De Nachtuil' en het 'Paganisme'!

Wat is religie?
Bovenstaand overzicht geeft aan dat een perfecte definitie van religie niet mogelijk is. Religie zal voor iedereen wat anders betekenen. Voor de christen is het de weg naar het koninkrijk Gods, voor de boeddhist een manier om goed te leven en het Nirwana te bereiken, de atheïst ziet in religie niets meer dan een georganiseerd bijgeloof en voor de filosoof is religie een vorm van zingeving aan het leven. De fenomenologische definitie wordt tegenwoordig door de meeste godsdienstwetenschappers als de bruikbaarste ervaren. Deze benadering heeft als minpunt dat het de fundamentele zijnsvragen ontwijkt of ontologie vervangt door fenomenologie.
Het bestaan van goden is nooit op wetenschappelijke wijze vastgesteld en wordt derhalve door de huidige wetenschap niet erkend. Goden worden veeleer beschouwd als eeuwenoude verklaringspogingen voor bepaalde menselijke noden, behoeften, onbehagen of welzijn. Het zijn eerder symbolische voorstellingsvormen die door eeuwen van religieuze traditie en overlevering tot op heden in stand gebleven zijn binnen religies of godsdiensten.

Het westerse godsbeeld heeft door de eeuwen heen vele veranderingen moeten doorstaan.
Hierdoor ontstond er rondom dat godsbeeld dan ook hoe langer hoe meer leugenachtigheid en huichelarij, ter vereniging met het vernieuwde of nieuwe godsbeeld.
Het godsbeeld, of de god erachter is, op zich, een goed ding, totdat de mens het begint te gebruiken in zijn eigen voordeel naar "macht" toe. DAN wordt het een gevaarlijk  en meestal dodelijk weerzienwekkend werktuig! ('Godsdienst' of 'religie' noemen ze dat).
Laten we niet vergeten, dat aan iedere grote religie geen god maar een godin aan de leiding stond(staat)!!! (Normaal, daarom is alle andere larie en mannelijke machtswellust). Dit wordt dagelijks opnieuw en opnieuw bevestigd en bewezen.
In deze pagina gaan we het Godsbeeld wat nauwer onder de loep nemen.
Voor deze beschouwing gebruiken we teksten uit Wikipedia, de on-line encyclopedie.
Daaruit stellen we de teksten samen op volgorde, zodat het vlotter wordt samengevat.
We kunnen hier niet alles samenvatten, maar daarvoor zijn dan weer genoeg andere wegen en mogelijkheden voor handen om het verder te ontdekken.
Lees vooral ook de teksten achter de
linken!

De mythologie van ons huidig godsbeeld en evenzo de mythologie van Allah is ontstaan uit een "destijds kleine sekte" die zich "christenen" noemen. Deze kleine sekte is op één of andere manier uitgegroeid tot een wereldgodsdienst, evenals de islam.
De rest van deze evolutie(s) is geschiedenis, verweven met fantasie, brutaliteit en machtswellust.
Ons godsbeeld van vandaag is evenzo gebaseerd op "inbeelding" en "verheerlijking". (Valse weerspiegeling van ALLES).
Aan de oorsprong lag de "Moedergodin", moeder van alle goden, behalve bij de Vikingen en de Germanen (Odin - Wodan - Wotan), of ... misschien toch wél ...???
Ook in de Hebreeuwse godsdienst werd gespiegeld overgeschakeld naar een mannelijk beeld (El).
Het huidig beeld van het christendom is een mengeling van meerdere godsdiensten, die gekerstend werden in het voordeel- en naar de hand van het christendom zelf.
Hetzelfde gebeurde bij de Islam (600 jaren NA onze jaartelling). (7e Eeuw).

* Alomtegenwoordigheid:

Alomtegenwoordigheid is de eigenschap om overal tegelijkertijd aanwezig te zijn.
In bepaalde religies en filosofische systemen wordt deze eigenschap toegeschreven aan God.
Een alomtegenwoordig wezen heeft (in potentie) kennis van alle veranderingen in het universum en is volgens sommige religies ook bij machte in te grijpen in de loop der gebeurtenissen of zichzelf op meerdere plaatsen tegelijk te manifesteren.

* Alwetendheid:

Alwetendheid is de eigenschap van een kennend subject dat alle mogelijke kennis bezit.

God wordt in veel religies en filosofische systemen geacht alwetend te zijn.

Vanouds streven de wijsbegeerte en in het bijzonder de metafysica naar een zienswijze die alle kennis insluit. Volgens Aristoteles verlangt de metafysicus naar kennis van het zijnde qua zijnde, in plaats van bijvoorbeeld 'slechts' het zijnde qua telbaarheid (wiskunde) of het zijnde qua beweging (natuurkunde).

Sommige wetenschappers en filosofen zijn sceptisch over de bereikbaarheid van dit ideaal. Anderen zijn optimistischer over de vermogens van de mens, bijvoorbeeld de Verlichtingsfilosofen Denis Diderot en Jean Le Rond d'Alembert, auteurs van de beroemde Encyclopédie.

* Almacht:

Almacht is onbeperkte macht over alles en iedereen.

* Het begrip kan in verschillende contexten een andere betekenis hebben:

° Politieke macht: het beschikken over machtige wapen(s) of het bezit van een machtsmonopolie, waarbij er geen andere machten zijn die een bedreiging vormen.

° Goddelijke almacht: de grenzeloze macht van een god of meerdere goden EN de mensen dwingen om erin te geloven.
OF! De grenzeloze macht van de GODIN erkennen en de mensen DE KEUZE LATEN om erin te geloven of niet. (Neo Paganisme)! (Wicca).

° Individuele superioriteit: het bezit van superkrachten.

* Deze "almacht" wordt nog steeds door de mens misbruikt naar eigen profijt en macht!

* Volmaaktheid:

Volmaaktheid of perfectie is een filosofisch concept, dat betekent dat een bepaald wezen een bepaalde eigenschap in de hoogste mate bezit, of dat een bepaald wezen alle eigenschappen bezit. Ook kan het betekenen, dat een bepaald wezen alle bestaande eigenschappen in de hoogste mate bezit.
Dit concept wordt vaak gebruikt in filosofische of theologische contexten.
God is volgens sommige filosofen en theologen bijvoorbeeld een volmaakt wezen, maar geen enkel wezen is God en geen enkel wezen is volmaakt!
IEDER 'wezen' is een VERSLINDEND iets!
* JA! JIJ OOK!!!

Anselmus van Canterbury betoogde dat God van alle goede eigenschappen de volmaakte vorm heeft.

Zijn definitie van God was: 'datgene dan wat zich niets hogers denken laat', in het Latijn: 'id quo maius nihil cogitari potest', vaak afgekort als IQM. Uit zijn definitie leidde Anselmus hij zijn Godsbewijs af: als God 'datgene dan wat zich niets hogers denken laat' is, dan is de hoogst denkbare vorm 'datgene dat werkelijk bestaat en dan wat zich niets hogers denken laat'. (De NATUUR dus)!

Dit godsbewijs werd door de filosoof Immanuel Kant weerlegd, die stelde dat existentie geen eigenschap is.

EN ... een mannelijke god alleen, kan geen leven baren, maar enkel de dood ontvangen.

Voor Baruch Despinoza is volmaaktheid hetzelfde als werkelijkheid. Dat wat volmaakt is, heeft immers alle bestaande eigenschappen en voor Spinoza bestaat er niets buiten de Natuur, wat hetzelfde is als God. Omdat alle bestaande eigenschappen daarom noodzakelijkerwijs in de Natuur inhereren, is zij volmaakt. (De
NATUUR dus)!


De gangbare betekenis die aan het begrip "volmaaktheid" werd gegeven, verwierp hij als een irrationeel geloof dat slechts gegrond is in de idee van een ideaaltype dat wij verbinden met een bestaand object. Zo noemen wij object X1 "volmaakter dan" object X2, omdat X1 meer overeenkomt met de abstracte voorstelling die wij van een type X hebben.
Een nomade zal daarom bijvoorbeeld een tent volmaakt vinden, terwijl een romein een paleis perfect vindt. Dit zegt echter niets over het werkelijke ding, maar slechts over hun fictieve voorstellingen van http://nl.wikipedia.org/wiki/Intelligentieeen
 type ("onderkomen", "gebouw").
ANTI NATUUR dus, al heeft de mens dat nodig om te kunnen overwinteren en veilig te kunnen slapen!

Het oer-godsbeeld is ontstaan en ontworpen met en uit de vruchtbare natuur, de enige plek waar het ook thuis hoort.
° Vrouwelijk = baren.
° Mannelijk = bevruchten.
Het ene kan nooit zonder het andere bestaan, tenzij bij tweeslachtigheid.
Bij tweeslachtigheid slaat het dan onvermijdelijk terug op de Moedergodin.
Een VROUW kan baren, een MAN kan enkel BEVRUCHTEN!!!
Een VROUW kan vernietigen! Een MAN kan dat OOK!
Een VROUW kan HERSCHEPPEN!
Een MAN kan dat NIET BLIJVEND zonder VROUW!!!
° Wat dan met homosexualiteit?
De 'homoseksuele' aard, van mens en andere dieren, is door MOEDER NATUUR geoorloofd voor het tegengaan van OVERBEVOLKING, in een NATUURLIJKE WEG!!!
Homoseksualiteit bestaat zowel bij mens als bij dier. Daardoor verklaart het zich als 'natuurlijk', zoniet had Moeder Natuur dat nooit gecreëerd of toegestaan.
Kan een God dan homo of bisexueel zijn?
Nu, Zeus heeft een minnaar ...

Moeder van alle goden, Goddelijke Moeder of Moeder Gods is een gepersonifieerd concept waarmee in archaïsche mythologieën het principe van het allerhoogst genererend vermogen dat zich in de natuur en in de kosmos laat gelden werd aangegeven.
Een gevestigd begrip, dat al onze huidige 'mannelijke' religies de das omdoet!
 

Natuurkrachten en wetmatigheden werden als werkende principes gepersonifieerd in goden, verantwoordelijk voor het ontstaan en vergaan der dingen. Met het concept moeder van alle goden werd het ontstaan van de goden zelf toegelicht. Het stamt uit neolithische tijden, toen de samenleving matriarchaal georganiseerd was rond een stammoeder, maar heeft uiteraard pas zin zodra polytheïsme is ontstaan.
Het houdt een reflex naar een monotheïserende verklaring in.

In de loop van de geschiedenis heeft het concept zich gehandhaafd, ook waar zich een patriarchaal monotheïsme ontwikkelde. Het is dan geformuleerd als ‘Moeder Gods’. Plaatselijk en in de tijd was dit bijgevolg het epitheton van verschillende, vaak opeenvolgende, Moedergodinnen.
De
NATUUR van de MAN doet ALLES om dit WEG TE WERKEN!
Alleen, de
MAN wil "HET" zijn, terwijl de VROUW alles was - IS - EN BLIJFT!
Henotheïsme is
hier dan weer de beste oplossing. (Amen).
De Keltische Tuatha Dé Danann is hier een mooi voorbeeld van.
Ook Atheïsme kent tegenwoordig een grote opgang door de
Wetenschap.




LEES VERDER voor meer info!

~ Indisch Subcontinent:

Agni is de eerste godheid die voortkomt uit de Moedergodin Aditi in de Veda. Haar geheime naam betekent 'eerste', zij wordt moeder van de goden genoemd.

Agni is een hindoeïstische god, het is één van de belangrijkste goden in de Rig Veda. Het woord agni is Sanskriet voor vuur, wat erg lijkt op het Latijnse woord ignis.

In het hindoeïsme is Agni een deva. Hij is Indra's tweelingbroer, en is dus een zoon van Dyaus Pita en Prthivi. In andere versies is hij een zoon van Kasyapa en Aditi of van een koningin die haar zwangerschap geheim hield voor haar man. Hij wordt ook gezien als zoon van hemel en aarde en zou uit de zon of bliksem zijn ontstaan.

Agni wordt afgebeeld als rode god met twee of drie hoofden, diverse armen, een baard en vlammen als kleding. Hij rijdt in een wagen getrokken door paarden, maar soms berijdt hij een ram of bok.

Bij de hindoes wordt, als zij thuis een kerkdienst hebben, alles in het vuur geofferd waarna aan Agni wordt gevraagd of hij al dat offerspijs naar de goden kan brengen, hij is dus ook een soort bezorger aan de goden van de mensen. Agni is naast beschermgod van het offervuur ook beschermgod van het haardvuur. Agni verschijnt als bliksem en is zowel wreed als vriendelijk. Hij verdreef de duisternis, verslond na zijn geboorte zijn ouders en verteert doden op de brandstapel. Het is een beschermgod van de wereld, kan onsterfelijkheid schenken en mensen zondevrij maken na hun dood.

Agni zorgde voor Hanuman toen diens staart in brand werd gestoken door Ravana, de koning van Lanka (Ceylon / Sri Lanka).

* In een Tantrisch geschrift (Mahakalasamhita) luidt het:

° Zoals de Zon, die zich in een vijver weerspiegelt, zich als ontelbare zonnen voor doet, zo verschijnt ook gij, O Moeder, als vele - Gij Ene zonder Tweede, Hoogste Brahman!

De hele wereld die we om ons heen zien is het spel van Maya, de Illusie, de versluierende kracht van de Goddelijke Moeder. God is noch goed, noch slecht, ... .

De Todas in Zuid-India offeren nog steeds een kalf aan de 'Koemoeder' die de wereld voorstelt. Ze uiten daarbij een gebed waarin het woord Ninkurshag voor komt. Volgens hen is de betekenis ervan onbekend maar is het een heilig woord. Er lijkt echter overeenkomst te zijn met de Soemerische godin Ninhursag, mogelijk door contacten via het eiland Dilmun in de tijd van de Indusbeschaving.

~ Het Oude Egypte:

In het Oude Egypte lijken er zo goed als geen aanwijzingen overgebleven dat ooit een godin aan de oorsprong van alle goden zou hebben gelegen. Zelfs Maät, een van de oudste en meest principiële concepten op dat vlak, werd in de latere mythologische versies tot 'dochter' van de al-overheersende zonnegod Ra gemaakt. Ook Satet uit het zuidelijke Elephantine, die als de bron van de Nijl, en daarom overdrachtelijk van alle leven (dus logischerwijze ook dat van de goden) werd beschouwd, is ooit aan Ra ondergeschikt gemaakt. Hetzelfde lot lijkt systematisch alle potentiële of vroegere moedergodinnen beschoren te zijn geweest.

Maar Afrikaanse Pigmeeën hebben de originele herinnering aan Maät bewaard onder de naam die zij ook in Soemerië droeg als baarmoeder en onderwereld: "Matu".
Zij was de eerste moeder van God. Zoals haar Egyptische 'zuster' had ze soms symbolisch een kattenhoofd (symbool van lieflijke vruchtbaarheid).
Ook Moet is een godin in de Egyptische mythologie die de grote moeder en koningin van de goden verpersoonlijkte (Amon was koning der goden). Haar beginselen en haar ontstaan zijn nog erg duister omdat er geen teksten over haar gaan die dateren van voor het Middenrijk.

Nennoe was één van de acht goden die volgens de priesters van Hermopolis de oudste van Egypte waren, zij waren de vaders en moeders van de Zon.
Met deze stelling kwamen zij evenwel in aanvaring met de school van Heliopolis.

Ook de vele duizenden jaren lang populaire godin Isis droeg naast epitheta als de Betoverende en Moeder van de zon dat van Moeder van god. Zij baarde tenslotte in een eeuwige cyclus Horus, die de gestorven Osiris was. Een oude vorm van Isis' naam was Asjesj, verwant aan het Soemerische of Kanaänitsche Asherah (wat levensboom of evolutieboom betekent).

~ Kanaän:

In het Oude Kanaän was Asherah tegelijk de benaming voor de levensboom of evolutiestamboom en voor de godin die deze personifieerde. Haar epitheta waren "De Vrouw die de Zee doorkruist" en "De Moeder van de Goden". Zij werd voorgesteld als een boom bij het altaar, of alleenstaande zuil of paal, als aanwijzing voor de moedergodincultus die in Kanaän veelvuldig floreerde voor de komst van de Hebreeën en nog tot lang daarna. De belangrijkste joodse bijbelcommentator, Rasjie, legt uit dat 'Asheirim' (meervoud van 'Asherah') verwijst naar "bomen die aanbeden worden door de Kanaänieten".

~ Mesopotamië:

Nammu was in Sumer de naam van de oergodin die beschouwd werd als schepperes van al de eerste goden.
Ze wordt in een hymne ook aangesproken als "de almoeder van het sterfelijk leven".
Zoals de Egyptische Nennoe wordt Nammu de zelfbevruchtende schoot, de vruchtbaarmakende wateren of de vruchtbare wateren (het kosmisch 'vruchtwater') genoemd, en ook de oermaterie.
Er zijn zeven mindere godinnen aan haar toegevoegd in het uitoefenen van haar functie.

In een tablet dat de lijst opgeeft van Sumerische godheden werd de godin Nammu geschreven met het ideogram voor 'zee', en ze werd er beschreven als "de moeder die hemel en aarde baarde". In Eridu werd zij beschouwd als het grondwater dat de wereld schiep. De Sumerische Nammu is identiek aan de Oud Egyptische en Indiase Ma Nu, dat wil zeggen 'de Diepte' die er was voordat iets geschapen werd, of die aan het heelal ten grondslag ligt.
In een Sumerische tekst lezen we: Zij schonk leven aan hemel en aarde.

In sommige Sumerische tabletten wordt de Godin ook "Grote Moederslang van de Hemel" genoemd, wat overeenstemt met haar vorm als Tiamat. En bepaalde beelden uit Sumer daterend van 4000 v.Chr. tonen de Godin met een slangenhoofd. Deze naam schijnt uiteindelijk Sumerisch, waar Ti = Leven en Ama = Moeder, lijkt te suggereren dat haar oorspronkelijk naam “de moeder van alle leven” betekende.

Ninhursag is een oude godin die de "Grote Mammetun" werd genoemd.
In een mythe speelt zij een belangrijke rol bij de schepping der mensheid, in een andere veroorzaakt zij een reeks goddelijke geboortes in het paradijselijke Dilmun.
Zij werd in Soemerië en in India vereerd als moeder van de goden.

Omstreeks 800 v.Chr. stond Semiramis bekend als koningin, een zeer mooie vrouw van goddelijke afkomst en vertegenwoordigster van de godin. Zij werd aanbeden als de "Moeder-der-Goden", "Koningin-der-Hemelen" en "Godin-der-vestiging".

~Anatolië:

Hepat of Kheba was de Hurritische pendant van de “moeder van de Goden” Hannahanna bij de Hettieten en droeg als epitheton "Koningin der Hemelen". Hepat werd afgebeeld al zittend op een troon of al staande op een leeuw. Dit was haar heilig troeteldier. Zij werd later met de Hebreeuwse naamgenote Havva (aan Eva gelijkgesteld, die ook “de moeder van alle levenden” wordt genoemd in Genesis ).

In een latere fase werd zij als echtgenote aan de stormgod Teshub toegewezen en onderhield een bijna gelijke status met hem, soms overheerste ze hem zelfs.

Archeologen hebben op sites, die vermoedelijk heiligdommen vormden, en in tombes uit neolithicum en bronstijd idolen gevonden die nu geïdentificeerd worden als de moedergodin, en waarvan men vermoedt dat ze in relatie stonden met vruchtbaarheidscultussen.
Verbanden van deze objecten met vergelijkbare vondsten op andere sites (vooral uit Anatolië) suggereren dat het om een antieke mediterrane religie gaat, waarin de godin werd geassocieerd met de stier of ram als vruchtbaarheidssymbool, een thema dat herhaaldelijk terugkeert in de regio. Het gaat hier om zogenaamde
Chtonische goden.

* Efeze:

De Vrouwe van Efese (
Artemis van Efeze), Turkije.
Efeze, gesticht in oeroude tijden in een vruchtbare regio van Lydië, die bovendien toegankelijk was zowel van uit het oosten als het westen, groeide uit tot een stad van 300.000 inwoners, gecentreerd rond de tempel van een moedergodin: "Artemis van Efeze".

* De oude Artemiscultus:

Efeze was vanouds een centrum voor de verering van de moedergodin Artemis-Diana.
De Artemistempel, een van de wereldwonderen uit de oudheid, vormde een centrum en symbool van hoop voor alle inwoners, van de bescheiden klasse tot de leidende.
De tempel was ook een wijdvermaard toevluchtsoord geworden, een traditie die verband hield met de mythe dat de Amazonen, die volgens de legende de eerste tempel ooit hadden gesticht, er hun schuilplaats hadden voor Herakles en ook Dionysos. Koningen, keizers, handelaars, militairen, jonggehuwden, gelovigen van verschillende moedergodincultussen, allen richtten ze zich tot het orakel in de tempel om antwoord op hun vragen en gebeden.
Tempel en stad kenden grote rijkdom dankzij de schenkingen van bezoekers.
De tempel kreeg er de functie van een bank, wissels werden met verschillende steden uitgeschreven, zoals: Sardes, Smyrna, Milete en Priëne.

In de Griekse periode won Efeze ook aan belang als centrum van de intelligentsia:

* Heraclitus van Efeze, trad rond 500 v.Chr. in het voetspoor van de Natuurfilosofen uit het nabijgelegen Milete, die op zoek gingen naar een meer wetenschappelijke verklaring voor ontstaan en ontwikkeling van de kosmos.

Aspasia van Milete was volgens antieke schrijvers 'bordeelhoudster', wat hun perceptie van de archaïsche dienst van de godin (inclusief zogenaamde tempelprostitutie) was. Zij werd minnares van Perikles en leverde hem inspiratie voor de democratie.
Herodotos van Halicarnassus onderwees geschiedenis te Efeze, en Hecataeus van Milete aardrijkskunde. Hippodamus, beroemd architect van Priëne, een stad in de buurt, richtte er een school op voor architecten.

Na de slag bij Salamis werd Artemisia I, die niet alleen de naam van de godin droeg, maar haar blijkbaar ook nog vertegenwoordigde zoals vanouds gebruikelijk was, officieel gedetacheerd voor Efeze. Zij zorgde dat de landen onder haar bestuur, waaronder naast Halicarnassus ook Kos, Nisyros en Kalynda, door hun verbond met de Perzen floreerden.

Later zagen de Romeinen het belang van Efeze ook in als kenniscentrum, en tussen 114 en 125 n. Chr. werd er in opdracht van Tiberius Julius Aquila de Bibliotheek van Celsus gebouwd. In de nissen in de muren werden ongeveer 12.000 perkamentrollen bewaard.

* Christelijke cultus:


Efes (Efeze)

Als belangrijk spiritueel, intellectueel en cultureel centrum werd Efeze vanaf de Romeinse tijd eveneens bezocht door de exponenten van het christendom, zoals de heilige Paulus, Timoteüs en Barnabas. Zij bestempelden de eredienst aan de godin echter als 'afgoderij'.
Toch slaagden ze er niet in de Efeziërs wat dat betreft tot andere gedachten en rituele praktijken te brengen. De cultus van de moedergodin was er vanouds te diep geworteld.
Men poogde toen, aanvankelijk zonder succes, de cultus te substitueren door een dienst voor de Heilige Maagd Maria. Volgens de legende zou Maria (moeder van Jezus) zelfs in Efeze zijn begraven. Het 'Huis van de Heilige Maagd Maria' (Turks: Meryemana) in de buurt van Efeze is zelfs een bedevaartsoord geworden, waar zowel islamitische als christelijke gelovigen naartoe worden geleid.

In 431 werd Efeze gekozen voor een
Concilie over de twistvraag of Maria Theotokos (Moeder van God) was in spirituele dan wel in letterlijke betekenis, iets waarover de Assyrische Kerk dwars lag. Tijdens dit concilie werd de Kerk van Maria gebouwd om de Efeziërs een nieuw eigen cultuscentrum te geven. Tegelijk werd ter bevestiging in Rome door de Paus de Basiliek van Maria de Meerdere (Basilica di Santa Maria Maggiore) gebouwd, zodat beide machtscentra met elkaar waren verbonden.

Pelgrims drinken van de bron bij het Huis van de Heilige Maagd MariaWant na het
Concilie splitste een deel van de, toen in het Perzische Rijk bestaande, Syrische Kerk zich af van het in het Romeinse Rijk zetelend patriarchaat van Antiochië. Zo ontstond de Oost-Syrische of ‘Nestoriaanse kerk’.

Ook voor een 2e Concilie bleek Efeze belangrijk genoeg als wereldcentrum.
Daarbij werd de stad in 449 tot bisschoppelijk centrum van het christendom uitgeroepen.
Blijkbaar kregen christenen er desondanks nog lang heel wat tegenwind.
Het wagenwiel uit Efeze was een christelijk geheim symbool om pelgrims naar de juiste plaatsen te leiden.

* Mithraïsme:

Het ontstaan van het Mithraïsme gaat terug tot de tijd dat Arische Hindoes en Perzen nog één volk waren. De god Mithra komt in de heilige boeken van beide volkeren voor.
Later verbreidde de godsdienst zich over Anatolië en van daar naar Griekenland en het Romeinse rijk. Volgens de Perzische mythe werd Mithras, zoals zij hem noemden, geboren uit de maagd Anahita, die dan ook het epitheton van “Moeder Gods” kreeg.

* De cultus van Cybele:



Cybele als opperste heerseres op de troon. Cybele werd de Magna Mater, de "Grote Moeder" genoemd en werd vooral vereerd als vruchtbaarheidsgodin. Bij de Hittieten (ongeveer 1700 en 1200 v.Chr.) heette zij Kubaba of Kubebe. In Phrygië (8e eeuw v.Chr. met hoofdstad Gordium) ontwikkelde ze zich tot de moeder van de natuurlijke wereld. Cybele was een Moedergodin die niet alleen stond voor vruchtbaarheid en verzorging, maar vooral ook een godin met macht, wier voorspraak men kon afsmeken ter bescherming. Cybele of Magna Mater werd beschouwd als de moeder van alle goden.

Klik hier om verder te lezen over Cybele.


Cybele (Ankara museum)

~ Grieken:

Op Kreta evolueerde in de loop van het 2e millennium v.Chr. de moedergodincultus door een groot aantal nieuwe factoren: diverse dieren, planten, enzovoorts. Een hele menigte demonen (gesymboliseerde natuurkrachten) vergezelden de goden, zoals de Cureten en Dactylen, die hun oorsprong kenden in deze periode. Ze kenden een talrijke afstamming in de Griekse mythologie (Chimeren, Gorgonen, Sirenen, etc.). De moedergodin zelf splitste zich op, waarschijnlijk in moeder en dochter, zoals later het geval zal zijn voor haar erfgenamen Demeter en Persephone. Deze laatste was haar aspect dat over de onderwereld heerste.

* Demeter:

Het pantheon van de Grote Goden die op Samothrake werden vereerd, bestond uit verscheidene chtonische goden van voor de komst van de Griekse kolonisten op het eiland in de 7e eeuw v.Chr.. Het vormde zich rond één centrale figuur - de Grote Moedergodin.
Haar oorspronkelijke geheime naam was Axiéros. Ze is verwant met de Anatolische Grote Moeder-godin, de Phrygische Cybele en de Trojaanse moedergodin van de Ida.
De Grieken associeerden haar met de vruchtbaarheidsgodin Demeter. De Grote Moeder is de almachtige meesteres van de wilde wereld van de bergen, vereerd op heilige rotsen waar offers aan haar werden gebracht.

Een fundament van het Griekse heiligdom van de chtonische goden in Akragas.
Het heiligdom van de Grote Goden van Samothrake
herbergde een mysteriecultus gewijd aan een pantheon van chtonische godheden waarvan de moedergodin de belangrijkste was. En ook in Akragas (het huidige Agrigento) bevond zich een tempel gewijd aan chtonische godheden.

De opvatting van Demeter als de moederaarde behoort tot haar oorspronkelijk wezen. Zij is niet alleen in het algemeen de moeder van alle leven en alle werkzaamheid in de natuur, maar vooral meer in het bijzonder van die planten, welke door de mensen tot hun eigen verbruik worden verbouwd. Voor het groeien en rijpen daarvan draagt zij zorg, voornamelijk voor het koren. Zo is zij de godin van de akkerbouw geworden, en toen ze dit eenmaal was, natuurlijk ook van al die bezigheden, welke in ruimere zin tot de akkerbouw kunnen gerekend worden, de boomkwekerij en de veeteelt...

Demeter en Persephone zagen beiden toe op aspecten van de vruchtbaarheid van het land, terwijl Demeter een typisch Olympische cultus had en Persephone een chthonische.

~ Romeinen:

De Romeinen vierden diverse voorjaarsfeesten. Begin mei hadden ze het meerdaagse bloesemfeest, de Floralia geheten. Op de eerste dag van mei vierden ze het feest van de aardgodin Bona Dea ('de Goede Godin'), die later met de Griekse godin Maia werd geïdentificeerd. Zij was de oudste en mooiste van de Pleiaden, de zeven dochters van Atlas en Pleione. Het Griekse woord µaa (maia) betekende oorspronkelijk 'moeder' en later 'vroedvrouw' (µaea-maieia). De Romeinen vereerden deze Griekse moedergodin opdat zij de dingen van de natuur zou laten groeien. Zij noemden de meimaand (Maius in het Latijn) naar haar. Het Latijnse woord maior (= 'groter') is aan maia verwant, zo ook het woord maiestas (= 'aanzien', 'pracht', 'het hoog in aanzien zijn', 'verheven zijn'). In de Middeleeuwen ontstond in Italië het gebruik om de maand mei toe te wijden aan Maria, "de Moeder Gods".

~ Noordelijk Europa:

Frigg spint de wolken.

Uit wat van de Noordse mythologie tot ons is gekomen via de Edda van Snorri Sturluson lijkt niets er op het eerste zicht op te wijzen dat een Almoeder bovenaan het pantheon zou hebben gestaan. De goden zijn er voortgekomen uit een reus, die eerder van het mannelijk geslacht lijkt, al zou deze zich gevoed hebben aan de melk van de Hemelkoe Audhumbla. Verder is er sprake van een categorie vruchtbaarheidsgoden, de Wanen, die uit een oudere mythologie lijken te stammen.
Aan het hoofd daarvan en van de Alven die de natuurkrachten vertegenwoordigen, is de tweeslachtige Freyr of Freya aangesteld, of beiden, wier naam in feite enkel een titel is en 'heerser(es)' betekent. In de Germaanse mythologie is het eerder Frigg, die als vruchtbaarheidsgodin ook godin van het moederschap wordt genoemd.
Maar het is niet duidelijk of zij in dat geval ook als moeder van de goden wordt gezien.

* Germaanse meifeesten:

De Germanen en West-Slavische volkeren kenden ook een in mei gehouden vruchtbaarheidscultus. Grootse feesten werden gevierd rond op open plekken opgerichte bomen of boomstammen, die later Meibomen zijn gaan heten. Zoals de Romeinen vierden ook de Germanen in mei de zich opnieuw manifesterende groeikracht van de natuur en de overwinning van de zomer op de winter. Meifeesten rond Meibomen met Meidansen, Meikoninginnen en Meigraven bleven ook na de kerstening van Europa voortbestaan.

In de vroege Middeleeuwen werden de volkse lofbetuigingen op de heidense aards-, moeder- en vruchtbaarheidsgodinnen steeds vaker geprojecteerd op Maria, die al sinds het jaar 431 officieel als de Moeder Gods werd vereerd. In de 13e eeuw ontstond vanuit Italië de idee om de meimaand geheel in het teken te stellen van de verering van de Heilige Maagd Maria. Tijdens de Contrareformatie waren het vooral de jezuïeten en kapucijnen die vanuit Rome dit gebruik over heel de Kerk verspreidden.
In die lenteperiode vierder ook de Kelten hun Beltanefeest. Beide feesten, dat van de Germanen en dat van de Kelten, werden door de Wiccatraditie overgenomen en samengevoegd tot 1 feest: "Beltane".

~ Kelten:

De Kelten kenden als moedergodin van de Kelten Danu, ook wel Anu genoemd, stichteres van de Tuatha Dé Danann. Het Keltisch Imbolc (Oimelc) feest, is het enige Keltische feest dat samenhangt met een godin, namelijk Brigid (Brid). Brigid was een voorname Keltische godin die zelfs door het christendom als "heilige" werd gedegradeerd. (Zij het "op en af"). Haar naam "Brighid" stamt af van "Brid of Bride (Schotland)" (bruid). Het feest van de godin Brighid "Imbolc" of "Oimelc" werd door de christenen gekerstend als het feest van "Maria Lichtmis".

* Ierse Anu:

Ierland wordt Iath n'Anann genoemd. Anu wijst in haar personificatie als maagdelijke moedergodin eerder op een traditie van veel oudere oorsprong. Anu wordt in de Sanas Chormaic vermeld als moeder van de goden. Ook wordt zij geassocieerd met de godentrias van de drie Marrigu, de oorlogsgodinnen Macha, Nemain en Badb.

Haar belangrijkste cultusplaats was Munster, in Zuidoost-Ierland. Bij Killarney liggen twee heuvels met de naam Paps of Anu - borsten of tepels van Anu.
Anu is een Keltische moedergodin, Moeder Aarde, die genoemd wordt in de Sanas Chormaic (Engels: Cormac's glossary). De precieze rol van Anu is onzeker, maar er bestaan aanwijzingen dat haar naam als synomiem werd gebruikt voor de godin Danu. Echter, Danu is afleidbaar van het proto-keltische *dano- (gift) en vindt in de betekenis "godin van overvloed" volop Indo-Europese parallellen. Anu wordt daarentegen wel eens herleid uit het proto-keltische theonym*Fanona, met de nietszeggende betekenis "Godin", en verwijst in haar personificatie als moedergodin eerder op een traditie van veel oudere oorsprong, zoals kan worden aangetoond met archeologische vondsten uit de steentijd. In dat geval heeft de Keltische Danu vanuit de Indo-Europese traditie de oudere traditie integraal overgenomen.

Vermoedelijk komen de algemene moeder-attributen van Anu vertekend terug in de attributen van de veel vaker genoemde Danu. Zo worden de Keltische goden van het genus Tuatha Dé Danann voorgesteld als afstammelingen van deze godin Danu, terwijl Danu in de Ierse mythologie alleen bekend is als moeder van een drietal vrij laag op de ranglijst geplaatste helden (Brian, Iuchar en Iurcharba). Dit drietal duikt - om de verwarring nog groter te maken - in andere mythen weer op als de zonen van Brigit. De oorsprong van Brigit mag daarentegen gezocht worden in de (voor-indo-Europese?) traditie van de drievoudige moedergodin (Matrones) en/of die van de (Indo-Europese) drie schikgodinnen, waarbij een verstrengeling zoals geschetst voor Danu met de vruchtbaarheidsattributen van een in onbruik geraakte oudere moedergodin als Anu, veel van de ontwikkeling van Brigit tot belangrijkste Keltische godin op de Britse eilanden duidelijk kan maken.

* Dagda:

De Dagda wordt in de Keltische mythologie van Ierland gezien als de Vader der Goden, vergelijkbaar met Jupiter (Díspater). Het woord zelf betekent De goede God, niet in de morele zin, maar in een algemene zin, overal goed in, macht over alles. De Keltische Goden hebben niet echt een specialisatiegebied, en er kan dus ook niet echt over een pantheon worden gesproken. Ze zijn allen goed in alles, zoals de Griekse god Apollon. Hij is ook bekend als Eochaidh Ollathair' (Al-vader), Aedh (Vuur) en Ruadh Rofessa (De Rode Heer van Kennis) en is dus een drieënig god.

De Dagda is een vader-figuur, de beschermer van de stam en het sjabloon waaruit alle andere mannelijke Keltische goden worden gevormd. Hij is de zoon van Danu en Bileacute. Ierse verhalen schilderen de Dagda af als een figuur met immense macht, gewapend met een magische knuppel en met een ketel. Eén haal met de knuppel zou negen mannen neer kunnen slaan, en met het handvat zou hij ze weer terug tot leven kunnen brengen. De ketel is bodemloos, en zou een leger te eten kunnen geven. Hij bezit ook een rijkelijk versierde magische harp, gemaakt van eikenhout. Als de Dagda de harp bespeeld kan hij de seizoenen in de juiste volgorde zetten. Andere verhalen vertellen over hoe hij met zijn harp zijn leger in de oorlog kan commanderen.

De Dagda is ook de Hoge Koning van de Tuatha Dé Danann, de supernatuurlijke wezens die Ierland bewoonden vóór de komst van de Ieren.

Hij is getrouwd met Breg, en heeft een affaire met Boann, de vrouw van Nechtan. Om zijn affaire stil te houden zorgt hij ervoor dat de zon negen maanden stil staat. Dit maakt het mogelijk dat zijn zoon Aengus wordt verwekt en geboren op één dag. Samen met Boann helpt hij Aengus zijn ware liefde te vinden.

De Dagda is ook de vader van Badb Dearg, die hem opvolgde als Koning van de Tuatha Dé Danann.

Hij is ook bekend als: Daghda, Dagde, Dagodevas, Sucellus (Gallië).


* Cernunnos:

 

De afbeelding van Cernunnos kan bekeken worden in een museum in Reims (Frankrijk): "Musée-Abbaye Saint-Remy".
Cernunnos ('de gehoornde') was een Keltische god die in Gallië en Brittannië werd vereerd. Hij werd meestal naakt afgebeeld in kleermakerszit, of soms met een mouwloos hemd en een torque om de hals en in de rechterhand.
Vaak ook met een sacrale fakkel in de ene hand en een slang met ramshoorns in de andere.

Hij was de heer over de natuur, dieren, landbouw, voorspoed en de onderwereld.

Cernunnos is de Keltische god die waarschijnlijk het dichtst het idee van een universele vaderlijke god benadert.
We vinden sporen van hem in de literaire tradities van Ierland en Wales.

Afbeeldingen van hem komen tot in de 9e en 10e eeuw voor, ze staan in die tijd veelvuldig in miniaturen die de evangeliën verluchtten.

 

 



Op de Ketel van Gundestrup staat hij afgebeeld naast een hert met hetzelfde gewei als hijzelf (en ook zijn hemd en broek vertoont dezelfde tekening als op de hertenpels), terwijl hij met de linkerhand de oerslang omvat. (Meestal werd deze Natuurgod naakt afgebeeld in kleermakerszit).

* Lugh: (Zie ook Lughnasadh)


 

 

 

 

 

 

 

Lug, Lugh, Lugus of Lugos (Modern Iers: Lú (uitspraak /lu:/)) is de Keltische zonnegod. Hij is sterk, jong, meester van alle kunsten. Hij is de god van de ambachten en de handel. Hij was voor de smeden in het bijzonder belangrijk. Hij stond voor de logische combinatie handel en techniek, maken en verkopen. Lugh wordt gezien als een Vadergod.
Hij wordt vereerd met het heidense Lúghnásádh feest.
Dit wordt gevierd wanneer de eerste oogst binnen wordt gehaald, ongeveer 1 tot 7 augustus.

° Attributen~
De slinger van Lugh was de regenboog en de Melkweg werd de Keten van Lugh genoemd. Hij had ook een magische speer die hij niet zelf hoefde te slingeren, want ze was zo vol leven en dorstig naar levenssap dat ze enkel kon rustig gehouden worden door ze met de kop in een slaapdrank te steken gemaakt van gestampte klaproosblaren. Als de strijd nabij was werd ze eruit gehaald en dan raasde en daverde ze tegen de riemen, sloegen er gensters uit, en zodra ze uit zijn hand schoot, drong ze door rijen en rijen tegenstanders, zonder er moe van te worden.

° Genealogie~
De vader van Lugh was Cian van de Tuatha Dé Danann en zijn moeder Ethniu dochter van Balor van de Fomóiri. Hun vereniging stelt een dynastiek huwelijk voor tussen die twee volksstammen, volgens het Lebor Gabála Érenn.
(Zie ook Lughnasadh)

* Brigit ~ Brighid: (zie ook Imbolc)

Brigit (Modern-Iers: Brighid) was volgens het Lebor Gabála Érenn de dochter van de Dagda van de Tuatha Dé Danann en de vrouw van Bres van de Fomóiri. Ze had twee zussen, ook Brighid genaamd, en wordt beschouwd als een klassiek Keltisch godentrias. Zij is een Ierse godin van geneeskunde en vruchtbaarheid. Brighit wordt vereerd met Imbolc. Ze wordt gezien als een oorspronkelijke Moedergodin.

Haar Britse en Gallische tegenhangster Brigantia werd door de Romeinen gelijkgesteld aan Minerva. Het Christendom heeft bepaalde eigenschappen van haar toegekend aan sint Brigida van Kildare. (Kerstening).

Sommigen beweren dat er 3 Brighids zijn: één belast met de poëzie en de inspiratie; een andere met geneeskunst en zwangerschappen en een derde meesteres van de smeed- en andere kunsten.
Daarom spreekt men hier van een Keltisch godentrias.

Volgens de legende is ze geboren bij zonsopgang, met een toren van vlammen rond haar hoofd. Zo begon zij als zonnegodin en godin van het vuur (smeedkunst - zon - lente).

Als vuur- en watergodin is zij onsterfelijk door vele waterbronnen. Op een altaar in Kildare (County Kildare) brandde altijd een vuur voor godin Brighid. 19 Maagden, de dochters van de Vlam, verzorgden het vuur.
Het was hen verboden met mannen te praten en zij moesten er voor zorgen dat mannen niet te dicht bij het altaar kwamen.

Brighid symboliseert het menselijk vermogen. Men spreekt ook van Brigit, Brighid, Brigindo, Belisama of Bride.

Toen het
christendom zijn opmars begon, werd het eeuwige vuur gedoofd door de kerk, maar deze godin was zo geliefd dat ze direct als een heilige gekerstend werd.
Voor de gekerstende "heilige Brigida" werd ook een orde tot stand gebracht: "de Orde van de Heilige Brigitte".

Nu nog is St. Brighid één van de populairste heiligen, naast St. Patrick. Zij wordt gevierd met Imbolc, een festival van de Keltische kalender.
In onze hedendaagse kalender wordt Imbolc gevierd op 2 februari. Imbolc of Imbolg betekent "in de buik" en verwijst naar de drachtige ooien. Een andere naam, "Oimelc" betekent "ooi-melk (schapenmelk)".
Zelfs al is het met Imbolc nog winter, voelen we reeds de komst van de lente aan, waardoor Imbolc meestal aanzien wordt als het voorfeest van de
lente. De échte lentefeesten zijn Ostara en Beltaine.

Een volkstraditie is Brighid's Bed. De jonge meisjes maken een graanpopje , versierd met strikken en linten.
De oudere vrouwen maken een bedje om godin Brighid in te leggen.
Op St. Brighid's Eve, verblijven jonge vrouwen, samen, de hele nacht rond de graanpop.

Ieder gezin dat die nacht naar bed gaat, giet de haard onder water en de as wordt mooi glad gestreken.
Wanneer er 's morgens een teken in de as is, betekent dit dat Brighid is langsgekomen. Godin Brighid voert de mensen van de winter naar de lente; zij is de levenskracht, wiens aanwezigheid nodig is in die tijd van het jaar.
Imbolc is ook 'pannenkoekendag' omdat een pannenkoek de "zon" voorstelt.
En, zonder "vuur" geen pannenkoek!


Brighid's Bedaltaar met Imbolc.

~ Kerstening van de Moedergodin:

De allereerste dag van elk jaar is in het christendom gewijd aan Maria, Moeder van God.
Op die dag viert de Kerk dat Maria, uit wie Jezus werd geboren, waarachtig aanzien wordt als moeder van God (Theotokos). Dit werd voor het eerst als dogma bepaald in het Concilie van Efeze in 431. Mater Dei werd toen als epitheton aan Maria overgedragen. Oorspronkelijk was het moederlijke aspect een attribuut dat aan de Heilige Geest was toegekend. Verder is er ook een relatie tussen de symbolen Moeder Gods, maan, Venus, water en bron, een associatie die van in de oudheid bij veel godinnen is aangetroffen.

Maria, de Heilige Moeder Gods is sinds eeuwen de meest populaire heilige, en kent in alle katholieke landen een grote devotie.
De toewijding van een maand aan Maria heeft zoals bij veel katholieke feesten het geval is een heidense achtergrond. Het hele jaar rond zijn belangrijke datums in verband met de moedergodincultus aan Maria gewijd. Ook de afbeeldingen, voornamelijk in iconen, zijn op de 'oervoorstellingen' gebaseerd.

Een voorbeeld is de Platytera, de Moeder Gods van het Teken, een afbeelding van de Moeder Gods met Immanuël in haar schoot. Wat uitgebeeld wordt is het vooreeuwige Woord Gods in de 'emblematische figuur' van Immanuël, met andere woorden de menswording van het 'woord' uit de Maagd Maria. Van een kerk in Constantinopel in de Blacherne wijk komt de naam Blachernitissa. De mantel van Maria was in die kerk een relikwie.
In Rusland spreekt men als er een clypeus bij is, van 'Moeder Gods van het teken'.
Dit verwijst naar het verhaal in Jesaja 7 vers 14 waar koning Achaz een teken ontvangt van de profeet Jesaja: "Zie, de jonge vrouw is zwanger en zal een zoon ter wereld brengen, en gij zult hem de naam Immanuël geven".

* Voor het huidige godsbeeld moeten we teruggrijpen naar de Hebreeuwen (en daarvoor).

~ El (god):

De naam El in het Fenicisch, wordt van rechts naar links te lezen.
El ('God') was oorspronkelijk een Fenicische Hemelstiergod, en werd de naam van de hoofdgod in het Kanaänitische pantheon dat bestond uit godentriaden. Zijn functie was die van oudere vader van de godenfamilie, voorzitter van de goddelijke vergadering en scheppergod. Als zijn partner gold Ashera.
Als epitheton had El de Barmhartige, de Vriendelijke.

Mythologisch is El onder de naam 'Ilu' vooral bekend uit het tekstmateriaal van de kleitabletten uit de Kanaänitische stad Ugarit en uit Ebla.

Waar het woord el oorspronkelijk een heel specifieke god binnen een polytheïstisch systeem aanduidde, werd het later ook gebruikt in algemenere zin voor een willekeurige godheid en nog weer later voor de ene God uit het monotheïsme: 'De Godheid', God in de macht en de onmiskenbaarheid van zijn goddelijke natuur. Hebreeuwse woorden als El, Eloah en Elohim en het Arabische Al Illah waar Allah van afstamt, zijn alle aan dit woord gerelateerd en betekenen allemaal God.

Direct of indirect komt het woord el of een afleiding hiervan in vele eigennamen voor zoals Israël, Daniel, Gabriel, Ezechiel, Samuel, Isjmaïl (Ismaël) , en Abdullah.

De teksten verwijzen naar de 'El' van Ugarit steeds als Thor-El.
Dit zou banden met de Indo-Europese stormgod 'Thor' suggereren.

De juiste uitspraak kan beter worden weergegeven als Eil, niet 'El' met een korte 'e'.
Joden spreken de naam daarnaast uit als Keil wanneer deze niet binnen een strikt religieuze context (zoals in gebed of zegeningen) gebruikt wordt.

'El' veranderde tot Yaw (Jaw), dat als synoniem gold, rond 2300 v.C.
De hemelgod werd nadien in Israël verdrongen door de stormgod
"Jahweh".


~ Asherah:

Levensboom of asherah. Asherah of Ashera(t) was de oudste Moedergodin van Kanaän, identiek aan de Ugaritische Godin Athirat of 'Airat. In een Sumerische inscriptie uit 1750 v.Chr. komt zij voor als vrouw van Anu of El (de vadergod van het Kanaänietisch pantheon). Baäl is één van haar kinderen.
Zij is ook "De Vrouw die de Zee doorkruist" en "De Moeder van de Goden". Ze wordt afgebeeld in de vorm van een boom.

Het woord asherah met kleine letter betekent zoveel als pilaster of alleenstaande zuil of paal, symbool van de Moedergodincultus dat veelvuldig in Kanaänietisch gebied is aangetroffen. Het is tevens de aanduiding van een heilige boom, een groene boom die als referentieteken van leven gold en waarbij meestal een lokale boomcultus werd voltrokken, zoals ook in India nu nog vaak gebeurt. Meestal stonden er twee zulke bomen bij een tempel. Ezechiël meldt over de aanhangers van de cultus: Zij brachten een tak (van de heilige boom) aan hun neus. Asherim waren oorspronkelijk vijgenbomen, de sycamore, die in het Oude Egypte beschouwd werd als 'het lichaam van de Koningin op Aarde'. Vandaar ook de 'vijgenboom' van Adam en Eva.

In Ugaritische teksten van voor 1200 v.Chr. wordt de Godin Athirat driemaal vernoemd: 'art ym, 'Airat yammi, 'Athirat van de Zee' of in vollediger vertaling 'Zij die handel drijft op zee'. De naam wordt door de meeste vertalers en commentatoren beschouwd als afkomstig van de Ugaritische wortel 'ar 'strijd' verwant met de Hebreeuwse wortel 'šr met dezelfde betekenis.

In genoemde teksten is Athirat de partner van de god El en wordt een referentie gemaakt naar 'de zeventig zonen van Athirat', waarschijnlijk dezelfde als 'de zeventig zonen van El'.
Zij wordt niet echt onderscheiden van Ashtart (Astarte), en Ashtart wordt gelinkt aan de Mesopotamische Godin Ishtar. Ze wordt verder ook nog Elat genoemd, de vrouwelijke vorm van El, die heerseres betekent en Qodesh 'Heiligheid'. Quadeshu waren heilige vrouwen of tempelpriesteressen (vgl. Naditu).

Belangrijke cultusplaatsen naast Ugarit waren de havensteden Sidon en Tyrus, waar zij de plaatselijke stadsgodin was. De god Baäl werd er als één van haar kinderen aanzien.

Deze godin komt ook als Ashratum of Ashratu af en toe voor in Akkadische bronnen.

Bij de Hettieten komt deze godin voor als Asherdu(s) of Asertu(s), of ook nog Aserdu(s), gemalin van Elkunirsa, en moeder van ofwel 77 ofwel 88 zonen.

Archeologen vonden dat tot in de 6e eeuw v.Chr. huisaltaren werden ingericht, of op zijn minst figurines werden gehouden van Asherah, die in alle sites opmerkelijke overeenkomsten vertonen.

In de Bijbel wordt 40 maal naar 'Asherah' gerefereerd (naar 'Astarte' slechts 9 keer). Astarte zou haar dochter zijn of een ander aspect van haar zuster Anath (de zuster-vrouw van Baäl). In Deuteronomium 7:5 staat: "Zo zul je met hen doen: hun pilaren zul je vernietigen; hun Asheirim zul je omzagen; en hun afbeeldingen zul je in vuur verbranden." De belangrijkste joodse bijbelcommentator, Rasjie, legt uit dat 'Asheirim' (meervoud van 'Asherah') verwijst naar bomen die aanbeden worden door de Kanaänieten.
De bron hiervoor is het Talmoed-tractaat Avoda Zarah, pagina 48b.

~ Baäl, zoon van Asherah:

Baäl volgens Collin de Plancy's Dictionnaire infernal in 1862)
Overblijfselen van de tempel van Baäl in Palmyra
Overblijfselen van de tempel van Baäl in PalmyraBaäl was in het antieke Midden-Oosten en dan vooral in Egypte en Fenicië een van de vele goden van de donder en de oorlog. Behalve oorlogsgod was hij ook god van de vruchtbaarheid. Baäl betekent in feite de Heer en wordt dan ook vaak gevolgd door een eigennaam. Het was de titel van de stadsvorst, aan wie het gezag in naam van de godheid werd verleend.

* Meerdere soorten Baäls:

Baäl was het Kanaänitisch en Fenicisch woord voor Heer en in deze zin was een Baäl de koning onder de plaatselijke goden. Zo was er een Baäl Hadad, Baäl Melkart, Baäl Moloch, Baäl Beëlzebub, enz.. Vele steden en volkeren in het oude Kanaän hadden elk hun eigen streekgebonden Baäls, zo ook de Fenicische koloniën. In Ugarit heette hij bijvoorbeeld Hadad, maar deze werd ook gewoon met zijn titel van "Heer" Baäl genoemd. De koning van een stad kreeg zelf de titel van 'Baäl' toebedeeld voor de duur van zijn ambt. Oorspronkelijk kreeg hij dit van de vertegenwoordigster van de godin tijdens een speciale ceremonie, de hieros gamos of het rituele huwelijk. Hij was daarom de zoon/minnaar van de Godin, en werd in die hoedanigheid ook Tammuz genoemd.
De Baäl van Ugarit, Hadad, was uitgegroeid tot de machtigste in het gebied, maar bleef onder El.


Tempel van Baäl in Palmyra.

Baälat was de term om de koningin aan te duiden, die door haar afkomst de nieuwe Baäl zijn macht verleende.

De godsdienst heeft zich waarschijnlijk ontwikkeld uit nog eerdere vruchtbaarheidsriten. Dit is nog af te leiden uit de aandacht die uitging naar vruchtbaarheid voor het land, het vee en de vrouw. Eerbare vrouwen werden geacht een tijdje dienst als tempelvrouw te doen in de tempel van Baäl of van de godin. Het geld dat ze hiermee verdienden werd aan de tempel geschonken. Deze dienstbaarheid aan de tempel eindigde als de vrouw voor het eerst zwanger werd en zo haar vruchtbaarheid bewezen had. Degenen die dit niet lukte waren vaak gedwongen hun hele leven in de tempel te blijven omdat ze geen man konden vinden die hen als vrouw wilde aannemen.
In oogsttijd werden er landbouwproducten en jong vee geofferd.

In het algemeen werd de god Baäl (die door de aardse Baäl, of stadsheer, werd vertegenwoordigd) als zoon van de hemelgod El gezien en was zijn moeder daarom Athirat. Zijn zus was Anat, die ook als zijn echtgenote werd gezien (vanaf 1000 v.Chr. was dat Ashtoreth), en Jam en Mot zijn broers. Eén van zijn epitheta was Wolkenrijder.

~ Jahweh als opvolger van Baäl:

De 'jaloerse god' Jahweh heeft veel eigenschappen van zowel de oude Mesopotamische god El als Baäl. Teksten die werden opgegraven in Ugarit vertonen een stijl die dicht bij die van het Oude Testament staat. Het Ugaritisch lijkt zelf ook erg op het vroege Hebreeuws. De eigenschappen van Jahweh zijn die van El en Baäl samen. In hun ijver dit verband te ontkennen, verketterden de profeten van het Oude Testament Baäl als valse god en vijand. Toch worden vele aspecten van Baäl weerspiegeld in Jahweh.

Salomo keerde zich van het traditionele nomadische bestaan van de Israëlieten af en bouwde, tegen de aanvankelijke bezwaren van de profeten in, de eerste joodse tempel.
Deze was aanvankelijk niet alleen voor Jahweh bedoeld, ook andere goden werden er nog een hele tijd vereerd. Hij werd trouwens ingewijd met de bede: "Geef regen op het land, dat Gij Uw volk ten erfdeel geschonken hebt", een toespeling op de eigenschappen van Baäl als regengod en god van de vruchtbaarheid.

De beschrijving van de tempel zelf in de Bijbel is eerder fantastisch en mist architectonische precisie. Archeologische opgravingen elders in Palestina en Syrië tonen aan hoe tempels in die tijd naar oudere Kanaänietische voorbeelden gebouwd werden, zoals die van Baäl-Hadad in Hasor, die voor de tempel van Salomo als voorbeeld zou hebben gediend. Voor de bouw ervan deed hij beroep op ervaren geschoolde bouwmeesters, metselaars en kunstenaars uit Fenicië.

* Baäl in de Bijbel:

Baäl wordt veel in de Bijbel genoemd. De volgelingen van Baäl waren grote tegenstanders en bestrijders van de God van de Israëlieten en omgekeerd. Baäl, wat "meester", "eigenaar", of "echtgenoot" betekent, werd volgens hen aanbeden als mannelijke afgod. De aanbidding van Baäl werd dikwijls gekoppeld aan de godin Astarte, de vrouwelijke tegenhanger.
Baäl werd beschouwd als regengod.


Baäl & Astarte

De aanbidding van Baäl ging niet alleen gepaard met de wellustige praktijken van vruchtbaarheidscultussen, maar ook praktijken als het offeren van kinderen.
De aanbidders van Baäl aten ook de offers die gebracht werden aan de doden en sneden zichzelf met zwaarden en speren.
Izebel, de vrouw van Achab, de dochter van Etbaäl ("met Baäl") de koning van de Sidoniërs, was een toegewijd aanbidster en profetes van Baäl, die de aanbidding van Baäl in Israël nieuw leven inblies. Ze stelde zich vierkant tegenover de God van Israël en zijn profeten en werd bijzonder gehaat door Elia. Die organiseerde zelfs een militaire coup tegen haar.
Elisa riep legeraanvoerder strijdwagenrijder Jehu van Israël tot koning uit in naam van 'de Heer' (Jahweh). De hele koninklijke familie (een 70tal) werd toen uitgemoord met Izebel aan kop. Diezelfde Jehu riep daarna de Baälpriesters en vereerders in hun tempel in Samaria bijeen "voor een offer", maar liet ze daarna allen afslachten en de tempel met de grond gelijk maken.

De cultus van Tammuz, die met die van Baäl samenhing, werd nog tot 720 v.Chr. vooral door vrouwen aangehangen. Tot afschuw van de profeet Ezechiel (8.14-15) werd door sommige Israëlieten - vooral door vrouwen - de dood van "De Tammuz" tot in de tempel van Jeruzalem jaarlijks nog beweend.

* Mensenoffers:

In crisistijden zouden ook mensenoffers aan Baäl Moloch (vuurgod) gegeven zijn. Dikwijls waren dat kinderen omdat men geacht werd het eerstgeborene te schenken aan de godheid om diens zegen af te smeken. Bekend is dat de Carthagers dit deden. Dit ging zo in zijn werk: het afgodsbeeld was meestal een grote holle metalen constructie (meestal van brons versierd met edele metalen) met beweegbare uitgestrekte armen. Onder in het beeld werd een groot vuur gestookt totdat de vlammen uit de opengesperde muil van het beeld sloegen. Het slachtoffer werd gebonden en in de uitgespreide handen van het beeld gelegd. Hierna werden de armen opgeheven totdat het slachtoffer vanzelf via de armen in de opengesperde muil rolde. De Romeinen en Grieken berichtten hierover met afschuw. Hoewel vaak gedacht is dat dit geen onpartijdige berichten waren, aangezien er in die tijd een hoge kindersterfte was. De opgravingen die wijzen naar Carthaagse kinderoffers, zouden ook massagraven kunnen zijn voor pasgeborenen die zijn gestorven. Immers, in Griekenland zijn ook soortgelijke opgravingen gedaan.

* Naamgeving:

Fenicische en Punische namen als Hasdrubal en Hannibal bevatten ook een vorm van de naam Baäl: Bal; een andere variant van de naam Baäl is Bel.

* De Baälcyclus:

De opgravingen in Ugarit hebben kleitabletten opgeleverd waarop de Kanaänitische mythologie is terug te vinden, meer bepaald in de zogenaamde Baälcyclus. Dit is één van de voornaamste mythologische cyclussen die zijn bewaard gebleven.
Het thema is hier vooral de strijd om de macht en de vruchtbaarheid.

~ Astarte:

Astarte op een wagen met vier vruchtbare takken die het dak sieren.
Julia Maesa muntstuk uit Sidon.

Astarte was een Fenicische godin met algemene bekendheid in de noordwestelijke Semitische streken, beschermgodin van Side, en als "Maagd van de Zee" ook van de zeelieden, waardoor haar cultus wijd verbreid was. De eerste betekenis van haar naam was Baarmoeder. Zij is dan ook oorspronkelijk een vruchtbaarheidsgodin of Moedergodin, wat verder tot uiting komt in het epitheton "Moeder der Hemelen", "Koningin van de hemel" en "Moeder van alle godheden".

* Herkomst en andere namen:

Qua naam, afkomst en functies is Astarte verwant aan de godin Ishtar uit de Mesopotamische teksten.

Andere namen of naamswijzigingen zijn ‘Ashtart, in het Hebreeuws of Fenicisch (getranslitereerd Ashtoreth), Ugaritisch ‘trt (ook ‘Atart of ‘Athtart, getranslitereerd Atirat), en Akkadisch dAs-tar-tú (ook Astartu).

* Functies en associaties:

 

 

 

 

 

Astarte is nauw verbonden met de thema's vruchtbaarheid, seksualiteit en oorlog. Haar symbolische attributen waren de leeuw(in), het paard, de sfinx, de duif en de ster in een cirkel ter aanduiding van de planeet Venus. Op afbeeldingen komt ze vaak naakt voor. Deze oppergodin wordt geacht te reizen in een vuurbal, haar partner is dan ook Shamash.

Donald Harden bespreekt in The Phoenicians een beeldje van Astarte uit Tutugi (Galera) nabij Granada in Spanje uit de 7e of 6e eeuw v.Chr. waar Astarte op een troon geflankeerd door sfinksen zit met een kom onder haar borsten, die doorboord zijn. Een holte in het beeld zou met melk zijn gevuld via het hoofd en door lichte opwarming zou de was die de openingen in de borsten afdekte zijn gesmolten, waardoor de melk dan uit de borsten stroomde bij wijze van een soort plengoffer. (La Dama de Galera).


Dama de Galera. (Astarte)
In de wicca gekend als "Ostara of Eastre" (Lentegodin).

* Identificaties met Astarte:

° Astar: godin in Abessinië (huidige Ethiopië).
° Athar: vruchtbaarheidsgodin in Zuid-Arabië.
° Ishtar: moedergodin van Mesopotamië.
° Inanna: Sumerische liefdesgodin van de natuur en de vruchtbaarheid.

Deze godinnen worden allen met de planeet Venus geassocieerd.
(Venus > vrouwelijk > vruchtbaarheid > draagster van nieuw leven).

* Astarte rond de Middellandse zee:

Astarte is vergelijkbaar met de Griekse godin Hera (Romeins: Juno, als koningin der Goden en beschermster van moeders en het huwelijk), maar ook met de Griekse Aphrodite (Romeinse: Venus, als vruchtbaarheidsgodin en godin van het vrouwelijke).

De Grieken ontvingen haar uiteindelijk onder de naam Aphrodite.
Belangrijkste cultuscentra waren Sidon waar ze een tempel deelde met Eshmun, Tyrus en Byblos. Munten uit Sidon tonen haar op een wagen in de vorm van een globe.
Munten in Beiroet tonen haar samen met Poseidon en Eshmun.

Andere cultuscentra waren Cytherea, Malta en Eryx op Sicilië.
Van deze laatste plaats raakte zij onder de Romeinen bekend als Venus Erycina.

Een tweetalige inscriptie op de Pyrgi tabletten van ca. de 5e eeuw v.Chr. die gevonden zijn nabij Caere in Etrurië stelt haar gelijk met Uni, dat wil zeggen Juno.
Ook in Carthago werd zij vereerd naast de godin Tanit.

Ook de Syrische godin Atargatis (Semitisch voor ‘Atar‘atah) werd met Astarte gelijkgesteld.

* Astarte in Ugarit:

In Ugaritische teksten die in de Kanaänitische vergeten stad Ugarit zijn opgegraven verschijnt Astarte onder de naam ‘Athtart, maar heeft verder weinig betekenis. ‘Athtart en Anat weerhouden er tezamen Baäl van om een aanval op de andere goden te plegen. Astarte vraagt Baäl ook om Yamm (de zee) te verbrijzelen na zijn overwinning.
Athtart wordt er “het aanzien van Baäl" genoemd.

* Astarte in Egypte:

In Egypte verschijnt zij voor het eerst aan het begin van de 18e Dynastie, samen met andere godheden, door noordwestelijke Semitische volkeren als tegenhangster van de Babylonische Ishtar (de Sumerische Inanna) werd vereerd. Zoals Ishtar had zij zowel een vredelievend als een afschrikwekkend facet. Dit laatste was dominant in haar Syro-Kanaänitische manifestatie, waar zij in de hoedanigheid van oorlogsgodin vaak samen met de godin Anat werd vereerd. In het Nieuwe Rijk was zij in het bijzonder verbonden met militair gebruik van paarden en krijgswagens. In de Wedstrijd tussen Horus en Seth lijken deze twee godinnen dochters van Ra. Zij worden ten huwelijk geschonken aan de god Seth, hier met de Semitische naam Hadad. Soms werd Astarte in het Egyptisch pantheon ook dochter van Ptah genoemd.

Astarte werd ook gelijkgesteld met de godin Sekhmet, maar blijkbaar nog vaker, zij het ten dele, met Isis te oordelen naar de talrijke beelden die men heeft gevonden waar Astarte een klein kind zoogt. Er staat een beeld uit de 6e eeuw v.Chr. in het museum van Caïro, dat men normaal zou beschrijven als Isis die haar zoon Horus op haar knie houdt, en dat in alle details de iconografie van de normale Egyptische canon volgt, maar de inscriptie luidt: "Gersaphon, zoon van Azor, zoon van Slrt, man van Lydda, voor zijn Vrouw, voor 'Ashtart'. (Zie G. Daressy, (1905) pl. LXI (CGC 39291)).

Luidens een fragmentarische mythe van de 19e Dynastie van Egypte over Astarte en de Zee zou de godin betrokken zijn geweest bij de ondermijning van het tirannieke gezag van de god Yamm, maar de details van deze mythe ontbreken. Alhoewel het seksuele aspect van Astarte in de Egyptische religie niet zo uitgesproken lijkt geweest te zijn als in het Kanaänitisch thuisland, was dit waarschijnlijk toch niet helemaal afwezig in de Egyptische mythologie. Astarte werd in het Oude Egypte meestal afgeschilderd als een naakte vrouw te paard met wapens en een Atefkroon of een haartooi met stierenhoorns. Volgens Philo droeg zij deze als symbool van dominantie, maar Mesopotamische en Syrische goden en godinnen droegen in het algemeen horens als symbool van hun goddelijkheid, zodat dit attribuut bij Astarte geen verdere betekenis zou gehad hebben.

Er bevond zich een tempel ter ere van Astarte in Pi-Ramesse in de Nijl-delta. Er waren ook een aantal tempels waar haar cultus in die van andere godheden was ondergebracht, bijvoorbeeld in San el-Hagar, het antieke Tanis, waar Astarte werd vereerd samen met de Egyptische godheden Mut en Khonsu. Het voor komen van haar naam en afbeelding op scarabeeën en ostraca kan eveneens een aanwijzing zijn voor de populariteit van haar cultus.
Op de afbeelding zie je de troon van Astarte (Ashtart) in de Eshmun tempel in Sidon.

* Astarte beschreven door Sanchuniathon:

In het Fenicisch pantheon dat aan Sanchuniathon wordt toegeschreven komt Astarte voor als een dochter van Hemel en Aarde en zuster van de god El. Nadat El zijn vader Hemel omverwerpt en verbant, zendt Hemel zijn "Maagdelijke dochter" Astarte naar El als een soort list samen met haar zuster Asherah en de godin die later "Ba’alat Gebul" zal genoemd worden, de "Vrouwe van Byblos". Maar de list lijkt niet te werken want alle drie worden zij de echtgenotes van hun broer El. Astarte baart kinderen van hem die onder de Griekse namen de zeven Titaniden of Artemiden zullen verschijnen plus twee zonen Pothos "verlangen" en Eros “begeerte” of “aantrekkingskracht".

Later zien we Astarte en Hadad samen over de wereld heersen met El’s goedkeuring.
Astarte zet een stierenkop op haar hoofd als teken van haar soevereiniteit. Terwijl ze door de wereld gaat neemt Astarte een ster op die van de hemel is gevallen en wijdt die aan Tyrus.

* Ashtoreth in Israël en Judea:

Astarte, heet Ashtoret in het Hebreeuws. Zij werd oorspronkelijk als Moedergodin vereerd in Kanaän met een hoofdtempel in Aphaca. Het was de hoofdgodin van de Feniciërs, voor wie zij het regeneratievermogen van de natuur vertegenwoordigde, een maangodin, ook aangenomen als 'dochter van Ra' door de Egyptenaren. Haar voornaamste cultusplaatsen dateren uit de Bronstijd. Haar voorgangster was een slangengodin. De Feniciërs hadden via hun scheepvaart de cultus wijd over het Middellandse zeegebied verbreid. Er bestonden tempels van Ashtoreth tot in Carthago en Eryx (Sicilië) en op diverse plaatsen in Cyprus. De 'heilige vrouwen' die de tempels beheerden werden qadishtu genoemd.

Deze werden met de zogenaamde tempelprostitutie geassocieerd.

Deze godin was de oppergodheid van de Semieten in hun primitieve matriarchale organisatie stadium. Zij was analoog aan de menselijke matriarch, vrij in haar liefde, de vruchtbare moeder van de stam en de leider daarvan in vrede en oorlog.

Ashtoreth, Astarte, Attoret, Anath zijn alternatieve namen voor dezelfde godin, die algemeen als de voornaamste godheid gold in Tyrus, Sidon, Ascalon, Beth Anath, Beth Shan (waar zij een belangrijke Filistijnse tempel had), Aphaca, Baälbec, Byblos en Ashtoreth Karnaim, in welke steden in Kanaän zij een tempel had in Bijbelse tijden. De Ashtoreth tempel in Kition is zoals vele andere tempels rond de Middellandse zee, waaronder ook die van Athene en Delphi op Myceense fundamenten gebouwd, hetgeen op een zeer oude traditie van Moedergodincultus wijst. Umm Attar (Arabisch voor Moeder Attar), mogelijk ook Hathor, Attoret zijn synoniemen.

Bij hun verovering van Kanaän door de Hebreeën stuitten de mannelijke priesters van de stam Levi dan ook op een geduchte tegenstandster. De cultus was wijd en zijd verbreid en bovendien gefundeerd in een matriarchale samenlevingsvorm, waarbij de hoofdpriesteres van de tempel tegelijk de functie van koningin uitoefende, als heerseres over alle openbare landerijen en goederen en gelden, maar ook over de handelsbetrekkingen, de verdeling van zaaigoed en de taakverdeling voor ambtenaren, boeren, handwerklieden, vissers enz. Bovendien verleende zij, zoals dat ook in Sumerië, Babylon en Egypte en dus ook in Kanaän oorspronkelijk het geval was, het koninklijk ambt, meestal op tijdelijke basis en met beperkte bevoegdheid.
De Levieten weigerden, om religieuze en wereldlijke redenen, Ashtoreth te erkennen en pleegden systematisch haar naam te vervormen of in één adem te noemen met die van haar gemaal (Baäl, wat in feite gewoon heerser betekent). Bij het opstellen van de Bijbelse teksten bouwden ze twijfel over haar sekse als vrouw in en verketterden de Godin tot een baarlijke duivel. Voor sommige auteurs zijn dit aanwijzingen van manipulatie van de Bijbelse geschiedenis en censuurpraktijken door de leiders van het Hebreeuwse volk. Bijbelgeleerden dateren Leviticus en Deuteronomium in 1.000 - 600 v.Chr. (alhoewel deze volgens de legende in de tijd van Mozes zouden zijn neergeschreven).

Ook in de tijd van de profeten werd zij nog in Juda vereerd. Jer. 44:15-19: "Sedert wij opgehouden zijn de koningin des hemels offers te ontsteken…" zou naar deze godin worden verwezen.

In de latere Joodse mythologie wordt "Ashtoreth”, als een (waarschijnlijk vrouwelijke) duivel van lust gezien in het Hebreeuws monotheïsme. Ook de naam Asherah kan met Ashtoreth worden verward, maar is waarschijnlijk een andere godin. In Egypte stond de Kanaänietische Ashtoreth van oudsher bekend als Asit (Ua Zit of Ay Sit, verwant aan Isis).

De Hebreeuwse "Masorah" (schriftnota’s als begeleiding bij het Hebreeuwse Oude Testament, samengesteld van de 7e tot de 10e eeuw na Chr.) geven een uitspraak als ‘Aštoret aan in plaats van het te verwachten ‘Ašteret. Dit zou de bedoeling hebben een kwalijke associatie met boshet te bereiken (wat gruwel betekent), om daarmee de afkeuring over de godin nog meer te bekrachtigen. Naar een meervoudsvorm wordt ook verwezen met ‘Aštarot. (Deze wordt als naam voor een demon aangewend, zoals ook Astaroth).

In de verjoodste Christelijke demonologie is Ashtoreth met vrijdag verbonden, maar eveneens gedemoniseerd. Ze wordt er voorgesteld als een jonge vrouw met koehoorns op het hoofd (en soms ook een koeienstaart). De hoorns zijn inderdaad impliciete verwijzingen naar oude attributen die bij de Moedergodincultus behoorden, namelijk als symbolen van vruchtbaarheid en liefde, zoals men die ook bij sommige Egyptische godinnenbeelden aantreft.

De cultus van Ashtoreth in het oude heiligdom van Aphaca kwam definitief ten einde ca. 310 na Chr. en werd in heel Kanaän onderdrukt, door een verordening van Keizer Constantijn de Grote die zich tot het Christendom had bekeerd.

* Verdere associaties:

Een belangrijke cultusplaats van Ashtart was Sheba, Mahram Bilqis (tempel van Bilqis). Deze liep van de 10e eeuw v.Chr. tot 550 v.Chr. De cultus was gebaseerd op astronomische kennis met de koningin als belangrijkste astronoom en astroloog, en als middelpunt van het religieus leven.
Er is redelijke grond om aan te nemen dat de Griekse godin Aphrodite (vooral Aphrodite Erycina) slechts een andere naam is voor Astarte. Herodotus schreef dat de cultus van Aphrodite zijn oorsprong vond in Fenicië. Hij beschreef ook de grootste tempel ter wereld van Aphrodite die in een van de Fenicische steden was gelegen.

Verband met de planeet Venus is eveneens in overeenstemming met de Aphroditecultus, die blijkbaar van de Mesopotamische godin Ishtar stamt.
Het offeren van duiven is daar ook mee verbonden.

In een Wiccalied tenslotte wordt Astarte’s naam als
tweede in de rij geciteerd:

"Isis, Astarte, Diana, Hecate, Demeter, Kali, Inanna".



~ JHWH (Jahweh):

JHWH in het Hebreeuws.
De Hebreeuwse lettercombinatie (zie hieronder) (jod-hee-vav-hee (JHWH of JHVH)) is in de Hebreeuwse Bijbel de Naam van God. Deze lettercombinatie wordt ook wel tetragrammaton genoemd: tetaµµat - wat Grieks is voor 'vier letters'.

Yahweh (Jahweh > ex-El ~ ex-Baäl)

JHWH (YHWH) - Naam van God

* In het jodendom:

Joden spreken de naam JHWH nooit uit, uit respect voor de heiligheid van God en omdat de juiste uitspraak onbekend is; zie uitleg verderop. In plaats daarvan worden de volgende titels voor God gehanteerd:

° El(i) - de eerst-bekende naam.
° Elohim of in dagelijks gebruik Elokiem.
° Baäl - tweede gebruikte naam. Kanaänitisch en Fenicisch woord voor Heer.

° Adonai - mijn Heer; deze wordt gehanteerd bij plechtige voorlezingen (in gebeden etc).
° Hakadosj Baroech Hoe - De Heilige, Gezegend is Hij (in religieus-orthodoxe kringen).
° Hasjeem - de Naam; meest gebruikte versie in dagelijks, niet-plechtig gebruik.
° Adosjem - de rabbijnen zijn echter voor afschaffing van deze versie en geven de voorkeur aan "Hasjem".
° Sjaddaj.
° Adonai Tsevaot - HEER der heerscharen (NBG) - HEER van de hemelse machten (NBV).
° Jah.
° Eljon.
° Sjalom.
° Sjechiena.
° Ehje Asjer Ehje.
° God, net zoals anderen het zeggen.

Religieuze joden schrijven de laatste naam meestal zonder de 'o' omdat ook deze naam, wanneer geschreven, niet uitgewist mag worden. Daarom wordt G-d vaak met een streepje (of, naar het Hebreeuws, met apostrof als G'd) geschreven.

* In het christendom:

Christenen hanteren andere titels dan joden, ook al wordt hiermee dezelfde God bedoeld:

° El(i) - de eerst bekende naam.
° Baäl - tweede bekende naam. Kanaänitisch en Fenicisch woord voor Heer.
° God (algemeen).
° HERE, HEER of HEERE (HEER wordt in de NBV gebruikt).
° De Eeuwige.
° De Heilige Naam (ook wel: nomen sacrum).
° Jahwe of Jahweh (redelijk algemeen).
° Adonai - mijn Heer (niet echt algemeen).
° Elohiem (deze naam werd oorspronkelijk in het Oude Testament gebruikt).
° Aanwezige.
° Enige.
° Levende.
° De Naam.
° Onnoembare.
° De Almachtige.
° Jehova of Jehovah (Onder andere bij Jehova's getuigen).
° Eeuwige Vader.

* Herkomst en mogelijke betekenis:

Het Tetragrammaton in het Oud Hebreeuws (1100 v. Chr. tot AD 300), Aramees (10e eeuw v. Chr. tot 1 v. Chr.) en in modern Hebreeuws.

* De naam YHW:

De naam Yhw ("Yhw in het gebied van de Shasu") duikt voor het eerst op in Transjordanië, vanaf 1400 v.Chr., namelijk in Egyptische teksten van Amenhotep III die verwijzen naar een volk dat daar leefde (ref. Donald B. Redford). Stammen werden wel meer geïdentificeerd aan de hand van de godheid die zij aanhingen. In dit geval zou Yhw duiden op Yaw of Yahu, de naam waarvoor de vroegere El door een stam werd ingeruild. In de aanroeping Hallelu-Yah weerluidt de kreet Ere zij Yah. Veel persoonsnamen van deze stam die eerder el bevatten (Elia, Natanaël), kregen nu ya als suffix. El zou dus de evolutionaire voorloper zijn van Jaweh.

Latere teksten in Ugarit opgegraven komen volgens taalgeleerden qua stijl erg dicht bij die van de Tenach en vermelden El en Baäl ("de Heer") tezamen.
Het vroeg Hebreeuws lijkt bovendien heel erg op het Ugaritisch.
De latere profeten van het Oude Testament verketterden Baäl als een valse god en vijand om zo het verband tussen Baäl en El te ontkennen.

* Het werkwoord HWH:

Qua etymologie houdt de naam waarschijnlijk verband met een oud Hebreeuws werkwoord 'zijn' (HWH); de betekenis is dan: 'hij is' of 'hij zal zijn' (derde persoon mannelijk enkelvoud, onvoltooide tijd). Vormen van dit werkwoord zijn verder betrekkelijk zeldzaam, in tegenstelling tot de (modernere?) stam HJH die hetzelfde betekent maar juist veel voorkomt. JHWH kan ook een verbuiging zijn van de causatieve vorm van HWH, 'hi·wah' (vormen, veroorzaken te zijn); de naam betekent dan 'hij veroorzaakt (zal veroorzaken) te worden'.

In de Thora (Exodus hoofdstuk 3) wordt beschreven dat Mozes aan God vroeg met welke naam Hij aangeduid wilde worden, voor het geval de menigte die naam wilde weten. Opmerkelijk is dat de verbuiging van de eerste stam traditioneel is vertaald met 'Ik zal zijn', en de verbuiging van de tweede stam niet met 'Hij zal zijn' maar met 'HEERE' (JHWH):

En God zei tegen Mozes: "Ik zal zijn die ik was", en Hij zei: "Het volgende zul je zeggen tegen de zonen van Israël: 'Ik zal zijn heeft mij naar jullie gestuurd'" .
En God zei verder tegen Mozes: "Het volgende zul je zeggen tegen de zonen van Israël: 'JHWH, God van jullie vaders, God van Abraham, God van Izaak en God van Jakob, Hij heeft mij naar jullie gestuurd'; dit is Mijn Naam voor eeuwig, en dit is Mijn aandenken voor generatie (en) generatie"!

* Uitspraak:

De juiste uitspraak van JHWH is onderwerp van discussie. Het Hebreeuws werd namelijk zonder klinkers geschreven. Flavius Josephus schreef over de 'vier klinkers' van de Naam, waarvan je de uitspraak zou kunnen reconstrueren door te vergelijken met woorden waarvan de uitspraak bewaard gebleven is, zoals JHWDH (Jehoeda).
JHWH zou dan misschien als 'jehoea' uitgesproken moeten worden.

De Naam mocht slechts eenmaal per jaar worden uitgesproken: door de hogepriester (kohen gadol) in de Joodse Tempel tijdens de offerdienst van Jom Kipoer.
Aangezien die Tempel al bijna 2000 jaar niet meer bestaat en er al even lang geen hogepriester meer is, is de uitspraak van de naam, die van hogepriester op hogepriester werd overgedragen en voor de rest van de joden altijd geheim is geweest, bij de verwoesting van de tweede joodse Tempel verloren gegaan.

Dit verbod op het uitspreken van deze Naam op andere momenten dan tijdens de offerdienst door de hogepriester op Jom Kipoer had te maken met het zware verbod dat de Tora geeft voor het onnodig uitspreken ervan. De rabbijnen beperkten daarom niet alleen het gebruik, maar ook de kennis van de uitspraak ervan tot enkel de hogepriester, die het aan de volgende hogepriester doorgaf. Trouwens, als de naam niet mag worden uitgesproken, spreekt het vanzelf dat buitenstaanders de naam nooit horen.


YHWH (Tetragrammaton)

Het Hebreeuws wordt vanouds alleen met medeklinkers geschreven. In latere tijd werden er klinkertekens toegevoegd als hulp bij de uitspraak. Deze klinkers horen dus niet bij de heilige, oorspronkelijke tekst. Omdat het verboden was de naam 'JHWH' uit te spreken, zei men bij het voorlezen van teksten meestal 'adonai' (Heer) als er 'JHWH' stond. De masoreten hebben daarom bij het overschrijven van teksten van de Tenach de naam 'JHWH' meestal voorzien van de klinkers van 'adonai'. In veel gevallen staat er 'Adonai JHWH' en in die gevallen werden de klinkers van het woord 'elohim' (God) ingevoegd, zodat men de woordcombinatie niet als 'adonai adonai' uitsprak, maar als 'adonai elohim'.

Door de combinatie van de medeklinkers van 'JHWH' met de klinkers van 'adonai' is de naam Jahowah of Jehova(h) ontstaan.

De religieuze groepering Jehova's getuigen heeft zich naar deze uitspraak van JHWH genoemd. Hierdoor wordt de naam Jehovah meestal met de Jehova's getuigen geassocieerd, hoewel reeds ver voor het ontstaan van dit genootschap het woord Jehovah in de Nederlandse en Duitse taal werd gebruikt.

Orthodoxe Joden zullen echter nooit proberen de vierletter-naam uit te spreken. 'God' wordt door de Joden vaak geschreven als 'G'd' of 'G-d', maar dat wordt gewoon als 'God' uitgesproken.

* Gebruik in vertalingen:

In navolging van de joden is in veel Bijbelvertalingen de naam JHWH vervangen door Heer, bedoeld als vertaling van 'Adonai'. Toch kan men aan het lettertype soms nog zien of er oorspronkelijk in het Hebreeuws JHWH of Adonai stond:

 
 

Elohim

Adonai

JHWH

Adonai JHWH

JHWH Elohim

JHWH Sebaoth

Geoorloofde uitspraak

Elohim

Adonai

Adonai Elohim

Adonai Sebaoth

King James

God

the Lord

the LORD

the Lord GOD

the LORD God

the Lord of hosts

Statenvertaling

God

de Heere

de HEERE

de Heere HEERE

de HEERE God

de HEERE der Heirscharen

NBG 1951

God

de Here

de HERE

de Here HERE

de HERE God

de HERE der Heerscharen

NBV 2004

God

de Heer

de HEER

God, de HEER
HEER, mijn God

God, de HEER

de HEER der hemelse machten

Nieuwe-Wereldvertaling

God

de Heer

Jehovah

Soevereine Heer Jehovah

Jehovah God

Jehovah der legerscharen

Het verschil tussen Adonai en JHWH is in veel vertalingen dus zichtbaar (niet hoorbaar) doordat het laatste in KLEINKAPITAAL wordt geschreven. Dat is een iets kleinere hoofdletter dan de gewone hoofdletter.
In de NBV staat zelfs de beginletter van HEER in kleinkapitaal.

De Jehova's getuigen daarentegen gebruiken nog steeds JHWH, en vinden dit zo belangrijk dat zij in hun Bijbelvertaling, de Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift, deze naam zelfs in het in het Grieks geschreven Nieuwe Testament toevoegen, terwijl het tetragrammaton niet voorkomt in de Griekse versies die ten grondslag liggen aan hun vertaling. Omdat er zeer oude afschriften van de Septuaginta, de Joodse vertaling van de
Tenach in de Griekse taal, bestaan waarin JHWH voorkomt, denken zij dat de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun aanhalingen van het Oude Testament dit tetragrammaton hebben overgenomen.


Tetragrammaton.

Ook in nieuwtestamentische citaten uit het Oude Testament (Tenach), waar men de naam van God zonder enig bezwaar correct zou kunnen hebben geciteerd als JHWH, blijkt men in de – Griekstalige – grondtekst toch de voorkeur te hebben gegeven aan het Griekse "S". Hier zou de Septuaginta van invloed kunnen zijn geweest.
Zo wordt de profeet Joël geciteerd (Joël 2 vers 32 in de meeste vertalingen, ofwel Joël 3 vers 5 in de Biblia Hebraica en in de Willibrordvertaling) door de apostel Petrus in Handelingen 2 vers 21 en door de apostel Paulus in Romeinen 10 vers 13 (zie:Paulus (brieven). Opmerkelijk is, dat in beide citaten van Joël de weergave van JHWH als "S" (= HEER) wordt betrokken op de naam SS (= Jesous, Jesus).

~ Huis van David:

Het Huis van David is het Judese koningshuis dat begon met de regering van koning David in de 11e eeuw v.Chr. David en zijn zoon Salomo regeerden over het verenigde koninkrijk van Israël.

Na de burgeroorlog waarbij het koninkrijk van Israël zich afscheidde van Juda waren Davids nakomelingen alleen nog koning van Juda tot de inname van Jeruzalem door Babylon.

In de eeuwen erna verwachtten de profeten iemand uit het huis van David die het koninkrijk weer zou herstellen en de 'heidenen' zou onderwerpen. Dit zou de
Messias zijn. Volgens het Nieuwe Testament behoorde Jezus tot het Huis van David. Tijdens de Joodse oorlog van 66 tot 70 vermoordden de Romeinen iedereen die ze ervan verdachten tot het huis van David te behoren.

* Koning David:

David en Goliath.
David was volgens de Hebreeuwse Bijbel de tweede koning van het Koninkrijk Israël.

* David volgens de Hebreeuwse Bijbel:

Over David's leven valt te lezen in de (Hebreeuwse) Bijbelboeken I Samuël, II Samuël alsmede I Kronieken en de eerste twee hoofdstukken van I Koningen. Hij was de stamvader van het Judese koningshuis, het huis van David, en regeerde van 1010 v.Chr. tot 970 v. Chr. .
Hij was de jongste zoon in een groot gezin en werd in zijn jeugd geacht op de schapen te passen - vanwege het verschijnen van roofdieren geen ongevaarlijke baan, die desondanks in weinig aanzien stond. Onverwachts werd hij gekroond tot de opvolger van de toen heersende koning Saul. Het zou echter nog jaren duren voordat hij de troon besteeg.

Zijn eerste beschreven wapenfeit is het legendarisch vellen van de Filistijnse reus Goliath met een steen uit z'n slinger, een wapen waarmee hij tijdens het hoeden van de schapen ruimschoots had kunnen oefenen. Na de slag bij Kadesh en het effect van de Zeevolken was er een machtsvacuüm in het Midden-Oosten ontstaan, dat David met groot politiek doorzicht invulde door een rijk voor Israël te scheppen in een tijd dat de supermachten Egypte en Mesopotamië rustig waren. Hij regeerde 7,5 jaar vanuit Hebron en stichtte toen zijn hoofdstad in Jeruzalem, vlak op de grens der twee staten. Hij veroverde die stad op de Jebusieten en liet de Ark (die door Saul compleet was genegeerd wegens de smaad van het verlies) er naartoe halen, om zijn verblijf daar te bezegelen. Zo bevestigde hij zijn gezag over het aardse en het hemelse Jeruzalem, wat een zwaarwegend politiek statement was.

Zijn succes in het leger en het feit dat David tot zijn opvolger was gekroond leidde echter tot brandende afgunst van koning Saul.
Een groot deel van zijn jonge jaren was David op de vlucht geweest voor de eerste koning.

David wilde trouwen met Sauls dochter, Mikal. Als bruidsschat eiste Saul, als wraakneming op zijn vijanden, 100 voorhuiden van Filistijnen. David kwijtte zich zich meer dan uitstekend van zijn opdracht: hij doodde 200 Filistijnen en kwam met hun voorhuiden terug naar de koning; dan geeft Saul hem zijn dochter Mikal tot vrouw.

Pas na Sauls dood (waarin David overigens geen aandeel had) kwam David aan de macht, maar alhoewel zijn koningschap stabiliteit en militair succes bracht, kreeg hij het later weer bijzonder moeilijk door het optreden van sommige van zijn (al te ambitieuze) zoons waaronder Absalom. David was een grote liefhebber van vrouwen en hoewel niet expliciet verboden in de Thora wordt polygamie eerder afgeraden dan gestimuleerd.
De reden hiervoor was dat 'veelwijverij' bijna onvermijdelijk tot spanningen, afgunst en intriges tussen de diverse vrouwen en ook tussen hun respectievelijke kinderen lijdt.
Dit bleek ook het geval bij de vele zonen van David te zijn die bijna allemaal verschillende moeders hadden:

° de eerste: Amnon, van Ahinoam, de Jizreëlitische;
° de tweede: Daniel, van Abigaïl, de weduwe van Nabal;
° de derde: Absalom, van Máächa, dochter van de koning van Gesur;
° de vierde: Adonia, van Haggith;
° de vijfde: Sefatja, van Abithal;
° de zesde: Jithream, van zijn huisvrouw Egla;
° daarna volgden: Simea, Sobab, Natan en Salomo, van Bathseba, weduwe van Uria; en daarna Jibchar, Elisama, Elifelet, Noga, Nefeg, Jafia, Eljada en hun zuster Thamar.

Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen van de bijvrouwen.

Zijn zoon, koning Salomo, bouwde uiteindelijk de Tempel van Jeruzalem, iets wat David dolgraag zelf had willen doen, maar wat hij vanwege zijn bloedige veldslagen van God niet mocht.
Deze tempel werd later door de Romeinen verwoest, onder bevel van keizer Nero.

* Psalmen:

Een groot deel van de Psalmen zou door hem zijn geschreven, waarin hij getuigt van zijn vertrouwen op God. Zeer bekend is bijvoorbeeld Psalm 23 (("De Heer(JHWH) is mijn herder")), maar ook bekend zijn onder meer Psalm 103 ("Prijs de Heer, mijn ziel") en Psalm 131 ("Heer, niet trots is mijn hart").

* Beoordeling:

In de Hebreeuwse Bijbel wordt David over het algemeen gezien als een man die 'wandelde met God', hoewel hij ook ernstige fouten beging. Vooral zijn grote verzameling vrouwen en de manier waarop hij bijvoorbeeld Bathseba van haar eigenlijke echtgenoot Uria afhandig maakte (door deze de dood in te sturen) worden sterk veroordeeld, als ook een door hem op touw gezette telling van de bevolking.
Wat in het voordeel van David pleitte, was dat wanneer hij met zijn fouten werd geconfronteerd, hij deze erkende, berouw toonde en God om vergeving vroeg. Dit deed zijn voorganger Saul niet. Daarom toonde God zich ook vergevensgezind en beloofde dat zijn dynastie het koningshuis van de Israëlieten zou blijven (2 Samuël 7:16). Wel zou het zo zijn dat vanwege zijn zonden "...moord en doodslag in je koningshuis om zich heen grijpen, omdat je mij hebt getrotseerd en de vrouw van Uria tot vrouw hebt genomen" (2 Samuël 12:10), oftewel hij zou het nodige te stellen krijgen binnen zijn familie (staat verderop in de Hebreeuwse Bijbel ook zo beschreven).

* Historiciteit:

Archeologische bewijzen voor koning David en zijn wereld zijn er nauwelijks; in feite is er over de periode tussen de zestiende en de achtste eeuw v.Chr., ondanks vele opgravingen en onderzoekingen, maar heel weinig gevonden. De bevolking van de landstreek Judea bestond waarschijnlijk slechts uit enkele duizenden nomadische herders. Steden zijn niet gevonden, wel een twintigtal dorpen. Of er in de tijd van David (dat zou dus de tiende eeuw zijn) een staat in Palestina bestond is omstreden; er zijn zelfs geen potscherven uit deze tijd bekend. Wel bestaan er inscripties uit ongeveer 850 v.Chr. (Tel Dan-stele, Mesa-stele) waarop het heersershuis van Israël als 'Huis van David' omschreven wordt - maar ook deze interpretaties worden aangevochten.

Sommige historici nemen aan dat koning David als historische figuur zeker heeft bestaan, maar dat (net als bijvoorbeeld bij Koning Arthur) veel van de verhalen over zijn leven eerder tot de mythen behoren, en
niet als harde geschiedschrijving moeten worden beschouwd.

Er zijn in de Bijbel drie versies over de opkomst van David als koning. Volgens sommigen klopt het verhaal van zijn verblijf in Ein Gedi zeker niet: deze nederzetting is pas in de 7e eeuw v.Chr. gesticht. Echter, David hield zich niet op in een nederzetting maar in rotsspleten bij En Gedi, (Hebreeuws - bron van het geitje). Dit "En Gedi" hoeft geen nederzetting te zijn. En Gedi is ook de naam van de oase waarin nederzetting En Gedi ligt. Vandaar ook de naam "Bron van het geitje". Aangezien de bron en oase een stuk ouder zijn dan de latere nederzetting kan het mogelijk zijn dat werd gedoeld op de bron en niet op een toen nog niet bestaande nederzetting.

* David in het christendom:

Voor christenen is David belangrijk omdat hij een verre voorvader van Jozef van Nazareth zou zijn, de stiefvader van Jezus. Verschillende profetieën in het Oude Testament voorspelden dat de beloofde Messias een afstammeling van koning David zou zijn. In het Nieuwe Testament in het Evangelie naar Matteüs hoofdstuk 1 wordt de stamboom van koning David naar Jozef uitgewerkt. Maar ook de moeder van Jezus, Maria, zou volgens het geslachtsregister een nakomeling van David zijn (evangelie naar Lucas hoofdstuk 3). Hierdoor draagt Jezus mede de titel "Zoon van David" en krijgt de koninklijke dynastie van David een eeuwigheidsdimensie.

* David in de Koran:

In de Koran heet David Dawud. In de islam wordt David als een van de profeten van de islam beschouwd en als boodschapper van de Zaboer. Ook het gevecht tegen de reus Goliath (Djalut) is in Soera De Koe 251 terug te vinden.
David zou de funderingen voor de Rotskoepel in Jeruzalem hebben gelegd.

* Spreekwoordelijk:

"David tegen Goliath" wordt gebruikt wanneer men spreekt van de kleine slimmerd tegenover de domme krachtpatser.

~ Ouroboros:


De naam ouroboros komt uit het Grieks ("ßó") en betekent staart-eter. Het is een symbool uit de alchemie, en een van de oudste mythische symbolen ter wereld. Het komt voor in de Azteekse mythologie, de Chinese mythologie en in, zo goed als, alle andere.

Het is een afbeelding van een slang of een draak die in zijn eigen staart bijt (deze opeet) en op die manier een eeuwige cirkel vormt.

Het symboliseert de cyclische aard van de natuur, het eeuwige terugkeren en de eenheid van alles. In sommige afbeeldingen is de slang half lichtgekleurd (of wit) en half donkergekleurd (of zwart) wat een twee-eenheid voorstelt, zoals Yin & Yang. Maar er zijn talloze vormverschijningen van deze Oerslang. De Noorse mythologie kent ook zo'n slang, hij heet daar Jörmungandr, Jormungand of Midhgardhsormr (Midgaardslang). En het bekende Indase beeld van Shiva Nataraja staat midden in de cirkelvorm van een Ouroboros. Ook Cernunnos heeft de oerslang vast in z'n linker hand.

Draak van jade, Hongshan cultuur uit het neolithicum.

De slang die haar eigen staart opeet kan worden teruggevonden in het Oude Egypte van circa 1600 v.Chr.. Maar de varkensdraak van de Hongshan cultuur uit 4700-2200 v.Chr. in China is ouder. (Zhulong, in het Chinees en Pig dragon in het Engels). Ze zijn uit jade en hebben mogelijk hun weg gevonden via de aloude zijderoutes. Uit het Oude Egypte werd het symbool overgeleverd aan de Feniciërs en dan aan de Griekse filosofen, die er de naam Ouroborus ("zelfverslinder") aan gaven.

Ouroboros komt als symbool ook voor in het vroege fantasyboek De Worm Ouroboros (boek) door E.R.(Eric Rucker) Eddison en in de Amerikaanse televisieserie Millennium. Het is ook een belangrijk element in 'Het oneindige verhaal' van Michael Ende, al is het daar niet één slang die zich in zijn eigen staart bijt, maar is het een tweetal slangen, die elkaar in de staart bijten.

~ Oerslang:
Tiamat bevochten door Marduk (Babylonisch zegelafdruk), uit de Mesopotamische mythologie.

De Oerslang is een begrip dat in talloze mythologieën terugkeert in licht gevarieerde vorm al naargelang de plaatselijke cultuur.

Het betreft telkens een (bijna) oppermachtig oerwezen dat zich in de oeroceaan ophoudt.
De Oerslang is doorgaans een symbool voor oorspronkelijke levenskracht, vruchtbaarheid, beweeglijkheid, regeneratie. Zij wordt als dusdanig als vrouwelijk aanzien en is aanvankelijk dan ook sterk verbonden met de
Moedergodincultus. Later wordt zij wegens haar belang als concept ook in andere cultussen overgenomen, zij het vaak in negatieve termen.
De slang neemt in mythen in het algemeen deze symbolische betekenis aan, omdat zij in staat blijkt zichzelf te regenereren en het vervellen wordt beschouwd als een wederopstanding uit de dood. Gezien haar respectabele leeftijd als oudste wezen in de kosmos wordt ook grote wijsheid met de Oerslang of 'Kosmische slang' geassocieerd. Zij vertegenwoordigt vrijwel alle kennis die de natuur zich doorheen haar ontelbare jaren heeft eigen gemaakt.

In vrijwel alle mythologieën vergaat het deze slang niet zo best. Zij wordt al snel tot afschuwelijke draak gedemoniseerd die dan door later ontstane godheden wordt bestreden en bedwongen. Meestal staat de Oerslang ook voor het vrouwelijke aspect van de natuur en vertegenwoordigen deze 'strijders' godheden eerder een patriarchaal mannelijk aspect.
In sommige mythologieën verraadt de mythe ook herinneringen aan een onderliggende of zelfs uitgebroken strijd om de macht in de samenleving tussen aanhangers van het 'oude' en van het 'nieuwe' geloof met bijhorende gebruiken en visie op de sociale orde.

* Voorbeelden van verzinnebeelding van de Oerslang:

° Naga, goddelijke Ka of Adi Sesha in Indiase mythologieën.
° Naunet in de Egyptische mythologie, later Apepi.
° Nammu in de Sumerische mythologie.
° Tiamat in de Mesopotamische mythologie.
° Lahmu en Lahamu in de Akkadisch Babylonische mythologie.
° Slangengodin in de Minoïsche mythologie.
° Ouroboros in de oude Griekse mythologie.
° Illuyankas in de Hettitische mythologie.
° Perzische draak Azhi Dahaka (Grote Slang in het
Oud-Iraans) in de Perzische mythologie.
° Leviathan in de Hebreeuwse mythologie.
° Midgaardslang in de Noordse mythologie.
° Ladon in de latere Griekse mythologie.
° Quetzalcoatl in de Azteekse mythologie.
° Gucumatz - 'Gevederde Slang' in de Mayamythologie, scheppergod (Popol Vuh).
° Regenboogslang in West-Afrika en bij de Aboriginals.
° Aido-Hwedo in de West-Aftrikaanse mythologie.
° Chinese draak in de Chinese mythologie en folkore.
° Nidhogg in de Noordse mythologie.
° Kur in de Akkadische mythologie.

~ Slangencultus:
De slangencultus vormt niet alleen een verspreide cultus op zich die met voorouderverering heeft te maken, maar is ook vaak onderdeel van een moedergodincultus. Zij spelen vanouds een rol bij orakels. De slang wordt gezien als incarnatie van levenskracht, genezing en voortplantingsvermogen, van wijsheid en van de natuur zelf, die gesymboliseerd wordt in de mythische Oerslang.

* Huiscultus:

Doordat de slang haar oude huid achterlaat is zij symbool voor wedergeboorte en onsterfelijkheid. Als huisslang kon zij de zegen van de zielen van voorouders vertegenwoordigen. Die werden ook via de slang als huisorakel geraadpleegd voor raad. In tal van sagen komen gekroonde slangen voor, die met melk gevoed worden en een rol spelen bij het geloof aan genezing en wedergeboorte en die de mens al dan niet wijze raad influisteren. De slangen werden gehouden in aarden potten met deksel, slangenkokers genaamd.
Archeologen hebben er talloze opgegraven in het Midden-Oosten.

* Tempelcultus:

De cultus van de slang gaat terug tot een heel ver verleden in het Neolithicum of nog verder, waar de Oerslang het opperwezen vertegenwoordigde waaruit de hele kosmos ontstond. Dit opperwezen werd uiteraard aanvankelijk als vrouwelijk gezien en het oerwater als haar vruchtwater. Vanwege haar generatievermogen en haar levendigheid was de symbolische associatie met de slang voor de hand liggend in landen waar deze dieren veelvuldig aan de oevers van zwellende rivieren voor komen, die tegelijk voor de vruchtbaarheid van het land zorgen. Het alledaags leven in het land en zijn hele organisatie was op de gunst van vruchtbaarheid brengend rivierwater gesteund.

De talloze slangen die bij het wassen van de rivier prolifereerden werden als afstammelingen van de Oerslang aanzien, die in feite de hele evolutiestamboom had voortgebracht. De associatie tussen slang en levensboom werd dan ook al heel vroeg gemaakt en heiligdommen werden gelokaliseerd op hoogten waar zich een vruchtbare boom bevond. Aanvankelijk waren het cultusplaatsen in riet of hout, later werd dit materiaal door leem of steen vervangen.

Deze tempels kregen ook altijd een vruchtdragende boom vlakbij, of zelfs een hele boomgaard, en hadden hun eigen slangen. De slangen werden gebruikt bij grotere en kleinere orakels (zoals oorspronkelijk in Delphi) en hun gif werd, eventueel gemengd met organische stoffen, in zekere dosissen als medicijn aangeboden. Sommigen beschouwden een mengsel van slangengif en bloed als een levenselixir.
Zo ontstond de esculaapslang, gewijd aan Asclepius, de god van de geneeskunde. De tempels hadden ook een functie als regeneratie- en genezingsplaats. Maar hun voornaamste functie was een huis op aarde te zijn voor de godin. Daar konden rituelen gehouden worden om de godin te danken, gunstig te stemmen en raad te vragen.

* Slangencultus overal ter wereld:

 

Algemeen bekend is de Ouroboros, die hoort bij het element water, de slang die in haar eigen staart bijt.
Oudere mythologieën kennen ook een duister positief aspect van de slang, die in relatie staat met Moeder aarde en de onderwereld.

Mami Wata, speelt een belangrijke rol in verschillende Afrikaanse en Afrikaans-Amerikaanse religies.

In het christendom wordt de slang in verband gebracht met het kwade (de duivel).
Denk hierbij aan de mythe van Adam en Eva.

In het Westers paganisme houdt Cernunnos de oerslang vast in z'n linker hand.

* India:

In het Oude India bestond de slangencultus al en is er voortgezet tot op vandaag. Toen Anawrahta als eerste koning regeerde verdreef hij, na te zijn bekeerd tot het boeddhisme, de priesters die de slangencultus aanhingen.

* Egypte:

Zowel de oude Egyptenaren als de Babyloniërs kenden een slangencultus.
In Egypte was er niet alleen de Cobragodin, maar ook het Uraeussymbool dat ervan werd afgeleid. Dit symbool sierde de hoofden van goden en farao's en zou naar de oorspronkelijke regeneratiekracht van de godin verwijzen.

* Mesopotamië:

Volgens archeoloog Stephen Langdon, die een aantal van de vroegste opgravingen van Sumerië leidde, was Inanna aanvankelijk bekend als Ininni en zeer nauw met de slangencultus verbonden. Zij werd "De Goddelijke Moeder die de Wetten uitvaardigt" genoemd. Ninna was mogelijk een vroegere vorm van de naam van Inanna en was volgens hem in de oudste Sumerische perioden een slangengodin. Verschillende beelden opgegraven in Sumerië en daterend van circa 4000 v.Chr. geven een vrouwenfiguur met een slangenhoofd weer.

* Elam:

Dr. Walther Hintz verwijst naar een streek nabij Elam en zegt dat daar in de vroegste tijden de Godin het oppergezag had: "Deel van dit eigenste (in Elam) bestaat uit een ongewone verering en respect voor het eeuwig vrouwelijke en de verering van slangen, die haar wortels in de magie heeft". Ook de versiering van het aardewerk van het vierde en het derde millennium v.Chr. krioelt volgens hem van de slangen.

* Kreta:

Op Minoïsch Kreta werd de slangengodin gevonden. Paradoxaal genoeg komen op Kreta weinig slangen voor, zodat de slangencultus daar waarschijnlijk niet inheems was, maar ingevoerd van elders. De nadrukkelijk kegelvormige bouw, de grote ogen en zware, gewelfde wenkbrauwen doen denken aan een mogelijke verwantschap - ver en indirect, misschien via Klein-Azië - met de Mesopotamische kunst.

Onbewust is met de Ionische zuilen het spiraalmotief wereldberoemd geworden, dat is ontstaan op Kreta als weerslag van de vrouwelijke slangencultus.

* Filistijnen:

Slangencultus voorwerpen uit meerdere plaatsen in de Levant worden aan de Filistijnen toegeschreven. In de tempels van Beet She'an zijn diverse cilindervormige cultusstandaarden gevonden, versierd met slangen, en men vond er ook slangenkokers in de tempelruïne van de godin.

* Feniciërs en Hebreeën:

Aan de Fenicische god-slang-genezer Eschmun, die te vergelijken is met Asclepius, was in Obot een heiligdom gewijd. In de onmiddellijke omgeving bevonden zich de kopermijnen van Punon. De koperen slang van Mozes, die 700 jaar later door David in de tempel werd geplaatst, zou haar oorsprong gevonden hebben in het gebied, waar zich zowel een koperindustrie als de slangencultus van Eschmun bevonden. Sir William Flinders Petrie schreef over vermoedelijke orakels in de omheinde ruimten van het Serabit complex, gelegen op het schiereiland Sinaï, tussen het Oude Egypte en Kanaän, waar ook de lapis lazuli werd gewonnen en waar een tempel voor Hathor was gebouwd. De Bijbel onthult een relatie met de moedergodincultus aangezien deze slang bewaard werd in dezelfde tempel waar in 700 v.Chr. ook de offerschalen voor Ashtoreth en Baäl te vinden waren, de Asherah, het huis van de heilige vrouwen en de vrouwen die Tammuz beweenden.

Koning Hizkia verbrijzelde Mozes’ exemplaar omdat zijn onderdanen nog steeds door de Midianitische slangencultus werden beïnvloed.

Tot de inname van Jeruzalem door David, vierden de Jebusieten hun Kanaänitische slangencultus.

* Rome:

In het Romeinse rijk zien we een slangencultus in de stad Pella, waar duizenden mensen op af komen voor genezing en/of toekomstvoorspelling.

* Amerika:

 

 

De slangencultus is ook zeer oud in Meso-Amerika. Er zijn voorstellingen van slangen met vogeleigenschappen zo oud als het Olmeekse preklassieke tijdperk.

De slang komt ook bij de Azteken, Tolteken en Maya’s terug; hun ondergang werd ingeluid met de dood van de slangenvrouw. En dan is er het welbekende beeld van de gevleugelde slang, als archetype, de relatie tussen vuurceremonie en een wedergeboorte, het begin van een nieuw tijdperk.

* Cihuacoatl:

Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe en Tonantzin worden in verband gebracht met slangen.


Cihuacoatl was een Azteekse vruchtbaarheidsgodin. Ciahuacoatl betekent Slangevrouw in het Nahuatl.
Samen met
Quetzalcoatl zou ze de huidige mensheid hebben geschapen, door botten van mensen uit vorige tijdperken te vermengen met bloed. Cihuacoatl werd geassocieerd met het baren van kinderen en werd vaak afgebeeld met speren en een schild. De Azteken vergeleken het baren van kinderen met het voeren van oorlog en vrouwen die bij het baren van kinderen overleden gingen dan ook naar dezelfde hemel als waar krijgers die op het slagveld overleden naartoe gingen. Cihuacoatl was de leidster van de cihuateteo, de geesten van vrouwen die in het kraambed zijn gestorven.

Cihuacoatl werd gezien als de moeder van Mixcoatl, die zij op een kruispunt achterliet. Zij keerde daar regelmatig terug om haar zoon te betreuren, maar trof slechts een offermes aan. Mogelijk is dit de oorsprong van de legendes rond La Llorona.



Cernunnos met torque en slang.


Bron: Wikipedia





 


Bezoekersteller