











|

  
  
Het Godsbeeld door de eeuwen heen.
(Een 'Kracht' achter 'De Nachtuil' en het
'Paganisme'!
Wat is religie?
Bovenstaand overzicht geeft aan dat een perfecte definitie van
religie niet mogelijk is. Religie zal voor iedereen wat anders
betekenen. Voor de christen is het de weg naar het koninkrijk Gods,
voor de boeddhist een manier om goed te leven en het
Nirwana te bereiken, de
atheïst ziet in religie niets meer
dan een georganiseerd bijgeloof en voor de filosoof is religie een
vorm van zingeving aan het leven. De fenomenologische definitie
wordt tegenwoordig door de meeste godsdienstwetenschappers als de
bruikbaarste ervaren. Deze benadering heeft als minpunt dat het de
fundamentele zijnsvragen ontwijkt of
ontologie vervangt door
fenomenologie.
Het bestaan van goden is nooit op wetenschappelijke wijze
vastgesteld en wordt derhalve door de huidige wetenschap niet
erkend. Goden worden veeleer beschouwd als eeuwenoude
verklaringspogingen voor bepaalde menselijke noden, behoeften,
onbehagen of welzijn. Het zijn eerder symbolische
voorstellingsvormen die door eeuwen van religieuze traditie en
overlevering tot op heden in stand gebleven zijn binnen religies of
godsdiensten.
Het westerse godsbeeld heeft
door de eeuwen heen vele veranderingen moeten doorstaan.
Hierdoor ontstond er rondom dat godsbeeld dan ook hoe langer hoe
meer leugenachtigheid en huichelarij, ter vereniging met het
vernieuwde of nieuwe godsbeeld.
Het godsbeeld, of de god erachter is, op zich, een goed ding, totdat
de mens het begint te gebruiken in zijn eigen voordeel naar "macht"
toe. DAN wordt het een gevaarlijk en meestal dodelijk
weerzienwekkend werktuig! ('Godsdienst' of 'religie' noemen ze dat).
Laten we niet vergeten, dat aan iedere grote religie geen god maar
een godin aan de leiding stond(staat)!!! (Normaal, daarom is alle
andere larie en mannelijke machtswellust). Dit wordt dagelijks
opnieuw en opnieuw bevestigd en bewezen.
In deze pagina gaan we het Godsbeeld wat nauwer onder de loep nemen.
Voor deze beschouwing gebruiken we teksten uit
Wikipedia, de on-line encyclopedie.
Daaruit stellen we de teksten samen op volgorde, zodat het vlotter
wordt samengevat.
We kunnen hier niet alles samenvatten, maar daarvoor zijn dan weer
genoeg andere wegen en mogelijkheden voor handen om het verder te
ontdekken.
Lees vooral ook de teksten achter de
linken!
De
mythologie van ons huidig godsbeeld en evenzo de mythologie van
Allah is ontstaan uit een "destijds kleine
sekte" die zich
"christenen" noemen. Deze kleine
sekte is op één of andere manier
uitgegroeid tot een wereldgodsdienst, evenals de
islam.
De rest van deze evolutie(s) is geschiedenis, verweven met fantasie,
brutaliteit en
machtswellust.
Ons godsbeeld van vandaag is evenzo gebaseerd op "inbeelding" en
"verheerlijking".
(Valse
weerspiegeling van ALLES).
Aan de oorsprong lag de "Moedergodin", moeder van alle goden,
behalve bij de Vikingen en de Germanen (Odin - Wodan - Wotan), of
... misschien toch wél ...???
Ook in de Hebreeuwse godsdienst werd gespiegeld overgeschakeld naar
een mannelijk beeld (El).
Het huidig beeld van het christendom is een mengeling van meerdere
godsdiensten, die
gekerstend werden in het voordeel- en naar de hand
van het christendom zelf.
Hetzelfde gebeurde bij
de Islam (600 jaren NA onze
jaartelling). (7e Eeuw).
* Alomtegenwoordigheid:
Alomtegenwoordigheid is de eigenschap om overal tegelijkertijd
aanwezig te zijn. In bepaalde religies en filosofische systemen
wordt deze eigenschap toegeschreven aan God. Een alomtegenwoordig
wezen heeft (in potentie) kennis van alle veranderingen in het
universum en is volgens sommige religies ook bij machte in te
grijpen in de loop der gebeurtenissen of zichzelf op meerdere
plaatsen tegelijk te manifesteren.
* Alwetendheid:
Alwetendheid is de eigenschap van een kennend subject dat alle
mogelijke kennis bezit.
God wordt in veel religies en filosofische systemen geacht alwetend
te zijn.
Vanouds streven de
wijsbegeerte en in het bijzonder de
metafysica
naar een zienswijze die alle kennis insluit. Volgens
Aristoteles
verlangt de metafysicus naar kennis van het zijnde qua zijnde, in
plaats van bijvoorbeeld 'slechts' het zijnde qua telbaarheid
(wiskunde) of het zijnde qua beweging (natuurkunde).
Sommige wetenschappers en filosofen zijn sceptisch over de
bereikbaarheid van dit ideaal. Anderen zijn optimistischer over de
vermogens van de mens, bijvoorbeeld de
Verlichtingsfilosofen
Denis Diderot en
Jean Le Rond d'Alembert, auteurs van de beroemde
Encyclopédie.
* Almacht:
macht.jpg)
Almacht is onbeperkte macht over alles en iedereen.
*
Het begrip kan in verschillende contexten een andere betekenis
hebben:
°
Politieke macht: het
beschikken over machtige wapen(s) of het bezit van een
machtsmonopolie, waarbij er geen andere machten zijn die een
bedreiging vormen.
°
Goddelijke almacht: de grenzeloze macht van een god of meerdere
goden EN de mensen dwingen om erin te geloven.
OF! De grenzeloze macht van de GODIN erkennen en de mensen
DE KEUZE LATEN om erin te geloven of niet. (Neo Paganisme)!
(Wicca).
°
Individuele superioriteit: het bezit van superkrachten.
*
Deze "almacht" wordt nog steeds door de mens misbruikt naar eigen
profijt en macht!
* Volmaaktheid:
Volmaaktheid of perfectie is een filosofisch concept, dat betekent
dat een bepaald wezen een bepaalde eigenschap in de hoogste mate
bezit, of dat een bepaald wezen alle eigenschappen bezit. Ook kan
het betekenen, dat een bepaald wezen alle bestaande eigenschappen in
de hoogste mate bezit.
Dit concept wordt vaak gebruikt in filosofische of
theologische
contexten.
God is volgens sommige filosofen en theologen bijvoorbeeld een
volmaakt
wezen, maar geen enkel
wezen is God en geen enkel
wezen is volmaakt!
IEDER 'wezen'
is een VERSLINDEND iets!
* JA! JIJ OOK!!!
Anselmus van Canterbury betoogde dat God van alle goede
eigenschappen de volmaakte vorm heeft.
Zijn definitie van God was:
'datgene dan wat zich niets hogers denken laat', in het Latijn: 'id
quo maius nihil cogitari potest', vaak afgekort als IQM. Uit zijn
definitie leidde Anselmus hij zijn Godsbewijs af: als God 'datgene
dan wat zich niets hogers denken laat' is, dan is de hoogst denkbare
vorm 'datgene dat werkelijk bestaat en dan wat zich niets hogers
denken laat'. (De
NATUUR dus)!
Dit godsbewijs werd door de filosoof
Immanuel Kant weerlegd, die
stelde dat
existentie geen eigenschap is.
EN ... een mannelijke god
alleen, kan geen leven baren, maar enkel de dood ontvangen.
Voor
Baruch Despinoza is volmaaktheid hetzelfde als werkelijkheid.
Dat wat volmaakt is, heeft immers alle bestaande eigenschappen en
voor
Spinoza bestaat er niets buiten de Natuur, wat hetzelfde is als
God. Omdat alle bestaande eigenschappen daarom noodzakelijkerwijs in
de Natuur inhereren, is zij volmaakt. (De
NATUUR dus)!
De gangbare betekenis die aan het begrip "volmaaktheid" werd
gegeven, verwierp hij als een irrationeel geloof dat slechts gegrond
is in de idee van een ideaaltype dat wij verbinden met een bestaand
object. Zo noemen wij object X1 "volmaakter dan" object X2, omdat X1
meer overeenkomt met de abstracte voorstelling die wij van een type
X hebben.
Een nomade zal daarom bijvoorbeeld een tent volmaakt
vinden, terwijl een romein een paleis perfect vindt. Dit zegt echter
niets over het werkelijke ding, maar slechts over hun fictieve
voorstellingen van
http://nl.wikipedia.org/wiki/Intelligentieeen type ("onderkomen", "gebouw").
ANTI
NATUUR dus, al heeft de mens dat
nodig om te kunnen overwinteren en veilig te kunnen slapen!
Het oer-godsbeeld is
ontstaan en ontworpen met en uit de vruchtbare natuur, de enige
plek waar het ook thuis hoort.
° Vrouwelijk = baren.
° Mannelijk = bevruchten.
Het ene kan nooit zonder het andere bestaan, tenzij bij
tweeslachtigheid.
Bij
tweeslachtigheid slaat het dan onvermijdelijk terug op de
Moedergodin.
Een VROUW kan baren, een MAN kan enkel BEVRUCHTEN!!!
Een VROUW kan vernietigen! Een MAN kan dat OOK!
Een VROUW kan HERSCHEPPEN!
Een MAN kan dat NIET BLIJVEND zonder VROUW!!!
° Wat dan met homosexualiteit?
De 'homoseksuele'
aard, van mens en andere dieren, is door MOEDER NATUUR geoorloofd
voor het tegengaan van OVERBEVOLKING, in een NATUURLIJKE WEG!!!
Homoseksualiteit bestaat zowel bij mens als bij dier. Daardoor
verklaart het zich als 'natuurlijk', zoniet had Moeder Natuur
dat nooit gecreëerd of toegestaan.
Kan een God dan homo of bisexueel zijn?
Nu, Zeus heeft een minnaar ...
Moeder van alle goden,
Goddelijke Moeder of Moeder Gods is een gepersonifieerd concept
waarmee in
archaïsche
mythologieën het principe van het allerhoogst
genererend vermogen dat zich in de natuur en in de
kosmos laat
gelden werd aangegeven.
Een gevestigd begrip, dat al onze huidige 'mannelijke' religies de
das omdoet!
Natuurkrachten en wetmatigheden werden als werkende principes
gepersonifieerd in goden, verantwoordelijk voor het ontstaan en
vergaan der dingen. Met het concept moeder van alle goden werd het
ontstaan van de goden zelf toegelicht. Het stamt uit
neolithische
tijden, toen de samenleving
matriarchaal georganiseerd was rond een
stammoeder, maar heeft uiteraard pas zin zodra
polytheïsme is
ontstaan.
Het houdt een reflex naar een
monotheïserende verklaring in.
In de loop van de geschiedenis heeft het concept zich gehandhaafd,
ook waar zich een
patriarchaal monotheïsme ontwikkelde. Het is dan
geformuleerd als ‘Moeder Gods’. Plaatselijk en in de tijd was dit
bijgevolg het
epitheton van verschillende, vaak opeenvolgende,
Moedergodinnen.
De
NATUUR van de
MAN doet ALLES om dit
WEG TE WERKEN!
Alleen, de
MAN wil "HET"
zijn, terwijl de
VROUW alles
was -
IS - EN BLIJFT!
Henotheïsme is
hier dan weer de beste oplossing. (Amen).
De Keltische
Tuatha Dé Danann is hier een mooi
voorbeeld van.
Ook
Atheïsme kent tegenwoordig een
grote opgang door de
Wetenschap.
~ Indisch Subcontinent:
Agni
is de eerste godheid die voortkomt uit de Moedergodin
Aditi in de
Veda. Haar geheime naam betekent 'eerste', zij wordt moeder van de
goden genoemd.
Agni is een
hindoeïstische
god, het is één van de
belangrijkste goden in de
Rig Veda. Het woord agni is
Sanskriet voor vuur, wat erg lijkt
op het Latijnse woord ignis.
In het
hindoeïsme is Agni een
deva. Hij is
Indra's tweelingbroer, en is dus
een zoon van Dyaus Pita en Prthivi. In andere versies is hij een
zoon van
Kasyapa en
Aditi of van een koningin die haar
zwangerschap geheim hield voor haar man. Hij wordt ook gezien als
zoon van hemel en aarde en zou uit de zon of bliksem zijn ontstaan.
Agni wordt afgebeeld als rode god met twee of drie hoofden, diverse
armen, een baard en vlammen als kleding. Hij rijdt in een wagen
getrokken door paarden, maar soms berijdt hij een ram of bok.
Bij
de hindoes wordt, als zij thuis een kerkdienst hebben, alles in het
vuur geofferd waarna aan Agni wordt gevraagd of hij al dat
offerspijs naar de goden kan brengen, hij is dus ook een soort
bezorger aan de goden van de mensen. Agni is naast beschermgod van
het offervuur ook beschermgod van het haardvuur. Agni verschijnt als
bliksem en is zowel wreed als vriendelijk. Hij verdreef de
duisternis, verslond na zijn geboorte zijn ouders en verteert doden
op de brandstapel. Het is een beschermgod van de wereld, kan
onsterfelijkheid schenken en mensen zondevrij maken na hun dood.
Agni zorgde voor
Hanuman toen diens staart in brand
werd gestoken door
Ravana, de koning van Lanka (Ceylon
/
Sri Lanka).
* In een
Tantrisch geschrift (Mahakalasamhita) luidt het:
° Zoals de Zon, die zich
in een vijver weerspiegelt, zich als ontelbare zonnen voor doet,
zo verschijnt ook gij, O Moeder, als vele - Gij Ene zonder
Tweede, Hoogste
Brahman!
De hele wereld die we om ons
heen zien is het spel van Maya, de Illusie, de versluierende kracht
van de Goddelijke Moeder. God is noch goed, noch slecht, ... .
De Todas in Zuid-India offeren nog steeds een kalf aan de
'Koemoeder' die de wereld voorstelt. Ze uiten daarbij een gebed
waarin het woord Ninkurshag voor komt. Volgens hen is de betekenis
ervan onbekend maar is het een heilig woord. Er lijkt echter
overeenkomst te zijn met de
Soemerische godin
Ninhursag, mogelijk
door contacten via het eiland
Dilmun in de tijd van de
Indusbeschaving.
~ Het Oude
Egypte:

In het Oude Egypte lijken er zo
goed als geen aanwijzingen overgebleven dat ooit een godin aan de
oorsprong van alle goden zou hebben gelegen. Zelfs
Maät, een van de
oudste en meest principiële concepten op dat vlak, werd in de latere
mythologische versies tot 'dochter' van de al-overheersende zonnegod
Ra gemaakt. Ook
Satet uit het zuidelijke
Elephantine, die als de
bron van de Nijl, en daarom overdrachtelijk van alle leven (dus
logischerwijze ook dat van de goden) werd beschouwd, is ooit aan Ra
ondergeschikt gemaakt. Hetzelfde lot lijkt systematisch alle
potentiële of vroegere moedergodinnen beschoren te zijn geweest.
Maar Afrikaanse Pigmeeën hebben de originele herinnering aan Maät
bewaard onder de naam die zij ook in Soemerië droeg als baarmoeder
en onderwereld: "Matu".
Zij was de eerste moeder van God. Zoals haar
Egyptische 'zuster' had ze soms symbolisch een kattenhoofd (symbool
van lieflijke vruchtbaarheid).
Ook
Moet is een godin in de Egyptische mythologie die de grote
moeder en koningin van de goden verpersoonlijkte (Amon was koning
der goden). Haar beginselen en haar ontstaan zijn nog erg duister
omdat er geen teksten over haar gaan die dateren van voor het
Middenrijk.
Nennoe was één van de acht goden die volgens de priesters van
Hermopolis de oudste van Egypte waren, zij waren de vaders en
moeders van de Zon.
Met deze stelling kwamen zij evenwel in
aanvaring met de school van
Heliopolis.
Ook de vele duizenden jaren lang populaire godin
Isis droeg naast
epitheta als de Betoverende en Moeder van de zon dat van Moeder van
god. Zij baarde tenslotte in een eeuwige cyclus
Horus, die de
gestorven
Osiris was. Een oude vorm van Isis' naam was
Asjesj,
verwant aan het
Soemerische of
Kanaänitsche
Asherah (wat levensboom of
evolutieboom betekent).
~ Kanaän:
In het
Oude
Kanaän was
Asherah tegelijk de benaming voor de levensboom of
evolutiestamboom en voor de godin die deze personifieerde. Haar
epitheta waren "De Vrouw die de Zee doorkruist" en "De Moeder van de
Goden". Zij werd voorgesteld als een boom bij het altaar, of
alleenstaande zuil of paal, als aanwijzing voor de moedergodincultus
die in Kanaän veelvuldig floreerde voor de komst van de
Hebreeën en
nog tot lang daarna. De belangrijkste joodse bijbelcommentator,
Rasjie, legt uit dat 'Asheirim' (meervoud van 'Asherah') verwijst
naar "bomen die aanbeden worden door de Kanaänieten".
~ Mesopotamië:
Nammu
was in
Sumer de naam van de oergodin die beschouwd werd als
schepperes van al de eerste goden.
Ze wordt in een hymne ook aangesproken als "de almoeder van het
sterfelijk leven".
Zoals de Egyptische
Nennoe wordt Nammu de zelfbevruchtende schoot,
de vruchtbaarmakende wateren of de vruchtbare wateren (het kosmisch
'vruchtwater') genoemd, en ook de oermaterie.
Er zijn zeven mindere
godinnen aan haar toegevoegd in het uitoefenen van haar functie.
In een tablet dat de lijst opgeeft van Sumerische godheden werd de godin Nammu geschreven met het ideogram
voor 'zee', en ze werd er beschreven als "de moeder die hemel en
aarde baarde". In
Eridu werd zij beschouwd als het grondwater dat de
wereld schiep. De Sumerische Nammu is identiek aan de Oud Egyptische
en Indiase Ma Nu, dat wil zeggen 'de Diepte' die er was voordat iets
geschapen werd, of die aan het heelal ten grondslag ligt.
In een
Sumerische tekst lezen we: Zij schonk leven aan hemel en aarde.
In sommige Sumerische tabletten wordt de Godin ook "Grote Moederslang van de
Hemel" genoemd, wat overeenstemt met haar vorm als
Tiamat. En
bepaalde beelden uit
Sumer daterend van
4000 v.Chr. tonen de
Godin met een slangenhoofd. Deze naam schijnt uiteindelijk
Sumerisch, waar Ti = Leven en Ama = Moeder, lijkt te suggereren dat
haar oorspronkelijk naam “de moeder van alle leven” betekende.
Ninhursag is een oude godin die de "Grote Mammetun" werd genoemd.
In
een mythe speelt zij een belangrijke rol bij de schepping der
mensheid, in een andere veroorzaakt zij een reeks goddelijke
geboortes in het paradijselijke
Dilmun.
Zij werd in
Soemerië en in India vereerd als moeder van de goden.
Omstreeks
800 v.Chr. stond
Semiramis bekend als koningin, een zeer
mooie vrouw van goddelijke afkomst en vertegenwoordigster van de
godin. Zij werd aanbeden als de "Moeder-der-Goden", "Koningin-der-Hemelen"
en "Godin-der-vestiging".

~Anatolië:
Hepat of Kheba was de
Hurritische pendant van de “moeder van de Goden”
Hannahanna bij de
Hettieten en droeg als epitheton "Koningin der Hemelen". Hepat werd
afgebeeld al zittend op een troon of al staande op een leeuw. Dit
was haar heilig troeteldier. Zij werd later met de Hebreeuwse
naamgenote Havva (aan Eva gelijkgesteld, die ook “de moeder van alle
levenden” wordt genoemd in
Genesis
).
In een latere fase werd zij als echtgenote aan de stormgod
Teshub
toegewezen en onderhield een bijna gelijke status met hem, soms
overheerste ze hem zelfs.
Archeologen hebben op sites, die vermoedelijk heiligdommen vormden,
en in tombes uit
neolithicum en
bronstijd
idolen gevonden die nu
geïdentificeerd worden als de moedergodin, en waarvan men vermoedt
dat ze in relatie stonden met vruchtbaarheidscultussen.
Verbanden
van deze objecten met vergelijkbare vondsten op andere sites (vooral
uit
Anatolië) suggereren dat het om een antieke mediterrane religie
gaat, waarin de godin werd geassocieerd met de stier of ram als
vruchtbaarheidssymbool, een thema dat herhaaldelijk terugkeert in de
regio. Het gaat hier om zogenaamde
Chtonische goden.
* Efeze:
De Vrouwe van Efese (Artemis
van Efeze), Turkije.
Efeze, gesticht in oeroude tijden in een vruchtbare regio van
Lydië, die bovendien toegankelijk
was zowel van uit het oosten als het westen, groeide uit tot een
stad van 300.000 inwoners, gecentreerd rond de tempel van een
moedergodin: "Artemis van Efeze".
* De oude Artemiscultus:
Efeze was vanouds een centrum
voor de verering van de moedergodin Artemis-Diana.
De
Artemistempel,
een van de wereldwonderen uit de oudheid, vormde een centrum en
symbool van hoop voor alle inwoners, van de bescheiden klasse tot de
leidende.
De tempel was ook een wijdvermaard toevluchtsoord
geworden, een traditie die verband hield met de mythe dat de
Amazonen, die volgens de legende de eerste tempel ooit hadden
gesticht, er hun schuilplaats hadden voor
Herakles en ook
Dionysos.
Koningen, keizers, handelaars, militairen, jonggehuwden, gelovigen
van verschillende moedergodincultussen, allen richtten ze zich tot
het orakel in de tempel om antwoord op hun vragen en gebeden.
Tempel en
stad kenden grote rijkdom dankzij de schenkingen van
bezoekers.
De tempel kreeg er de functie van een bank, wissels werden met
verschillende steden uitgeschreven, zoals:
Sardes,
Smyrna,
Milete en
Priëne.

In de Griekse periode won
Efeze
ook aan belang als centrum van de intelligentsia:
* Heraclitus van Efeze,
trad rond
500 v.Chr. in het voetspoor van de Natuurfilosofen uit
het nabijgelegen
Milete, die op zoek gingen naar een meer
wetenschappelijke verklaring voor ontstaan en ontwikkeling van
de
kosmos.
Aspasia van Milete was
volgens antieke schrijvers 'bordeelhoudster', wat hun perceptie van
de
archaïsche dienst van de
godin (inclusief zogenaamde
tempelprostitutie) was. Zij werd minnares van
Perikles en leverde
hem inspiratie voor de
democratie.
Herodotos van
Halicarnassus
onderwees geschiedenis te
Efeze, en
Hecataeus van Milete
aardrijkskunde.
Hippodamus, beroemd architect van
Priëne, een stad
in de buurt, richtte er een school op voor architecten.
Na
de slag bij Salamis werd
Artemisia I, die niet alleen de naam van
de godin droeg, maar haar blijkbaar ook nog vertegenwoordigde zoals
vanouds gebruikelijk was, officieel
gedetacheerd voor
Efeze. Zij
zorgde dat de landen onder haar bestuur, waaronder naast
Halicarnassus ook
Kos,
Nisyros en
Kalynda, door hun verbond met de
Perzen floreerden.
Later zagen de Romeinen het belang
van Efeze ook in als kenniscentrum, en tussen
114 en
125 n. Chr.
werd er in opdracht van
Tiberius Julius Aquila
de Bibliotheek van
Celsus gebouwd. In de nissen in de muren werden ongeveer 12.000
perkamentrollen bewaard.
* Christelijke
cultus:

Efes (Efeze)
Als belangrijk spiritueel, intellectueel en cultureel centrum werd
Efeze vanaf
de Romeinse tijd eveneens bezocht door de exponenten van
het christendom, zoals de heilige
Paulus,
Timoteüs en
Barnabas. Zij
bestempelden de eredienst aan de
godin echter als 'afgoderij'.
Toch
slaagden ze er niet in de
Efeziërs wat dat betreft tot andere
gedachten en rituele praktijken te brengen. De cultus van de
moedergodin was er vanouds te diep geworteld.
Men poogde toen,
aanvankelijk zonder succes, de cultus te substitueren door een
dienst voor de Heilige Maagd Maria. Volgens de legende zou Maria
(moeder van Jezus) zelfs in Efeze zijn begraven. Het 'Huis van de
Heilige Maagd Maria' (Turks: Meryemana) in de buurt van Efeze is
zelfs een bedevaartsoord geworden, waar zowel islamitische als
christelijke gelovigen naartoe worden geleid.
In
431 werd
Efeze gekozen voor een
Concilie over de twistvraag of
Maria Theotokos (Moeder van God) was in spirituele dan wel in
letterlijke betekenis, iets waarover de
Assyrische Kerk dwars lag.
Tijdens dit concilie werd de Kerk van Maria gebouwd om de Efeziërs
een nieuw eigen cultuscentrum te geven. Tegelijk werd ter
bevestiging in Rome door
de Paus de Basiliek van Maria de Meerdere
(Basilica di Santa Maria Maggiore) gebouwd, zodat beide machtscentra
met elkaar waren verbonden.
Pelgrims drinken van de bron bij het Huis van de Heilige Maagd
MariaWant na het
Concilie splitste een deel van de, toen in het
Perzische Rijk bestaande,
Syrische Kerk zich af van het in het
Romeinse Rijk zetelend
patriarchaat van
Antiochië. Zo ontstond de
Oost-Syrische of ‘Nestoriaanse kerk’.
Ook voor een
2e Concilie bleek
Efeze belangrijk genoeg als
wereldcentrum.
Daarbij werd de stad in
449 tot bisschoppelijk
centrum van het christendom uitgeroepen.
Blijkbaar kregen christenen
er desondanks nog lang heel wat tegenwind.
Het
wagenwiel uit Efeze
was een christelijk geheim symbool om
pelgrims naar de juiste
plaatsen te leiden.
* Mithraïsme:

Het ontstaan van het
Mithraïsme gaat terug tot de tijd dat
Arische Hindoes en
Perzen
nog één volk waren. De god Mithra komt in de heilige boeken van
beide volkeren voor.
Later verbreidde de godsdienst zich over
Anatolië
en van daar naar Griekenland en het Romeinse rijk. Volgens de
Perzische mythe werd
Mithras, zoals zij hem noemden, geboren uit de
maagd
Anahita, die dan ook het
epitheton van “Moeder Gods” kreeg.
* De cultus van Cybele:

Cybele als opperste heerseres op de troon.
Cybele werd de Magna
Mater, de "Grote Moeder" genoemd en werd vooral vereerd als
vruchtbaarheidsgodin. Bij de
Hittieten (ongeveer
1700 en
1200 v.Chr.)
heette zij Kubaba of Kubebe. In
Phrygië (8e eeuw v.Chr. met
hoofdstad
Gordium) ontwikkelde ze zich tot de moeder van de
natuurlijke wereld.
Cybele was een
Moedergodin die niet alleen stond
voor vruchtbaarheid en verzorging, maar vooral ook een
godin met
macht, wier voorspraak men kon afsmeken ter bescherming.
Cybele of
Magna Mater werd beschouwd als de moeder van alle goden.
Klik hier om verder te lezen over
Cybele.

Cybele (Ankara museum)
~ Grieken:
Op
Kreta evolueerde in de loop
van het
2e millennium v.Chr. de moedergodincultus door een groot
aantal nieuwe factoren: diverse dieren, planten, enzovoorts. Een hele
menigte
demonen (gesymboliseerde natuurkrachten) vergezelden de
goden, zoals de
Cureten en
Dactylen, die hun oorsprong kenden in
deze periode. Ze kenden een talrijke afstamming in de
Griekse
mythologie (Chimeren,
Gorgonen,
Sirenen, etc.). De
moedergodin zelf
splitste zich op, waarschijnlijk in moeder en dochter, zoals later
het geval zal zijn voor haar erfgenamen
Demeter en
Persephone. Deze
laatste was haar aspect dat over de
onderwereld heerste.
* Demeter:
Het
pantheon van de Grote Goden die op
Samothrake werden vereerd,
bestond uit verscheidene
chtonische goden van voor de komst van de
Griekse kolonisten op het eiland in de
7e eeuw v.Chr.. Het vormde
zich rond één centrale figuur - de Grote Moedergodin.
Haar
oorspronkelijke geheime naam was Axiéros. Ze is verwant met de
Anatolische Grote Moeder-godin, de Phrygische Cybele en de
Trojaanse
moedergodin van de Ida.
De Grieken associeerden haar met de
vruchtbaarheidsgodin Demeter. De Grote Moeder is de almachtige
meesteres van de wilde wereld van de bergen, vereerd op heilige
rotsen waar offers aan haar werden gebracht.
Een fundament van het Griekse heiligdom van de
chtonische goden in
Akragas.
Het heiligdom van de Grote Goden van Samothrake
herbergde
een
mysteriecultus gewijd aan een pantheon van chtonische godheden
waarvan de moedergodin de belangrijkste was. En ook in Akragas (het
huidige
Agrigento) bevond zich een tempel gewijd aan
chtonische
godheden.
De opvatting van Demeter als de moederaarde behoort tot haar
oorspronkelijk wezen. Zij is niet alleen in het algemeen de moeder
van alle leven en alle werkzaamheid in de natuur, maar vooral meer
in het bijzonder van die planten, welke door de mensen tot hun eigen
verbruik worden verbouwd. Voor het groeien en rijpen daarvan draagt
zij zorg, voornamelijk voor
het koren. Zo is zij de godin van de
akkerbouw geworden, en toen ze dit eenmaal was, natuurlijk ook van
al die bezigheden, welke in ruimere zin tot de akkerbouw kunnen
gerekend worden, de boomkwekerij en de veeteelt...
Demeter en Persephone zagen beiden toe op aspecten van de
vruchtbaarheid van het land, terwijl Demeter een typisch Olympische
cultus had en Persephone een
chthonische.
~ Romeinen:
De Romeinen vierden diverse
voorjaarsfeesten. Begin mei hadden ze het meerdaagse bloesemfeest,
de
Floralia geheten. Op de eerste dag van mei vierden ze het feest
van de aardgodin
Bona Dea ('de Goede Godin'), die later met de
Griekse godin
Maia werd geïdentificeerd. Zij was de oudste en
mooiste van de
Pleiaden, de zeven dochters van
Atlas en
Pleione. Het
Griekse woord µaa (maia) betekende oorspronkelijk 'moeder' en later
'vroedvrouw' (µaea-maieia). De Romeinen vereerden deze Griekse
moedergodin opdat zij de dingen van de natuur zou laten groeien. Zij
noemden de meimaand (Maius in het Latijn) naar haar. Het Latijnse
woord maior (= 'groter') is aan maia verwant, zo ook het woord
maiestas (= 'aanzien', 'pracht', 'het hoog in aanzien zijn',
'verheven zijn'). In de Middeleeuwen ontstond in Italië het gebruik
om de maand mei toe te wijden aan Maria, "de Moeder Gods".
~ Noordelijk Europa:

Frigg spint de wolken.
Uit wat van de
Noordse mythologie tot ons is gekomen via de
Edda van
Snorri Sturluson lijkt niets er op het eerste zicht op te wijzen dat
een
Almoeder bovenaan het
pantheon zou hebben gestaan. De goden zijn
er voortgekomen uit een reus, die eerder van het mannelijk geslacht
lijkt, al zou deze zich gevoed hebben aan de melk van de Hemelkoe
Audhumbla. Verder is er sprake van een categorie
vruchtbaarheidsgoden, de
Wanen, die uit een oudere mythologie lijken
te stammen.
Aan het hoofd daarvan en van de
Alven die de
natuurkrachten vertegenwoordigen, is de
tweeslachtige
Freyr of
Freya
aangesteld, of beiden, wier naam in feite enkel een titel is en
'heerser(es)' betekent. In de
Germaanse mythologie is het eerder
Frigg, die als vruchtbaarheidsgodin ook godin van het moederschap
wordt genoemd.
Maar het is niet duidelijk of zij in dat geval ook
als moeder van de goden wordt gezien.
* Germaanse meifeesten:
De
Germanen en
West-Slavische
volkeren kenden ook een in mei gehouden vruchtbaarheidscultus.
Grootse feesten werden gevierd rond op open plekken opgerichte bomen
of boomstammen, die later
Meibomen zijn gaan heten. Zoals de
Romeinen vierden ook de Germanen in mei de zich opnieuw
manifesterende groeikracht van de natuur en de overwinning van de
zomer op de winter. Meifeesten rond Meibomen met Meidansen,
Meikoninginnen en Meigraven bleven ook na de
kerstening van Europa
voortbestaan.
In
de vroege Middeleeuwen werden de volkse lofbetuigingen op de
heidense aards-, moeder- en vruchtbaarheidsgodinnen steeds vaker
geprojecteerd op Maria, die al sinds het jaar
431 officieel als de
Moeder Gods werd vereerd. In de
13e eeuw ontstond vanuit Italië de
idee om de meimaand geheel in het teken te stellen van de verering
van de
Heilige Maagd Maria. Tijdens de
Contrareformatie waren het
vooral de
jezuïeten en
kapucijnen die vanuit Rome dit gebruik over
heel
de Kerk verspreidden.
In die lenteperiode vierder ook de Kelten hun
Beltanefeest. Beide feesten, dat van de Germanen en dat
van de Kelten, werden door de
Wiccatraditie overgenomen en
samengevoegd tot 1 feest: "Beltane".
~ Kelten:
De Kelten kenden als
moedergodin van de Kelten
Danu, ook wel Anu genoemd, stichteres van de
Tuatha Dé Danann.
Het Keltisch
Imbolc (Oimelc) feest, is het enige Keltische feest dat
samenhangt met een godin, namelijk
Brigid (Brid). Brigid was een
voorname Keltische godin die zelfs door het christendom als
"heilige" werd gedegradeerd. (Zij het "op en af"). Haar naam "Brighid"
stamt af van "Brid of Bride (Schotland)" (bruid). Het feest van de
godin Brighid "Imbolc" of "Oimelc" werd door de christenen
gekerstend als het feest van "Maria Lichtmis".
* Ierse Anu:
Ierland wordt
Iath n'Anann
genoemd. Anu wijst in haar personificatie als maagdelijke
moedergodin eerder op een traditie van veel oudere oorsprong. Anu
wordt in de
Sanas Chormaic vermeld als moeder van de goden. Ook
wordt zij geassocieerd met de
godentrias van
de drie Marrigu, de
oorlogsgodinnen
Macha, Nemain en Badb.
Haar belangrijkste cultusplaats was
Munster, in Zuidoost-Ierland.
Bij
Killarney liggen twee heuvels met de naam
Paps of Anu - borsten
of tepels van Anu.
Anu is een
Keltische
moedergodin,
Moeder Aarde, die genoemd wordt in
de
Sanas Chormaic (Engels: Cormac's glossary). De precieze rol van
Anu is onzeker, maar er bestaan aanwijzingen dat haar naam als
synomiem werd gebruikt voor de godin
Danu. Echter, Danu is
afleidbaar van het
proto-keltische *dano- (gift) en vindt in de
betekenis "godin van overvloed" volop
Indo-Europese parallellen. Anu
wordt daarentegen wel eens herleid uit het proto-keltische theonym*Fanona,
met de nietszeggende betekenis "Godin", en verwijst in haar
personificatie als moedergodin eerder op een traditie van veel
oudere oorsprong, zoals kan worden aangetoond met archeologische
vondsten uit de
steentijd. In dat geval heeft de
Keltische
Danu
vanuit de
Indo-Europese traditie de oudere traditie integraal
overgenomen.
Vermoedelijk komen de algemene moeder-attributen van Anu vertekend
terug in de attributen van de veel vaker genoemde
Danu. Zo worden de
Keltische goden van het genus
Tuatha Dé Danann voorgesteld als
afstammelingen van deze godin Danu, terwijl Danu in de
Ierse
mythologie alleen bekend is als moeder van een drietal vrij laag op
de ranglijst geplaatste helden (Brian, Iuchar en Iurcharba). Dit
drietal duikt - om de verwarring nog groter te maken - in andere
mythen weer op als de zonen van Brigit. De oorsprong van Brigit mag
daarentegen gezocht worden in de (voor-indo-Europese?) traditie van
de drievoudige moedergodin (Matrones) en/of die van de
(Indo-Europese) drie
schikgodinnen, waarbij een verstrengeling zoals
geschetst voor Danu met de vruchtbaarheidsattributen van een in
onbruik geraakte oudere moedergodin als Anu, veel van de
ontwikkeling van Brigit tot belangrijkste Keltische godin op de
Britse eilanden duidelijk kan maken.
* Dagda:

De Dagda wordt in de
Keltische mythologie van
Ierland gezien als de Vader der
Goden, vergelijkbaar met
Jupiter (Díspater). Het woord zelf
betekent De goede God, niet in de morele zin, maar in een algemene
zin, overal goed in, macht over alles. De Keltische Goden hebben
niet echt een specialisatiegebied, en er kan dus ook niet echt over
een
pantheon worden gesproken. Ze zijn
allen goed in alles, zoals de Griekse god
Apollon. Hij is ook bekend als
Eochaidh Ollathair' (Al-vader), Aedh (Vuur) en Ruadh Rofessa (De
Rode Heer van Kennis) en is dus een
drieënig god.
De Dagda is een vader-figuur, de beschermer van de stam en het
sjabloon waaruit alle andere
mannelijke Keltische goden worden gevormd. Hij is de zoon van Danu
en Bileacute. Ierse verhalen schilderen de Dagda af als een figuur
met immense macht, gewapend met een magische knuppel en met een
ketel. Eén haal met de knuppel zou negen mannen neer kunnen slaan,
en met het handvat zou hij ze weer terug tot leven kunnen brengen.
De ketel is bodemloos, en zou een leger te eten kunnen geven. Hij
bezit ook een rijkelijk versierde magische harp, gemaakt van
eikenhout. Als de Dagda de harp bespeeld kan hij de seizoenen in de
juiste volgorde zetten. Andere verhalen vertellen over hoe hij met
zijn harp zijn leger in de oorlog kan commanderen.
De Dagda is ook de Hoge Koning van de
Tuatha Dé Danann, de
supernatuurlijke wezens die
Ierland bewoonden vóór de komst van
de
Ieren.
Hij is getrouwd met
Breg, en heeft een affaire met
Boann, de vrouw van
Nechtan. Om zijn affaire stil te
houden zorgt hij ervoor dat de zon negen maanden stil staat. Dit
maakt het mogelijk dat zijn zoon
Aengus wordt verwekt en geboren op
één dag. Samen met Boann helpt hij Aengus zijn ware liefde te
vinden.
De Dagda is ook de vader van
Badb Dearg, die hem opvolgde als
Koning van de
Tuatha Dé Danann.
Hij is ook bekend als: Daghda, Dagde, Dagodevas,
Sucellus (Gallië).
* Cernunnos:

De
afbeelding van Cernunnos kan bekeken worden in een museum in Reims
(Frankrijk): "Musée-Abbaye
Saint-Remy".
Cernunnos ('de gehoornde') was een Keltische god die in
Gallië en
Brittannië werd vereerd. Hij werd meestal
naakt afgebeeld in
kleermakerszit, of soms met een mouwloos hemd en een
torque om de hals en in
de rechterhand.
Vaak ook met een sacrale fakkel in de ene hand en een slang met
ramshoorns in de andere.
Hij was de heer over de natuur,
dieren, landbouw, voorspoed en de onderwereld.
Cernunnos is de
Keltische god die waarschijnlijk het dichtst het
idee van een universele vaderlijke god benadert.
We vinden sporen van hem in de literaire tradities van Ierland en
Wales.
Afbeeldingen van hem komen tot in de
9e en
10e eeuw voor, ze staan
in die tijd veelvuldig in miniaturen die de
evangeliën verluchtten.

Op de
Ketel van Gundestrup
staat hij afgebeeld naast een hert met hetzelfde gewei als hijzelf
(en ook zijn hemd en broek vertoont dezelfde tekening als op de
hertenpels), terwijl hij met de linkerhand de
oerslang omvat. (Meestal werd deze
Natuurgod naakt afgebeeld in kleermakerszit).
* Lugh:
(Zie ook
Lughnasadh)

Lug, Lugh, Lugus of Lugos
(Modern Iers: Lú (uitspraak /lu:/)) is de Keltische zonnegod. Hij is
sterk, jong, meester van alle kunsten. Hij is de god van de
ambachten en de handel. Hij was voor de smeden in het bijzonder
belangrijk. Hij stond voor de logische combinatie handel en
techniek, maken en verkopen. Lugh wordt gezien als een Vadergod.
Hij
wordt vereerd met het heidense
Lúghnásádh feest.
Dit wordt gevierd
wanneer de eerste oogst binnen wordt gehaald, ongeveer 1 tot 7
augustus.
° Attributen~
De slinger van Lugh was de regenboog en de
Melkweg werd de Keten
van Lugh genoemd. Hij had ook een magische speer die hij niet
zelf hoefde te slingeren, want ze was zo vol leven en dorstig
naar levenssap dat ze enkel kon rustig gehouden worden door ze
met de kop in een slaapdrank te steken gemaakt van gestampte
klaproosblaren. Als de strijd nabij was werd ze eruit gehaald en
dan raasde en daverde ze tegen de riemen, sloegen er gensters
uit, en zodra ze uit zijn hand schoot, drong ze door rijen en
rijen tegenstanders, zonder er moe van te worden.
° Genealogie~
De vader van Lugh was Cian van de
Tuatha Dé Danann en zijn
moeder Ethniu dochter van Balor van de Fomóiri. Hun vereniging
stelt een dynastiek huwelijk voor tussen die twee volksstammen,
volgens het
Lebor Gabála Érenn.
(Zie ook
Lughnasadh)
* Brigit
~ Brighid:
(zie ook
Imbolc)
Brigit
(Modern-Iers:
Brighid) was volgens het
Lebor Gabála Érenn de dochter van
de
Dagda van de
Tuatha Dé Danann en de vrouw van
Bres van
de
Fomóiri.
Ze had twee zussen, ook Brighid
genaamd, en wordt beschouwd als een klassiek
Keltisch
godentrias. Zij is een
Ierse
godin van geneeskunde en
vruchtbaarheid. Brighit wordt vereerd met
Imbolc.
Ze wordt gezien als een oorspronkelijke
Moedergodin.
Haar Britse en
Gallische tegenhangster
Brigantia werd door de
Romeinen gelijkgesteld aan
Minerva. Het
Christendom heeft bepaalde
eigenschappen van haar toegekend aan
sint Brigida van Kildare. (Kerstening).
Sommigen beweren dat er 3 Brighids zijn: één belast met de poëzie en
de inspiratie; een andere met geneeskunst en zwangerschappen en een
derde meesteres van de smeed- en andere kunsten.
Daarom spreekt men hier van een
Keltisch
godentrias.
Volgens de legende is ze geboren bij zonsopgang, met een toren van
vlammen rond haar hoofd. Zo begon zij als zonnegodin en
godin van het vuur (smeedkunst -
zon - lente).
Als vuur- en watergodin is zij onsterfelijk door vele
waterbronnen.
Op een altaar in
Kildare (County
Kildare) brandde altijd een vuur voor godin
Brighid. 19 Maagden, de dochters van de Vlam, verzorgden het vuur.
Het was hen verboden met mannen te praten en zij moesten er voor
zorgen dat mannen niet te dicht bij het altaar kwamen.
Brighid symboliseert het menselijk vermogen. Men spreekt ook van
Brigit, Brighid, Brigindo, Belisama of Bride.
Toen het
christendom zijn opmars begon, werd
het eeuwige vuur gedoofd door de kerk, maar deze
godin was zo geliefd dat ze direct
als een heilige
gekerstend werd.
Voor de
gekerstende "heilige
Brigida" werd ook een orde tot stand gebracht: "de
Orde van de Heilige Brigitte".
Nu nog is
St. Brighid één van de populairste
heiligen, naast
St. Patrick. Zij wordt gevierd met
Imbolc,
een festival van de Keltische kalender.
In onze hedendaagse kalender
wordt
Imbolc gevierd op
2 februari. Imbolc of Imbolg
betekent "in de buik" en verwijst naar de drachtige
ooien. Een andere naam, "Oimelc"
betekent "ooi-melk (schapenmelk)".
Zelfs al is het met Imbolc nog
winter, voelen we reeds de komst
van de lente aan, waardoor Imbolc meestal aanzien wordt als het
voorfeest van de
lente.
De échte lentefeesten zijn
Ostara en
Beltaine.
Een
volkstraditie is Brighid's Bed. De
jonge meisjes maken een graanpopje , versierd met strikken en
linten.
De oudere vrouwen maken een bedje om godin Brighid in te leggen.
Op
St. Brighid's Eve, verblijven jonge
vrouwen, samen, de hele nacht rond de graanpop.
Ieder gezin dat die nacht naar bed gaat, giet de haard onder water
en de as wordt mooi glad gestreken.
Wanneer er 's morgens een teken in de as is, betekent dit dat
Brighid is langsgekomen.
Godin Brighid voert de mensen van
de
winter naar de
lente; zij is de levenskracht,
wiens aanwezigheid nodig is in die
tijd van het jaar.
Imbolc
is ook 'pannenkoekendag' omdat een pannenkoek de "zon" voorstelt.
En, zonder "vuur" geen pannenkoek!
  
Brighid's Bedaltaar met
Imbolc.
~ Kerstening van
de Moedergodin:
De allereerste dag van elk jaar is
in het christendom gewijd aan
Maria, Moeder van God.
Op die dag viert de Kerk dat Maria, uit wie Jezus werd geboren,
waarachtig aanzien wordt als
moeder van God (Theotokos). Dit werd
voor het eerst als dogma bepaald in het
Concilie van Efeze in
431.
Mater Dei werd toen als epitheton aan
Maria overgedragen.
Oorspronkelijk was het moederlijke aspect een attribuut dat aan de
Heilige Geest was toegekend. Verder is er ook een relatie tussen de
symbolen Moeder Gods, maan,
Venus, water en bron, een associatie die
van in de oudheid bij veel
godinnen is aangetroffen.
Maria, de Heilige Moeder Gods is sinds eeuwen de meest populaire
heilige, en kent in alle
katholieke landen een grote
devotie.
De
toewijding van een maand aan Maria heeft zoals bij veel katholieke
feesten het geval is een
heidense achtergrond. Het hele jaar rond
zijn belangrijke datums in verband met de
moedergodincultus aan
Maria gewijd. Ook de afbeeldingen, voornamelijk in iconen, zijn op
de 'oervoorstellingen' gebaseerd.
Een voorbeeld is de
Platytera, de Moeder Gods van het Teken, een
afbeelding van de Moeder Gods met Immanuël in haar schoot. Wat
uitgebeeld wordt is het vooreeuwige Woord Gods in de 'emblematische
figuur' van Immanuël, met andere woorden de menswording van het
'woord' uit de Maagd Maria. Van een kerk in
Constantinopel in de
Blacherne wijk komt de naam Blachernitissa. De mantel van Maria was
in die kerk een relikwie.
In Rusland spreekt men als er een
clypeus
bij is, van 'Moeder Gods van het teken'.
Dit verwijst naar het
verhaal in
Jesaja 7 vers 14 waar koning
Achaz een teken ontvangt van
de
profeet Jesaja: "Zie, de jonge vrouw is zwanger en zal een zoon
ter wereld brengen, en gij zult hem de naam Immanuël geven".

* Voor het huidige godsbeeld moeten
we teruggrijpen naar de
Hebreeuwen (en daarvoor).
~ El (god):
De
naam El in het
Fenicisch, wordt van rechts naar links te lezen.
El ('God') was oorspronkelijk een
Fenicische Hemelstiergod, en werd
de naam van de hoofdgod in het
Kanaänitische
pantheon dat bestond
uit
godentriaden. Zijn functie was die van oudere vader van de
godenfamilie, voorzitter van de goddelijke vergadering en
scheppergod. Als zijn partner gold
Ashera.
Als
epitheton had El de
Barmhartige, de Vriendelijke.
Mythologisch is El onder de naam 'Ilu' vooral bekend uit het
tekstmateriaal van de kleitabletten uit de
Kanaänitische stad
Ugarit
en uit
Ebla.
Waar het woord el oorspronkelijk een heel specifieke god binnen een
polytheïstisch systeem aanduidde, werd het later ook gebruikt in
algemenere zin voor een willekeurige godheid en nog weer later voor
de ene God uit het
monotheïsme: 'De Godheid', God in de macht en de
onmiskenbaarheid van zijn goddelijke natuur. Hebreeuwse woorden als
El, Eloah en Elohim en het Arabische Al Illah waar Allah van
afstamt, zijn alle aan dit woord gerelateerd en betekenen allemaal
God.
Direct of indirect komt het woord el of een afleiding hiervan in
vele eigennamen voor zoals Israël, Daniel, Gabriel, Ezechiel,
Samuel, Isjmaïl (Ismaël) , en Abdullah.
De teksten verwijzen naar de 'El' van Ugarit steeds als Thor-El.
Dit
zou banden met de
Indo-Europese stormgod 'Thor' suggereren.
De juiste uitspraak kan beter worden weergegeven als Eil, niet 'El'
met een korte 'e'.
Joden spreken de naam daarnaast uit als Keil
wanneer deze niet binnen een strikt religieuze context (zoals in
gebed of zegeningen) gebruikt wordt.
'El' veranderde tot Yaw (Jaw), dat als synoniem gold, rond
2300 v.C.
De hemelgod werd nadien in
Israël verdrongen door de stormgod
"Jahweh".
~ Asherah:

Levensboom of asherah. Asherah of
Ashera(t) was de oudste Moedergodin van
Kanaän, identiek aan de
Ugaritische Godin Athirat of 'Airat. In een
Sumerische inscriptie
uit
1750 v.Chr. komt zij voor als vrouw van Anu of El (de vadergod
van het
Kanaänietisch
pantheon). Baäl is één van haar kinderen.
Zij
is ook "De Vrouw die de Zee doorkruist" en "De Moeder van de Goden".
Ze wordt afgebeeld in de vorm van een boom.
Het woord asherah met kleine letter
betekent zoveel als pilaster of alleenstaande zuil of paal, symbool
van de
Moedergodincultus dat veelvuldig in Kanaänietisch gebied is
aangetroffen. Het is tevens de aanduiding van een
heilige boom, een
groene boom die als referentieteken van leven gold en waarbij
meestal een lokale
boomcultus werd voltrokken, zoals ook in India nu
nog vaak gebeurt. Meestal stonden er twee zulke bomen bij een
tempel.
Ezechiël meldt over de aanhangers van de cultus: Zij
brachten een tak (van de heilige boom) aan hun neus. Asherim waren
oorspronkelijk vijgenbomen, de
sycamore, die in het Oude Egypte
beschouwd werd als 'het lichaam van de Koningin op Aarde'. Vandaar
ook de 'vijgenboom' van Adam en Eva.
In
Ugaritische teksten van voor
1200 v.Chr. wordt de Godin Athirat
driemaal vernoemd: 'art ym, 'Airat yammi, 'Athirat van de Zee' of
in vollediger vertaling 'Zij die handel drijft op zee'. De naam
wordt door de meeste vertalers en commentatoren beschouwd als
afkomstig van de
Ugaritische wortel 'ar 'strijd' verwant met de
Hebreeuwse wortel 'šr met dezelfde betekenis.
In genoemde teksten is Athirat de partner van de god El en wordt een
referentie gemaakt naar 'de zeventig zonen van Athirat',
waarschijnlijk dezelfde als 'de zeventig zonen van El'.
Zij wordt
niet echt onderscheiden van
Ashtart (Astarte), en Ashtart wordt
gelinkt aan de
Mesopotamische Godin
Ishtar. Ze wordt verder ook nog
Elat genoemd, de vrouwelijke vorm van El, die heerseres betekent en
Qodesh 'Heiligheid'.
Quadeshu waren heilige vrouwen of
tempelpriesteressen (vgl.
Naditu).
Belangrijke cultusplaatsen naast
Ugarit waren de havensteden
Sidon
en
Tyrus, waar zij de plaatselijke stadsgodin was. De god Baäl werd
er als één van haar kinderen aanzien.
Deze godin komt ook als Ashratum of Ashratu af en toe voor in
Akkadische bronnen.
Bij de
Hettieten komt deze godin voor als Asherdu(s) of Asertu(s),
of ook nog Aserdu(s), gemalin van
Elkunirsa, en moeder van ofwel 77
ofwel 88 zonen.
Archeologen vonden dat tot in de
6e eeuw v.Chr. huisaltaren werden
ingericht, of op zijn minst
figurines werden gehouden van Asherah,
die in alle
sites opmerkelijke overeenkomsten vertonen.
In
de Bijbel wordt 40 maal naar 'Asherah' gerefereerd (naar 'Astarte'
slechts 9 keer). Astarte zou haar dochter zijn of een ander aspect
van haar zuster
Anath (de zuster-vrouw van Baäl). In
Deuteronomium
7:5 staat: "Zo zul je met hen doen: hun pilaren zul je vernietigen;
hun
Asheirim zul je omzagen; en hun afbeeldingen zul je in vuur
verbranden." De belangrijkste joodse bijbelcommentator,
Rasjie, legt
uit dat 'Asheirim' (meervoud van 'Asherah') verwijst naar
bomen die
aanbeden worden door de
Kanaänieten.
De bron hiervoor is het
Talmoed-tractaat
Avoda Zarah, pagina 48b.
~ Baäl, zoon
van Asherah:

Baäl volgens Collin de Plancy's
Dictionnaire infernal in 1862)
Overblijfselen van de tempel van Baäl in Palmyra
Overblijfselen van de tempel van Baäl in PalmyraBaäl was in het
antieke Midden-Oosten en dan vooral in Egypte en Fenicië een van de
vele goden van de donder en de oorlog. Behalve oorlogsgod was hij
ook god van de vruchtbaarheid. Baäl betekent in feite de Heer en
wordt dan ook vaak gevolgd door een eigennaam. Het was de titel van
de stadsvorst, aan wie het gezag in naam van de godheid werd
verleend.
* Meerdere soorten Baäls:
Baäl was het
Kanaänitisch en
Fenicisch woord voor Heer en in deze zin was een Baäl de koning
onder de plaatselijke goden. Zo was er een Baäl
Hadad, Baäl
Melkart,
Baäl
Moloch, Baäl
Beëlzebub, enz.. Vele steden en volkeren in het
oude
Kanaän hadden elk hun eigen streekgebonden Baäls, zo ook de
Fenicische
koloniën. In
Ugarit heette hij bijvoorbeeld
Hadad, maar
deze werd ook gewoon met zijn titel van "Heer" Baäl genoemd. De
koning van een stad kreeg zelf de titel van 'Baäl' toebedeeld voor
de duur van zijn ambt. Oorspronkelijk kreeg hij dit van de
vertegenwoordigster van de godin tijdens een speciale ceremonie, de
hieros gamos of het rituele huwelijk. Hij was daarom de zoon/minnaar
van de Godin, en werd in die hoedanigheid ook
Tammuz genoemd.
De Baäl van Ugarit, Hadad, was uitgegroeid tot de machtigste in het
gebied, maar bleef onder El.

Tempel van Baäl in Palmyra.
Baälat was de term om de
koningin aan te duiden, die door haar afkomst de nieuwe Baäl zijn
macht verleende.
De godsdienst heeft zich waarschijnlijk ontwikkeld uit nog eerdere
vruchtbaarheidsriten. Dit is nog af te leiden uit de aandacht die
uitging naar vruchtbaarheid voor het land, het vee en de vrouw.
Eerbare vrouwen werden geacht een tijdje dienst als
tempelvrouw te
doen in de tempel van Baäl of van de
godin. Het geld dat ze hiermee
verdienden werd aan de tempel geschonken. Deze dienstbaarheid aan de
tempel eindigde als de vrouw voor het eerst zwanger werd en zo haar
vruchtbaarheid bewezen had. Degenen die dit niet lukte waren vaak
gedwongen hun hele leven in de tempel te blijven omdat ze geen man
konden vinden die hen als vrouw wilde aannemen.
In oogsttijd
werden er landbouwproducten en jong vee geofferd.
In het algemeen werd de god Baäl (die door de aardse Baäl, of
stadsheer, werd vertegenwoordigd) als zoon van de hemelgod El gezien
en was zijn moeder daarom
Athirat. Zijn zus was
Anat, die ook als
zijn echtgenote werd gezien (vanaf
1000 v.Chr. was dat
Ashtoreth),
en
Jam en
Mot zijn broers. Eén van zijn
epitheta was
Wolkenrijder.
~ Jahweh als opvolger
van Baäl:

De 'jaloerse god' Jahweh heeft veel
eigenschappen van zowel de oude
Mesopotamische god
El als Baäl.
Teksten die werden opgegraven in
Ugarit vertonen een stijl die dicht
bij die van het
Oude Testament staat. Het
Ugaritisch lijkt zelf ook
erg op het vroege
Hebreeuws. De eigenschappen van Jahweh zijn die
van El en Baäl samen. In hun ijver dit verband te ontkennen,
verketterden de profeten van het
Oude Testament Baäl als valse god
en vijand. Toch worden vele
aspecten van Baäl weerspiegeld in Jahweh.
Salomo keerde zich van het traditionele nomadische bestaan van de
Israëlieten af en bouwde, tegen de aanvankelijke bezwaren van de
profeten in, de
eerste joodse tempel.
Deze was aanvankelijk niet
alleen voor Jahweh bedoeld, ook andere goden werden er nog een hele
tijd vereerd. Hij werd trouwens ingewijd met de bede: "Geef regen op
het land, dat Gij Uw volk ten erfdeel geschonken hebt", een
toespeling op de eigenschappen van Baäl als regengod en god van de
vruchtbaarheid.
De beschrijving van de tempel zelf in de Bijbel is eerder
fantastisch en mist architectonische precisie. Archeologische
opgravingen elders in
Palestina en
Syrië tonen aan hoe tempels in
die tijd naar oudere Kanaänietische voorbeelden gebouwd werden,
zoals die van Baäl-Hadad in
Hasor, die voor
de tempel van Salomo als
voorbeeld zou hebben gediend. Voor de bouw ervan deed hij beroep op
ervaren geschoolde bouwmeesters, metselaars en kunstenaars uit
Fenicië.
* Baäl in de Bijbel:
Baäl wordt veel in de
Bijbel
genoemd. De volgelingen van Baäl waren grote tegenstanders en
bestrijders van de God van de Israëlieten en omgekeerd. Baäl, wat
"meester", "eigenaar", of "echtgenoot" betekent, werd volgens hen
aanbeden als mannelijke afgod. De aanbidding van Baäl werd dikwijls
gekoppeld aan de godin
Astarte, de vrouwelijke tegenhanger.
Baäl
werd beschouwd als regengod.

Baäl & Astarte
De aanbidding van Baäl ging
niet alleen gepaard met de wellustige praktijken van
vruchtbaarheidscultussen, maar ook praktijken als het offeren van
kinderen.
De aanbidders van Baäl aten ook de offers die gebracht
werden aan de doden en sneden zichzelf met zwaarden en speren.
Izebel, de vrouw van
Achab, de dochter van Etbaäl ("met Baäl") de
koning van de
Sidoniërs, was een toegewijd aanbidster en profetes
van Baäl, die de aanbidding van Baäl in Israël nieuw leven inblies.
Ze stelde zich vierkant tegenover de God van Israël en zijn profeten
en werd bijzonder gehaat door
Elia. Die organiseerde zelfs een
militaire coup tegen haar.
Elisa riep legeraanvoerder
strijdwagenrijder
Jehu van Israël tot koning uit in naam van 'de
Heer' (Jahweh). De hele koninklijke familie (een 70tal) werd toen
uitgemoord met
Izebel aan kop. Diezelfde Jehu riep daarna de
Baälpriesters en vereerders in hun tempel in
Samaria bijeen "voor
een offer", maar liet ze daarna allen afslachten en de tempel met de
grond gelijk maken.
De cultus van
Tammuz, die met die van Baäl samenhing, werd nog tot
720 v.Chr. vooral door vrouwen aangehangen. Tot afschuw van de
profeet
Ezechiel (8.14-15) werd door sommige
Israëlieten - vooral
door vrouwen - de dood van "De
Tammuz" tot in
de tempel van
Jeruzalem jaarlijks nog beweend.
* Mensenoffers:
In crisistijden zouden ook
mensenoffers aan Baäl Moloch
(vuurgod) gegeven zijn. Dikwijls waren dat kinderen
omdat men geacht werd het eerstgeborene te schenken aan de godheid
om diens zegen af te smeken. Bekend is dat de
Carthagers dit deden.
Dit ging zo in zijn werk: het
afgodsbeeld
was meestal een grote holle metalen constructie (meestal van
brons
versierd met edele metalen) met beweegbare uitgestrekte armen. Onder
in het beeld werd een groot vuur gestookt totdat de vlammen uit de
opengesperde muil van het beeld sloegen. Het slachtoffer werd
gebonden en in de uitgespreide handen van het beeld gelegd. Hierna
werden de armen opgeheven totdat het slachtoffer vanzelf via de
armen in de opengesperde muil rolde. De Romeinen en Grieken
berichtten hierover met afschuw. Hoewel vaak gedacht is dat dit geen
onpartijdige berichten waren, aangezien er in die tijd een hoge
kindersterfte was. De opgravingen die wijzen naar Carthaagse
kinderoffers, zouden ook massagraven kunnen zijn voor pasgeborenen
die zijn gestorven. Immers, in Griekenland zijn ook soortgelijke
opgravingen gedaan.
* Naamgeving:
Fenicische en
Punische namen
als
Hasdrubal en
Hannibal bevatten ook een vorm van de naam Baäl:
Bal; een andere variant van de naam Baäl is
Bel.
* De Baälcyclus:
De opgravingen in
Ugarit hebben
kleitabletten opgeleverd waarop de
Kanaänitische mythologie is terug
te vinden, meer bepaald in de zogenaamde Baälcyclus. Dit is één van
de voornaamste mythologische cyclussen die zijn bewaard gebleven.
Het thema is hier vooral de strijd om de macht en de vruchtbaarheid.
~ Astarte:

Astarte op een wagen met vier vruchtbare takken die het dak sieren.
Julia Maesa muntstuk uit
Sidon.
Astarte was een
Fenicische godin met algemene bekendheid
in de noordwestelijke
Semitische streken, beschermgodin van
Side, en
als "Maagd van de Zee" ook van de zeelieden, waardoor haar cultus
wijd verbreid was. De eerste betekenis van haar naam was
Baarmoeder.
Zij is dan ook oorspronkelijk een vruchtbaarheidsgodin of
Moedergodin, wat verder tot uiting komt in het
epitheton "Moeder der
Hemelen", "Koningin van de hemel" en "Moeder van alle godheden".
* Herkomst en andere namen:
Qua naam, afkomst en functies
is Astarte verwant aan de godin
Ishtar uit de
Mesopotamische
teksten.
Andere namen of naamswijzigingen zijn ‘Ashtart, in het
Hebreeuws of
Fenicisch (getranslitereerd Ashtoreth),
Ugaritisch ‘trt (ook
‘Atart of ‘Athtart, getranslitereerd Atirat), en
Akkadisch
dAs-tar-tú (ook Astartu).
* Functies en associaties:

Astarte is nauw verbonden met
de thema's vruchtbaarheid, seksualiteit en oorlog. Haar symbolische
attributen waren de leeuw(in), het paard,
de sfinx, de duif en de
ster in een cirkel ter aanduiding van de
planeet Venus. Op
afbeeldingen komt ze vaak naakt voor. Deze oppergodin wordt geacht
te reizen in een vuurbal, haar partner is dan ook
Shamash.
Donald Harden bespreekt in The Phoenicians een
beeldje van Astarte uit Tutugi (Galera) nabij
Granada in
Spanje uit
de
7e of
6e eeuw v.Chr. waar Astarte op een troon geflankeerd door
sfinksen zit met een kom onder haar borsten, die doorboord zijn. Een
holte in het beeld zou met melk zijn gevuld via het hoofd en door
lichte opwarming zou de was die de openingen in de borsten afdekte
zijn gesmolten, waardoor de melk dan uit de borsten stroomde bij
wijze van een soort
plengoffer. (La Dama de
Galera).

Dama de Galera.
(Astarte)
In de wicca gekend als "Ostara of Eastre" (Lentegodin).
* Identificaties met
Astarte:
°
Astar:
godin in
Abessinië (huidige
Ethiopië).
° Athar:
vruchtbaarheidsgodin in Zuid-Arabië.
° Ishtar:
moedergodin van
Mesopotamië.
° Inanna:
Sumerische liefdesgodin van de natuur en de
vruchtbaarheid.
Deze godinnen worden allen
met de planeet
Venus geassocieerd.
(Venus > vrouwelijk > vruchtbaarheid > draagster van nieuw leven).
*
Astarte rond de Middellandse zee:
Astarte is vergelijkbaar met de
Griekse godin
Hera (Romeins:
Juno, als koningin der Goden en
beschermster van moeders en het huwelijk), maar ook met de Griekse
Aphrodite (Romeinse:
Venus, als
vruchtbaarheidsgodin en godin van
het
vrouwelijke).
De Grieken ontvingen haar uiteindelijk onder de naam
Aphrodite.
Belangrijkste cultuscentra waren
Sidon waar ze een tempel deelde met
Eshmun,
Tyrus en
Byblos. Munten uit Sidon tonen haar op een wagen in
de vorm van een globe.
Munten in
Beiroet tonen haar samen met
Poseidon en
Eshmun.
Andere cultuscentra waren
Cytherea,
Malta en
Eryx op
Sicilië.
Van deze laatste plaats raakte zij onder de Romeinen bekend als
Venus Erycina.
Een tweetalige inscriptie op de Pyrgi tabletten van ca. de
5e eeuw v.Chr. die gevonden zijn nabij
Caere in
Etrurië stelt haar gelijk
met Uni, dat wil zeggen
Juno.
Ook in
Carthago werd zij vereerd naast
de godin
Tanit.
Ook de
Syrische godin
Atargatis (Semitisch voor ‘Atar‘atah) werd met Astarte gelijkgesteld.
* Astarte in Ugarit:
In Ugaritische teksten die in
de Kanaänitische vergeten stad
Ugarit zijn opgegraven verschijnt
Astarte onder de naam ‘Athtart, maar heeft verder weinig betekenis.
‘Athtart en
Anat weerhouden er tezamen Baäl van om een aanval op de
andere goden te plegen. Astarte vraagt Baäl ook om Yamm (de zee) te
verbrijzelen na zijn overwinning.
Athtart wordt er “het aanzien van
Baäl" genoemd.
* Astarte in Egypte:

In Egypte verschijnt zij voor
het eerst aan het begin van de
18e Dynastie, samen met andere
godheden, door noordwestelijke Semitische volkeren als tegenhangster
van de Babylonische
Ishtar (de Sumerische
Inanna) werd vereerd.
Zoals Ishtar had zij zowel een vredelievend als een afschrikwekkend
facet. Dit laatste was dominant in haar
Syro-Kanaänitische manifestatie,
waar zij in de hoedanigheid van oorlogsgodin vaak samen met de godin
Anat werd vereerd. In
het Nieuwe Rijk was zij
in het bijzonder verbonden met militair gebruik van paarden en
krijgswagens. In de Wedstrijd tussen Horus en
Seth lijken deze twee
godinnen dochters van
Ra. Zij worden ten huwelijk geschonken aan de
god Seth, hier met de Semitische naam
Hadad. Soms werd Astarte in
het Egyptisch pantheon ook dochter van
Ptah genoemd.
Astarte werd ook gelijkgesteld met de godin
Sekhmet, maar blijkbaar
nog vaker, zij het ten dele, met
Isis te oordelen naar de talrijke
beelden die men heeft gevonden waar Astarte een klein kind zoogt. Er
staat een beeld uit de
6e eeuw v.Chr. in het museum van
Caïro, dat
men normaal zou beschrijven als Isis die haar zoon Horus op haar
knie houdt, en dat in alle details de iconografie van de normale
Egyptische
canon volgt, maar de inscriptie luidt: "Gersaphon, zoon
van Azor, zoon van Slrt, man van Lydda, voor zijn Vrouw, voor 'Ashtart'.
(Zie G. Daressy, (1905) pl. LXI (CGC 39291)).
Luidens een fragmentarische mythe van de
19e Dynastie van Egypte
over Astarte en de Zee zou de godin betrokken zijn geweest bij de
ondermijning van het tirannieke gezag van de god Yamm, maar de
details van deze mythe ontbreken. Alhoewel het seksuele aspect van Astarte in de Egyptische religie niet zo uitgesproken lijkt geweest
te zijn als in het
Kanaänitisch thuisland, was dit waarschijnlijk
toch niet helemaal afwezig in de
Egyptische mythologie. Astarte werd
in het
Oude Egypte meestal afgeschilderd als een naakte vrouw te
paard met wapens en een
Atefkroon of een haartooi met stierenhoorns.
Volgens
Philo droeg zij deze als symbool van dominantie, maar
Mesopotamische en Syrische goden en godinnen droegen in het algemeen
horens als symbool van hun goddelijkheid, zodat dit attribuut bij
Astarte geen verdere betekenis zou gehad hebben.
Er bevond zich een
tempel ter ere van Astarte in
Pi-Ramesse in de
Nijl-delta. Er waren ook een aantal tempels waar haar cultus in die
van andere godheden was ondergebracht, bijvoorbeeld in San el-Hagar,
het antieke
Tanis, waar Astarte werd vereerd samen met de Egyptische
godheden
Mut en
Khonsu. Het voor komen van haar naam en afbeelding
op scarabeeën en ostraca kan eveneens een aanwijzing zijn voor de
populariteit van haar cultus.
Op de afbeelding zie je de troon van Astarte (Ashtart) in de
Eshmun tempel in
Sidon.
* Astarte beschreven door
Sanchuniathon:
In het
Fenicisch pantheon dat aan
Sanchuniathon wordt toegeschreven komt Astarte voor als een dochter
van Hemel en Aarde en zuster van de god El. Nadat El zijn vader
Hemel omverwerpt en verbant, zendt Hemel zijn "Maagdelijke dochter"
Astarte naar El als een soort list samen met haar zuster Asherah en
de godin die later "Ba’alat Gebul" zal genoemd worden, de "Vrouwe
van
Byblos". Maar de list lijkt niet te werken want alle drie worden
zij de echtgenotes van hun broer El. Astarte baart kinderen van hem
die onder de Griekse namen de zeven
Titaniden of Artemiden zullen
verschijnen plus twee zonen
Pothos "verlangen" en
Eros “begeerte” of
“aantrekkingskracht".
Later zien we Astarte en Hadad samen over de wereld heersen met El’s
goedkeuring.
Astarte zet een stierenkop op haar hoofd als teken van haar
soevereiniteit. Terwijl ze door de wereld gaat neemt Astarte een
ster op die van de hemel is gevallen en wijdt die aan
Tyrus.
* Ashtoreth in Israël
en Judea:
Astarte,
heet Ashtoret in het
Hebreeuws. Zij werd oorspronkelijk als
Moedergodin vereerd in
Kanaän met een hoofdtempel in
Aphaca. Het was
de hoofdgodin van de
Feniciërs, voor wie zij het regeneratievermogen
van de natuur vertegenwoordigde, een
maangodin, ook aangenomen als
'dochter van
Ra' door de Egyptenaren. Haar voornaamste
cultusplaatsen dateren uit de
Bronstijd. Haar voorgangster was een
slangengodin. De Feniciërs hadden via hun scheepvaart de cultus wijd
over het Middellandse zeegebied verbreid. Er bestonden tempels van
Ashtoreth tot in
Carthago en
Eryx (Sicilië) en op diverse plaatsen
in
Cyprus. De 'heilige vrouwen' die de tempels beheerden werden
qadishtu genoemd.
Deze werden met de zogenaamde
tempelprostitutie geassocieerd.
Deze godin was de
oppergodheid van de
Semieten in hun primitieve
matriarchale organisatie stadium. Zij was
analoog aan de menselijke
matriarch, vrij in haar liefde, de vruchtbare moeder van de stam en
de leider daarvan in vrede en oorlog.
Ashtoreth, Astarte, Attoret, Anath zijn alternatieve namen voor
dezelfde godin, die algemeen als de voornaamste godheid gold in
Tyrus,
Sidon,
Ascalon, Beth Anath,
Beth Shan (waar zij een
belangrijke
Filistijnse tempel had), Aphaca, Baälbec,
Byblos en
Ashtoreth Karnaim, in welke steden in Kanaän zij een tempel had in
Bijbelse tijden.
De Ashtoreth tempel in
Kition is zoals vele andere
tempels rond de Middellandse zee, waaronder ook die van
Athene en
Delphi op
Myceense fundamenten gebouwd, hetgeen op een zeer oude
traditie van
Moedergodincultus wijst. Umm Attar (Arabisch voor
Moeder Attar), mogelijk ook
Hathor, Attoret zijn synoniemen.
Bij hun verovering van
Kanaän door de
Hebreeën stuitten de
mannelijke priesters van de stam Levi dan ook op een geduchte
tegenstandster. De cultus was wijd en zijd verbreid en bovendien
gefundeerd in een matriarchale samenlevingsvorm, waarbij de
hoofdpriesteres van de tempel tegelijk de functie van koningin
uitoefende, als heerseres over alle openbare landerijen en goederen
en gelden, maar ook over de handelsbetrekkingen, de verdeling van
zaaigoed en de taakverdeling voor ambtenaren, boeren,
handwerklieden, vissers enz. Bovendien verleende zij, zoals dat ook
in Sumerië, Babylon en Egypte en dus ook in Kanaän oorspronkelijk
het geval was, het koninklijk ambt, meestal op tijdelijke basis en
met beperkte bevoegdheid.
De
Levieten weigerden, om religieuze en wereldlijke redenen, Ashtoreth te erkennen en pleegden systematisch haar naam te
vervormen of in één adem te noemen met die van haar gemaal (Baäl,
wat in feite gewoon heerser betekent). Bij het opstellen van de
Bijbelse teksten bouwden ze twijfel over haar sekse als vrouw in en
verketterden de
Godin tot een baarlijke
duivel. Voor sommige auteurs
zijn dit aanwijzingen van manipulatie van de Bijbelse geschiedenis
en censuurpraktijken door de leiders van het Hebreeuwse volk.
Bijbelgeleerden dateren
Leviticus en
Deuteronomium in
1.000 -
600 v.Chr. (alhoewel deze volgens de legende in de tijd van
Mozes zouden
zijn neergeschreven).
Ook in de tijd van de profeten werd zij nog in
Juda vereerd. Jer.
44:15-19: "Sedert wij opgehouden zijn de koningin des hemels offers
te ontsteken…" zou naar deze godin worden verwezen.
In
de latere
Joodse mythologie wordt "Ashtoreth”, als een
(waarschijnlijk vrouwelijke)
duivel van lust gezien in het Hebreeuws
monotheïsme. Ook de naam Asherah kan met Ashtoreth worden verward,
maar is waarschijnlijk een andere godin. In Egypte stond de
Kanaänietische Ashtoreth van oudsher bekend als Asit (Ua Zit of Ay
Sit, verwant aan Isis).
De Hebreeuwse "Masorah" (schriftnota’s als begeleiding bij het
Hebreeuwse Oude Testament, samengesteld van de
7e tot de
10e eeuw na Chr.) geven een uitspraak als ‘Aštoret aan in plaats van het te
verwachten ‘Ašteret. Dit zou de bedoeling hebben een kwalijke
associatie met boshet te bereiken (wat gruwel betekent), om daarmee
de afkeuring over de godin nog meer te bekrachtigen. Naar een
meervoudsvorm wordt ook verwezen met ‘Aštarot. (Deze wordt als naam
voor een demon aangewend, zoals ook
Astaroth).
In de verjoodste Christelijke
demonologie is Ashtoreth met
vrijdag
verbonden, maar eveneens gedemoniseerd. Ze wordt er voorgesteld als
een jonge vrouw met koehoorns op het hoofd (en soms ook een
koeienstaart). De hoorns zijn inderdaad impliciete verwijzingen naar
oude attributen die bij de Moedergodincultus behoorden, namelijk als
symbolen van vruchtbaarheid en liefde, zoals men die ook bij sommige
Egyptische godinnenbeelden aantreft.
De cultus van Ashtoreth in het oude heiligdom van Aphaca kwam
definitief ten einde ca.
310 na Chr. en werd in heel Kanaän
onderdrukt, door een verordening van
Keizer Constantijn de Grote die
zich tot het
Christendom had bekeerd.
* Verdere associaties:
Een belangrijke cultusplaats
van Ashtart was
Sheba, Mahram Bilqis
(tempel van
Bilqis). Deze liep van de
10e eeuw v.Chr. tot
550 v.Chr. De cultus was gebaseerd op astronomische
kennis met
de koningin als belangrijkste
astronoom en
astroloog, en
als middelpunt van het religieus leven.
Er is redelijke grond om aan te nemen dat de Griekse godin
Aphrodite
(vooral Aphrodite Erycina) slechts een andere naam is voor Astarte.
Herodotus schreef dat de cultus van Aphrodite zijn oorsprong vond in
Fenicië. Hij beschreef ook de grootste tempel ter wereld van
Aphrodite die in een van de Fenicische steden was gelegen.
Verband met de planeet Venus is eveneens in overeenstemming met de
Aphroditecultus, die blijkbaar van de Mesopotamische godin
Ishtar
stamt.
Het offeren van duiven is daar ook mee verbonden.
In een Wiccalied tenslotte wordt Astarte’s naam als
tweede
in de rij geciteerd:
"Isis,
Astarte,
Diana, Hecate, Demeter, Kali, Inanna".

  

~ JHWH (Jahweh):
JHWH in het Hebreeuws.
De
Hebreeuwse lettercombinatie (zie
hieronder) (jod-hee-vav-hee
(JHWH of JHVH)) is in de Hebreeuwse Bijbel de Naam van God. Deze
lettercombinatie wordt ook wel tetragrammaton genoemd: tetaµµat
- wat Grieks is voor 'vier letters'.
Yahweh (Jahweh > ex-El ~
ex-Baäl)

JHWH (YHWH) -
Naam van God *
In het jodendom:
Joden spreken de naam JHWH nooit uit,
uit respect voor de heiligheid van God en omdat de juiste uitspraak
onbekend is; zie uitleg verderop. In plaats daarvan worden de
volgende titels voor God gehanteerd:
°
El(i) - de eerst-bekende naam.
° Elohim of in dagelijks gebruik Elokiem.
° Baäl - tweede gebruikte naam.
Kanaänitisch en
Fenicisch woord voor
Heer.
°
Adonai - mijn Heer; deze wordt gehanteerd bij plechtige
voorlezingen (in gebeden etc).
° Hakadosj Baroech Hoe - De Heilige, Gezegend is Hij (in
religieus-orthodoxe kringen).
° Hasjeem - de Naam; meest gebruikte versie in dagelijks,
niet-plechtig gebruik.
° Adosjem - de rabbijnen zijn echter voor afschaffing van deze
versie en geven de voorkeur aan "Hasjem".
° Sjaddaj.
° Adonai Tsevaot - HEER der heerscharen (NBG) - HEER van de
hemelse machten (NBV).
° Jah.
° Eljon.
° Sjalom.
°
Sjechiena.
° Ehje Asjer Ehje.
° God, net zoals anderen het zeggen.
Religieuze joden schrijven
de laatste naam meestal zonder de 'o' omdat ook deze naam, wanneer
geschreven, niet uitgewist mag worden. Daarom wordt G-d vaak met een
streepje (of, naar het
Hebreeuws, met apostrof als G'd) geschreven.
* In het christendom:
Christenen hanteren andere titels dan joden, ook al wordt
hiermee dezelfde God bedoeld:
°
El(i) - de eerst bekende naam.
° Baäl - tweede bekende naam.
Kanaänitisch en
Fenicisch woord voor
Heer.
° God (algemeen).
°
HERE, HEER of HEERE (HEER wordt in de
NBV gebruikt).
° De Eeuwige.
° De Heilige Naam (ook wel: nomen sacrum).
° Jahwe of Jahweh (redelijk algemeen).
° Adonai - mijn Heer (niet echt algemeen).
° Elohiem (deze naam werd oorspronkelijk in het Oude Testament
gebruikt).
° Aanwezige.
° Enige.
° Levende.
° De Naam.
° Onnoembare.
° De Almachtige.
° Jehova of Jehovah (Onder andere bij
Jehova's getuigen).
° Eeuwige Vader.
* Herkomst en mogelijke
betekenis:

Het Tetragrammaton in het Oud Hebreeuws (1100 v. Chr. tot
AD 300),
Aramees (10e eeuw v. Chr. tot
1 v. Chr.) en in modern
Hebreeuws.
* De naam YHW:
De naam Yhw ("Yhw in het gebied
van de
Shasu") duikt voor het eerst op in
Transjordanië, vanaf
1400 v.Chr., namelijk in Egyptische teksten van
Amenhotep III die
verwijzen naar een volk dat daar leefde (ref.
Donald B. Redford).
Stammen werden wel meer geïdentificeerd aan de hand van de godheid
die zij aanhingen. In dit geval zou Yhw duiden op Yaw of Yahu, de
naam waarvoor de vroegere El door een stam werd ingeruild. In de
aanroeping Hallelu-Yah weerluidt de kreet Ere zij Yah. Veel
persoonsnamen van deze stam die eerder el bevatten (Elia, Natanaël),
kregen nu ya als suffix. El zou dus de evolutionaire voorloper zijn
van Jaweh.
Latere teksten in
Ugarit opgegraven komen volgens taalgeleerden qua
stijl erg dicht bij die van de
Tenach en vermelden El en Baäl ("de
Heer") tezamen.
Het vroeg Hebreeuws lijkt bovendien heel erg op het
Ugaritisch.
De latere profeten van het
Oude
Testament
verketterden
Baäl als een valse god en vijand om zo het
verband tussen Baäl en El te ontkennen.
* Het werkwoord HWH:
Qua
etymologie houdt de naam
waarschijnlijk verband met een oud Hebreeuws werkwoord 'zijn' (HWH);
de betekenis is dan: 'hij is' of 'hij zal zijn' (derde persoon
mannelijk enkelvoud, onvoltooide tijd). Vormen van dit werkwoord
zijn verder betrekkelijk zeldzaam, in tegenstelling tot de
(modernere?) stam HJH die hetzelfde betekent maar juist veel
voorkomt. JHWH kan ook een verbuiging zijn van de causatieve vorm
van HWH, 'hi·wah' (vormen, veroorzaken te zijn); de naam betekent
dan 'hij veroorzaakt (zal veroorzaken) te worden'.
In de
Thora (Exodus hoofdstuk 3) wordt beschreven dat Mozes aan God
vroeg met welke naam Hij aangeduid wilde worden, voor het geval de
menigte die naam wilde weten. Opmerkelijk is dat de verbuiging van
de eerste stam traditioneel is vertaald met 'Ik zal zijn', en de
verbuiging van de tweede stam niet met 'Hij
zal zijn' maar met 'HEERE' (JHWH):
En God zei tegen
Mozes:
"Ik zal zijn die ik was", en Hij zei: "Het volgende zul je
zeggen tegen de zonen van Israël: 'Ik zal zijn heeft mij naar jullie gestuurd'"
.
En God zei verder tegen Mozes: "Het volgende zul je zeggen
tegen de zonen van Israël: 'JHWH, God van jullie vaders,
God van Abraham, God van Izaak en God van Jakob, Hij heeft mij
naar jullie gestuurd'; dit is Mijn Naam voor eeuwig, en dit is
Mijn aandenken voor generatie (en) generatie"!
*
Uitspraak:
De juiste uitspraak van JHWH is
onderwerp van discussie. Het Hebreeuws werd namelijk zonder klinkers
geschreven.
Flavius Josephus schreef over de 'vier klinkers' van de
Naam, waarvan je de uitspraak zou kunnen reconstrueren door te
vergelijken met woorden waarvan de uitspraak bewaard gebleven is,
zoals JHWDH (Jehoeda).
JHWH zou dan misschien als 'jehoea' uitgesproken moeten worden.

De Naam mocht slechts eenmaal per
jaar worden uitgesproken: door de hogepriester (kohen gadol) in de
Joodse Tempel tijdens de offerdienst van
Jom Kipoer.
Aangezien die Tempel al bijna 2000 jaar niet meer bestaat en er al
even lang geen hogepriester meer is, is de uitspraak van de naam,
die van hogepriester op hogepriester werd overgedragen en voor de
rest van de joden altijd geheim is geweest, bij de verwoesting van
de tweede joodse Tempel verloren gegaan.
Dit verbod op het uitspreken van deze Naam op andere momenten dan
tijdens de offerdienst door de hogepriester op Jom Kipoer had te
maken met het zware verbod dat de Tora geeft voor het onnodig
uitspreken ervan. De rabbijnen beperkten daarom niet alleen het
gebruik, maar ook de kennis van de uitspraak ervan tot enkel de
hogepriester, die het aan de volgende hogepriester doorgaf.
Trouwens, als de naam niet mag worden uitgesproken, spreekt het
vanzelf dat buitenstaanders de naam nooit horen.

YHWH (Tetragrammaton)
Het Hebreeuws wordt vanouds alleen met medeklinkers geschreven. In
latere tijd werden er klinkertekens toegevoegd als hulp bij de
uitspraak. Deze klinkers horen dus niet bij de heilige,
oorspronkelijke tekst. Omdat het verboden was de naam 'JHWH' uit te
spreken, zei men bij het voorlezen van teksten meestal 'adonai'
(Heer) als er 'JHWH' stond. De
masoreten hebben daarom bij het
overschrijven van teksten van de
Tenach de naam 'JHWH' meestal
voorzien van de klinkers van 'adonai'. In veel gevallen staat er 'Adonai
JHWH' en in die gevallen werden de klinkers van het woord 'elohim'
(God) ingevoegd, zodat men de woordcombinatie niet als 'adonai
adonai' uitsprak, maar als 'adonai elohim'.
Door de combinatie van de medeklinkers van 'JHWH' met de klinkers
van 'adonai' is de naam Jahowah of Jehova(h) ontstaan.
De religieuze groepering
Jehova's getuigen heeft zich naar deze
uitspraak van JHWH genoemd. Hierdoor wordt de naam Jehovah meestal
met de Jehova's getuigen geassocieerd, hoewel reeds ver voor het
ontstaan van dit genootschap het woord Jehovah in de Nederlandse en
Duitse taal werd gebruikt.
Orthodoxe Joden zullen echter nooit proberen de vierletter-naam uit
te spreken. 'God' wordt door de Joden vaak geschreven als 'G'd' of
'G-d', maar dat wordt gewoon als 'God' uitgesproken.
* Gebruik in vertalingen:
In navolging van de joden is in
veel Bijbelvertalingen de naam JHWH vervangen door Heer, bedoeld als
vertaling van 'Adonai'. Toch kan men aan het lettertype soms nog
zien of er oorspronkelijk in het Hebreeuws JHWH of Adonai stond:
| |
Elohim |
Adonai |
JHWH |
Adonai JHWH |
JHWH Elohim |
JHWH Sebaoth |
|
Geoorloofde uitspraak |
Elohim |
Adonai |
Adonai Elohim |
Adonai Sebaoth |
|
King James |
God |
the Lord |
the LORD |
the Lord GOD |
the LORD
God |
the Lord of hosts |
|
Statenvertaling |
God |
de Heere |
de HEERE |
de Heere HEERE |
de HEERE
God |
de HEERE
der Heirscharen |
|
NBG 1951 |
God |
de Here |
de HERE |
de Here HERE |
de HERE
God |
de HERE
der Heerscharen |
|
NBV 2004 |
God |
de Heer |
de
HEER |
God, de
HEER
HEER,
mijn God |
God, de
HEER |
de
HEER
der hemelse machten |
|
Nieuwe-Wereldvertaling |
God |
de Heer |
Jehovah |
Soevereine Heer Jehovah |
Jehovah God |
Jehovah der legerscharen |
Het verschil tussen Adonai
en JHWH is in veel vertalingen dus zichtbaar (niet hoorbaar) doordat
het laatste in
KLEINKAPITAAL wordt geschreven. Dat is een iets
kleinere hoofdletter dan de gewone hoofdletter.
In de NBV staat
zelfs de beginletter van HEER in kleinkapitaal.
De Jehova's getuigen daarentegen gebruiken nog steeds JHWH, en
vinden dit zo belangrijk dat zij in hun
Bijbelvertaling, de
Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift, deze naam zelfs in
het in het Grieks geschreven
Nieuwe Testament toevoegen, terwijl het tetragrammaton niet voorkomt in de Griekse versies die ten grondslag
liggen aan hun vertaling. Omdat er zeer oude afschriften van de
Septuaginta, de Joodse vertaling van de
Tenach in de
Griekse taal,
bestaan waarin JHWH voorkomt, denken zij dat de schrijvers van het
Nieuwe Testament in hun aanhalingen van het
Oude Testament dit
tetragrammaton hebben overgenomen.

Tetragrammaton.
Ook in nieuwtestamentische citaten uit het
Oude Testament (Tenach),
waar men de naam van God zonder enig bezwaar correct zou kunnen
hebben geciteerd als JHWH, blijkt men in de – Griekstalige –
grondtekst toch de voorkeur te hebben gegeven aan het Griekse
"S". Hier zou de
Septuaginta van invloed kunnen zijn geweest.
Zo wordt de profeet
Joël geciteerd (Joël 2 vers 32 in de meeste
vertalingen, ofwel Joël 3 vers 5 in de
Biblia Hebraica en in de
Willibrordvertaling) door de apostel
Petrus in
Handelingen 2 vers 21
en door de apostel
Paulus in Romeinen 10 vers 13 (zie:Paulus
(brieven). Opmerkelijk is, dat in beide citaten van Joël de weergave
van JHWH als "S" (= HEER) wordt betrokken op de naam SS (=
Jesous, Jesus).
~ Huis van David:

Het Huis van David is het
Judese koningshuis dat begon met de regering van koning David in de
11e eeuw v.Chr. David en zijn zoon
Salomo regeerden over het
verenigde
koninkrijk van Israël.
Na de burgeroorlog waarbij het koninkrijk van Israël zich afscheidde
van Juda waren Davids nakomelingen alleen nog koning van Juda tot de
inname van
Jeruzalem door
Babylon.
In de eeuwen erna verwachtten de
profeten iemand uit het huis van
David die het koninkrijk weer zou herstellen en de 'heidenen' zou
onderwerpen. Dit zou de
Messias zijn. Volgens het
Nieuwe Testament
behoorde
Jezus tot het Huis van David. Tijdens de
Joodse oorlog van
66 tot
70 vermoordden de
Romeinen iedereen die ze ervan verdachten
tot het huis van David te behoren.
* Koning David:
David
en Goliath.
David was volgens de
Hebreeuwse Bijbel de tweede
koning van het
Koninkrijk Israël.
* David volgens de
Hebreeuwse Bijbel:
Over David's leven valt te lezen in de
(Hebreeuwse) Bijbelboeken
I Samuël,
II Samuël alsmede
I Kronieken en
de eerste twee hoofdstukken van
I Koningen. Hij was de stamvader van
het
Judese koningshuis, het huis van David, en regeerde van
1010 v.Chr. tot
970 v. Chr.
.
Hij was de jongste zoon in een groot gezin en werd in zijn jeugd
geacht op de schapen te passen - vanwege het verschijnen van
roofdieren geen ongevaarlijke baan, die desondanks in weinig aanzien
stond. Onverwachts werd hij gekroond tot de opvolger van de toen
heersende
koning Saul. Het zou echter nog jaren duren voordat hij de
troon besteeg.
Zijn eerste beschreven wapenfeit is het legendarisch vellen van de
Filistijnse reus
Goliath met een steen uit z'n slinger, een wapen
waarmee hij tijdens het hoeden van de schapen ruimschoots had kunnen
oefenen. Na
de slag bij Kadesh en het effect van de
Zeevolken was er
een
machtsvacuüm in het
Midden-Oosten ontstaan, dat David met groot
politiek doorzicht invulde door een rijk voor
Israël te scheppen in
een tijd dat de supermachten
Egypte en
Mesopotamië rustig waren. Hij
regeerde 7,5 jaar vanuit
Hebron en stichtte toen zijn hoofdstad in
Jeruzalem, vlak op de grens der twee staten. Hij veroverde die stad
op de
Jebusieten en liet de
Ark (die door
Saul compleet was
genegeerd wegens de smaad van het verlies) er naartoe halen, om zijn
verblijf daar te bezegelen. Zo bevestigde hij zijn gezag over het
aardse en het hemelse
Jeruzalem, wat een zwaarwegend politiek
statement was.
Zijn succes in het leger en het feit dat David tot zijn opvolger was
gekroond leidde echter tot brandende afgunst van
koning Saul.
Een groot deel van zijn jonge jaren was David op de vlucht geweest
voor de eerste koning.
David wilde trouwen met Sauls dochter, Mikal. Als bruidsschat eiste
Saul, als wraakneming op zijn vijanden, 100
voorhuiden van
Filistijnen. David kwijtte zich zich meer dan uitstekend van zijn
opdracht: hij doodde 200 Filistijnen en kwam met hun voorhuiden
terug naar de koning; dan geeft Saul hem zijn dochter Mikal tot
vrouw.
Pas na Sauls dood (waarin David overigens geen aandeel had) kwam
David aan de macht, maar alhoewel zijn koningschap stabiliteit en
militair succes bracht, kreeg hij het later weer bijzonder moeilijk
door het optreden van sommige van zijn (al te ambitieuze) zoons
waaronder
Absalom. David was een grote liefhebber van vrouwen en
hoewel niet expliciet verboden in de
Thora wordt
polygamie eerder
afgeraden dan gestimuleerd.
De reden hiervoor was dat 'veelwijverij'
bijna onvermijdelijk tot spanningen, afgunst en intriges tussen de
diverse vrouwen en ook tussen hun respectievelijke kinderen lijdt.
Dit bleek ook het geval bij de vele zonen van David te zijn die
bijna allemaal verschillende moeders hadden:
° de eerste: Amnon,
van Ahinoam, de
Jizreëlitische;
° de tweede: Daniel, van
Abigaïl, de weduwe van Nabal;
° de derde:
Absalom, van Máächa, dochter van de koning van
Gesur;
° de vierde:
Adonia, van Haggith;
° de vijfde: Sefatja, van Abithal;
° de zesde: Jithream, van zijn huisvrouw Egla;
° daarna volgden: Simea, Sobab,
Natan en
Salomo, van
Bathseba, weduwe van
Uria; en daarna Jibchar, Elisama,
Elifelet,
Noga, Nefeg, Jafia, Eljada en hun zuster Thamar.
Deze allen zijn zonen van
David, behalve de kinderen van de
bijvrouwen.
Zijn zoon,
koning Salomo, bouwde uiteindelijk de
Tempel van
Jeruzalem, iets wat David dolgraag zelf had willen doen, maar wat
hij vanwege zijn bloedige veldslagen van God niet mocht.
Deze tempel werd later door de Romeinen verwoest, onder bevel van
keizer Nero.
* Psalmen:
Een groot deel van de
Psalmen
zou door hem zijn geschreven, waarin hij getuigt van zijn vertrouwen
op God. Zeer bekend is bijvoorbeeld
Psalm 23 (("De Heer(JHWH) is mijn
herder")), maar ook bekend zijn onder meer
Psalm 103 ("Prijs de Heer,
mijn ziel") en
Psalm 131 ("Heer, niet trots is mijn hart").

* Beoordeling:
In de
Hebreeuwse Bijbel wordt
David over het algemeen gezien als een man die 'wandelde met
God',
hoewel hij ook ernstige fouten beging. Vooral zijn grote verzameling
vrouwen en de manier waarop hij bijvoorbeeld
Bathseba van haar
eigenlijke echtgenoot
Uria afhandig maakte (door deze de dood in te
sturen) worden sterk veroordeeld, als ook een door hem op touw
gezette telling van de bevolking.
Wat in het voordeel van David pleitte, was dat wanneer hij met zijn
fouten werd geconfronteerd, hij deze erkende, berouw toonde en God
om vergeving vroeg. Dit deed zijn voorganger Saul niet. Daarom
toonde God zich ook vergevensgezind en beloofde dat zijn dynastie
het koningshuis van de
Israëlieten zou blijven (2 Samuël 7:16). Wel
zou het zo zijn dat vanwege zijn zonden "...moord en doodslag in je
koningshuis om zich heen grijpen, omdat je mij hebt getrotseerd en
de vrouw van
Uria tot vrouw hebt genomen" (2 Samuël 12:10), oftewel
hij zou het nodige te stellen krijgen binnen zijn familie (staat
verderop in de
Hebreeuwse Bijbel ook zo beschreven).
* Historiciteit:
Archeologische bewijzen voor
koning David en zijn wereld zijn er nauwelijks; in feite is er over
de periode tussen de zestiende en de
achtste eeuw v.Chr., ondanks
vele opgravingen en onderzoekingen, maar heel weinig gevonden. De
bevolking van de landstreek
Judea bestond waarschijnlijk slechts uit
enkele duizenden nomadische herders. Steden zijn niet gevonden, wel
een twintigtal dorpen. Of er in de tijd van David (dat zou dus de
tiende eeuw zijn) een staat in
Palestina bestond is omstreden; er
zijn zelfs geen potscherven uit deze tijd bekend. Wel bestaan er
inscripties uit ongeveer
850 v.Chr. (Tel Dan-stele, Mesa-stele)
waarop het heersershuis van Israël als 'Huis van David' omschreven
wordt - maar ook deze interpretaties worden aangevochten.
Sommige historici nemen aan dat koning David als historische figuur
zeker heeft bestaan, maar dat (net als bijvoorbeeld bij Koning
Arthur) veel van de verhalen over zijn leven eerder tot de
mythen
behoren, en
niet als harde
geschiedschrijving moeten worden
beschouwd.
Er zijn in de
Bijbel drie versies over de opkomst van David als
koning. Volgens sommigen klopt het verhaal van zijn verblijf in
Ein Gedi zeker niet: deze nederzetting is pas in de
7e eeuw v.Chr.
gesticht. Echter, David hield zich niet op in een nederzetting maar
in rotsspleten bij En Gedi, (Hebreeuws - bron van het
geitje). Dit "En Gedi" hoeft geen nederzetting te zijn.
En Gedi is
ook de naam van de oase waarin nederzetting En Gedi ligt. Vandaar
ook de naam "Bron van het geitje". Aangezien de bron en oase een
stuk ouder zijn dan de latere nederzetting kan het mogelijk zijn dat
werd gedoeld op de bron en niet op een toen nog niet bestaande
nederzetting.
* David in het christendom:
Voor christenen is David
belangrijk omdat hij een verre voorvader van
Jozef van Nazareth
zou
zijn, de stiefvader van
Jezus. Verschillende
profetieën in
het Oude
Testament voorspelden dat de beloofde
Messias een afstammeling van
koning David zou zijn. In
het Nieuwe Testament in het
Evangelie naar Matteüs hoofdstuk 1 wordt de stamboom van koning David naar Jozef
uitgewerkt. Maar ook de moeder van Jezus,
Maria,
zou volgens het
geslachtsregister een nakomeling van David zijn (evangelie naar
Lucas hoofdstuk 3). Hierdoor draagt Jezus mede de titel "Zoon van
David" en krijgt de koninklijke
dynastie van David een
eeuwigheidsdimensie.
* David in de Koran:
In de
Koran heet David Dawud. In de
islam wordt David als een van de
profeten van de islam
beschouwd en als boodschapper van de
Zaboer. Ook het gevecht tegen
de reus
Goliath (Djalut) is in
Soera
De Koe 251 terug te vinden.
David zou de funderingen voor de
Rotskoepel in Jeruzalem hebben
gelegd.
* Spreekwoordelijk:
"David tegen Goliath" wordt
gebruikt wanneer men spreekt van de kleine slimmerd tegenover de
domme krachtpatser.

~ Ouroboros:

De naam ouroboros komt uit het
Grieks ("ßó") en betekent staart-eter. Het is een symbool uit
de
alchemie, en een van de oudste
mythische
symbolen ter wereld. Het
komt voor in de
Azteekse mythologie, de
Chinese mythologie en in, zo goed
als, alle andere.
Het is een afbeelding van een slang of een draak die in zijn eigen
staart bijt (deze opeet) en op die manier een eeuwige cirkel vormt.
Het symboliseert de
cyclische aard van de natuur, het eeuwige
terugkeren en de eenheid van alles. In sommige afbeeldingen is de
slang half lichtgekleurd (of wit) en half donkergekleurd (of zwart)
wat een twee-eenheid voorstelt, zoals
Yin & Yang. Maar er zijn talloze
vormverschijningen van deze Oerslang. De
Noorse mythologie kent ook
zo'n slang, hij heet daar Jörmungandr, Jormungand of Midhgardhsormr
(Midgaardslang).
En het bekende Indase beeld van
Shiva Nataraja staat midden in de
cirkelvorm van een Ouroboros. Ook
Cernunnos heeft de oerslang vast in
z'n linker hand.
Draak van jade,
Hongshan cultuur uit het
neolithicum.
De slang die
haar eigen staart opeet kan worden teruggevonden in het
Oude Egypte
van circa
1600 v.Chr.. Maar de varkensdraak van de Hongshan cultuur
uit
4700-2200 v.Chr. in China is ouder. (Zhulong, in het Chinees
en Pig dragon in het Engels). Ze zijn uit jade en hebben mogelijk
hun weg gevonden via de aloude
zijderoutes. Uit het Oude Egypte werd
het symbool overgeleverd aan de
Feniciërs en dan aan de
Griekse
filosofen, die er de naam Ouroborus ("zelfverslinder") aan gaven.
Ouroboros komt als symbool ook voor in het vroege fantasyboek
De
Worm Ouroboros (boek) door
E.R.(Eric Rucker) Eddison en in de
Amerikaanse televisieserie Millennium. Het is ook een belangrijk
element in 'Het oneindige verhaal' van
Michael Ende, al is het daar
niet één slang die zich in zijn eigen staart bijt, maar is het een
tweetal slangen, die elkaar in de staart bijten.
~ Oerslang:
Tiamat bevochten door
Marduk (Babylonisch zegelafdruk),
uit de
Mesopotamische mythologie.
De Oerslang is
een begrip dat in talloze
mythologieën terugkeert in licht
gevarieerde vorm al naargelang de plaatselijke
cultuur.
Het betreft telkens een (bijna)
oppermachtig oerwezen dat zich in de
oeroceaan ophoudt.
De Oerslang is doorgaans een symbool voor oorspronkelijke
levenskracht, vruchtbaarheid, beweeglijkheid,
regeneratie. Zij wordt
als dusdanig als vrouwelijk aanzien en is aanvankelijk dan ook sterk
verbonden met de
Moedergodincultus. Later wordt zij wegens haar
belang als concept ook in andere
cultussen overgenomen, zij het vaak
in negatieve termen.
De slang neemt in
mythen in het algemeen deze symbolische betekenis
aan, omdat zij in staat blijkt zichzelf te regenereren en het
vervellen wordt beschouwd als een wederopstanding uit de dood.
Gezien haar respectabele leeftijd als oudste wezen in de kosmos
wordt ook grote wijsheid met de Oerslang of 'Kosmische slang'
geassocieerd. Zij vertegenwoordigt vrijwel alle kennis die de natuur
zich doorheen haar ontelbare jaren heeft eigen gemaakt.
In vrijwel alle
mythologieën vergaat het deze slang niet zo best.
Zij wordt al snel tot afschuwelijke draak
gedemoniseerd die dan door
later ontstane godheden wordt bestreden en bedwongen. Meestal staat
de Oerslang ook voor het vrouwelijke aspect van de natuur en
vertegenwoordigen deze 'strijders' godheden eerder een
patriarchaal
mannelijk aspect.
In sommige mythologieën verraadt de mythe ook herinneringen aan een
onderliggende of zelfs uitgebroken strijd om de macht in de
samenleving tussen aanhangers van het 'oude' en van het 'nieuwe'
geloof met bijhorende gebruiken en visie op de sociale orde.
* Voorbeelden van verzinnebeelding
van de Oerslang:
°
Naga, goddelijke
Ka of Adi Sesha in
Indiase mythologieën.
°
Naunet in de
Egyptische mythologie, later
Apepi.
°
Nammu in de
Sumerische mythologie.
°
Tiamat in de
Mesopotamische mythologie.
°
Lahmu en Lahamu in de
Akkadisch
Babylonische mythologie.
° Slangengodin in de
Minoïsche mythologie.
° Ouroboros in de oude
Griekse mythologie.
°
Illuyankas in de
Hettitische mythologie.
° Perzische draak
Azhi Dahaka (Grote Slang in het
Oud-Iraans)
in de
Perzische mythologie.
°
Leviathan in de
Hebreeuwse mythologie.
°
Midgaardslang in de
Noordse mythologie.
°
Ladon in de latere
Griekse mythologie.
°
Quetzalcoatl in de
Azteekse mythologie.
°
Gucumatz - 'Gevederde Slang' in de
Mayamythologie,
scheppergod (Popol Vuh).
°
Regenboogslang in
West-Afrika en bij de
Aboriginals.
°
Aido-Hwedo in de West-Aftrikaanse mythologie.
°
Chinese draak in de
Chinese mythologie en folkore.
°
Nidhogg in de
Noordse mythologie.
°
Kur in de
Akkadische mythologie.
~ Slangencultus:
De
slangencultus vormt niet alleen een verspreide
cultus op zich die
met
voorouderverering heeft te maken, maar is ook vaak onderdeel van
een
moedergodincultus. Zij spelen vanouds een rol bij
orakels. De
slang wordt gezien als
incarnatie van levenskracht, genezing en
voortplantingsvermogen, van wijsheid en van de natuur zelf, die
gesymboliseerd wordt in de mythische Oerslang.
* Huiscultus:
Doordat de slang haar oude huid
achterlaat is zij symbool voor wedergeboorte en onsterfelijkheid.
Als huisslang kon zij de zegen van de zielen van voorouders
vertegenwoordigen. Die werden ook via de slang als huisorakel
geraadpleegd voor raad. In tal van sagen komen gekroonde slangen
voor, die met melk gevoed worden en een rol spelen bij het geloof
aan genezing en wedergeboorte en die de mens al dan niet wijze raad
influisteren. De slangen werden gehouden in aarden potten met
deksel,
slangenkokers genaamd.
Archeologen hebben er talloze opgegraven in het
Midden-Oosten.
* Tempelcultus:
De cultus van de slang gaat
terug tot een heel ver verleden in het
Neolithicum of nog verder,
waar de Oerslang het opperwezen vertegenwoordigde waaruit de hele
kosmos ontstond. Dit
opperwezen werd uiteraard aanvankelijk als
vrouwelijk gezien en het
oerwater als haar vruchtwater. Vanwege haar
generatievermogen en haar levendigheid was de symbolische associatie
met de slang voor de hand liggend in landen waar deze dieren
veelvuldig aan de oevers van zwellende rivieren voor komen, die
tegelijk voor de vruchtbaarheid van het land zorgen. Het alledaags
leven in het land en zijn hele organisatie was op de gunst van
vruchtbaarheid brengend rivierwater gesteund.
De talloze slangen die bij het wassen van de rivier prolifereerden
werden als afstammelingen van de Oerslang aanzien, die in feite de
hele evolutiestamboom had voortgebracht. De associatie tussen slang
en
levensboom werd dan ook al heel vroeg gemaakt en heiligdommen
werden gelokaliseerd op hoogten waar zich een vruchtbare boom
bevond. Aanvankelijk waren het cultusplaatsen in riet of hout, later
werd dit materiaal door leem of steen vervangen.
Deze
tempels kregen ook altijd een
vruchtdragende boom vlakbij, of
zelfs een hele boomgaard, en hadden hun eigen slangen. De slangen
werden gebruikt bij grotere en kleinere
orakels (zoals
oorspronkelijk in
Delphi) en hun gif werd, eventueel gemengd met
organische
stoffen, in zekere dosissen als medicijn aangeboden. Sommigen
beschouwden een mengsel van slangengif en bloed als een
levenselixir.
Zo ontstond de esculaapslang, gewijd aan
Asclepius, de god van de
geneeskunde. De tempels hadden ook een functie als regeneratie- en
genezingsplaats. Maar hun voornaamste functie was een huis op aarde
te zijn voor de godin. Daar konden rituelen gehouden worden om de
godin te danken, gunstig te stemmen en raad te vragen.
* Slangencultus
overal ter wereld:

Algemeen bekend is de Ouroboros, die
hoort bij het
element water, de slang die in haar eigen staart bijt.
Oudere
mythologieën kennen ook een duister positief aspect van de
slang, die in relatie staat met
Moeder aarde en de
onderwereld.
Mami Wata, speelt een belangrijke rol in verschillende Afrikaanse en
Afrikaans-Amerikaanse religies.
In het christendom wordt de
slang in verband gebracht met het kwade (de duivel).
Denk hierbij aan de
mythe van
Adam en Eva.
In het Westers paganisme houdt
Cernunnos de oerslang vast in z'n linker hand.
*
India:
In het Oude India bestond de
slangencultus al en is er voortgezet tot op vandaag. Toen
Anawrahta
als eerste koning regeerde verdreef hij, na te zijn bekeerd tot het
boeddhisme, de priesters die de slangencultus aanhingen.
* Egypte:
Zowel de oude Egyptenaren als
de Babyloniërs kenden een slangencultus.
In Egypte was er niet alleen de
Cobragodin, maar ook het
Uraeussymbool dat ervan werd afgeleid. Dit symbool sierde de hoofden
van goden en farao's en zou naar de oorspronkelijke
regeneratiekracht van de godin verwijzen.
* Mesopotamië:
Volgens archeoloog
Stephen
Langdon, die een aantal van de vroegste opgravingen van
Sumerië
leidde, was
Inanna aanvankelijk bekend als Ininni en zeer nauw met
de slangencultus verbonden. Zij werd "De Goddelijke Moeder die de
Wetten uitvaardigt" genoemd. Ninna was mogelijk een vroegere vorm
van de naam van Inanna en was volgens hem in de oudste Sumerische
perioden een slangengodin. Verschillende beelden opgegraven in
Sumerië en daterend van circa
4000 v.Chr. geven een vrouwenfiguur
met een slangenhoofd weer.
* Elam:
Dr. Walther Hintz verwijst naar
een streek nabij
Elam en zegt dat daar in de vroegste tijden de
Godin het oppergezag had: "Deel van dit eigenste (in Elam) bestaat
uit een ongewone verering en respect voor het eeuwig vrouwelijke en
de verering van slangen, die haar wortels in de magie heeft". Ook de
versiering van het
aardewerk van
het vierde en het
derde millennium v.Chr. krioelt volgens hem van de slangen.
* Kreta:
Op
Minoïsch Kreta werd de
slangengodin gevonden. Paradoxaal genoeg komen op
Kreta weinig
slangen voor, zodat de slangencultus daar waarschijnlijk niet
inheems was, maar ingevoerd van elders. De nadrukkelijk kegelvormige
bouw, de grote ogen en zware, gewelfde wenkbrauwen doen denken aan
een mogelijke verwantschap - ver en indirect, misschien via
Klein-Azië - met de
Mesopotamische kunst.
Onbewust is met de
Ionische zuilen het spiraalmotief wereldberoemd
geworden, dat is ontstaan op
Kreta als weerslag van de vrouwelijke
slangencultus.
* Filistijnen:
Slangencultus voorwerpen uit
meerdere plaatsen in de
Levant worden aan de
Filistijnen
toegeschreven. In de tempels van
Beet She'an zijn diverse
cilindervormige cultusstandaarden gevonden, versierd met slangen, en
men vond er ook
slangenkokers in de tempelruïne van de godin.
* Feniciërs en Hebreeën:
Aan
de
Fenicische god-slang-genezer
Eschmun, die te vergelijken is met
Asclepius, was in Obot een heiligdom gewijd. In de onmiddellijke
omgeving bevonden zich de kopermijnen van
Punon. De koperen slang
van Mozes, die 700 jaar later door David in de tempel werd
geplaatst, zou haar oorsprong gevonden hebben in het gebied, waar
zich zowel een koperindustrie als de slangencultus van
Eschmun
bevonden.
Sir William Flinders Petrie schreef over vermoedelijke
orakels
in de omheinde ruimten van het
Serabit complex, gelegen op het
schiereiland
Sinaï, tussen het
Oude Egypte en
Kanaän, waar ook de
lapis lazuli werd gewonnen en waar een tempel voor
Hathor was
gebouwd. De Bijbel onthult een relatie met de moedergodincultus
aangezien deze slang bewaard werd in dezelfde tempel waar in
700 v.Chr. ook de offerschalen voor Ashtoreth en Baäl te vinden waren,
de Asherah, het huis van de heilige vrouwen en de vrouwen die
Tammuz
beweenden.
Koning Hizkia verbrijzelde Mozes’ exemplaar omdat zijn onderdanen
nog steeds door de Midianitische slangencultus werden beïnvloed.
Tot de inname van
Jeruzalem door David, vierden de
Jebusieten hun
Kanaänitische slangencultus.
* Rome:
In het Romeinse rijk zien we
een slangencultus in de stad
Pella, waar duizenden mensen op af
komen voor genezing en/of toekomstvoorspelling.
* Amerika:

De slangencultus is ook zeer
oud in
Meso-Amerika. Er zijn voorstellingen van slangen met
vogeleigenschappen zo oud als het
Olmeekse preklassieke tijdperk.
De slang komt ook bij de
Azteken,
Tolteken en
Maya’s terug; hun
ondergang werd ingeluid met de dood van de slangenvrouw. En dan is
er het welbekende beeld van
de gevleugelde slang, als
archetype, de
relatie tussen vuurceremonie en een wedergeboorte, het begin van een
nieuw tijdperk.
* Cihuacoatl:
Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe
en
Tonantzin worden in verband gebracht met slangen.
Cihuacoatl was een
Azteekse
vruchtbaarheidsgodin.
Ciahuacoatl betekent Slangevrouw in
het
Nahuatl.
Samen met
Quetzalcoatl
zou ze de huidige
mensheid hebben geschapen, door botten van mensen
uit vorige tijdperken te vermengen met bloed.
Cihuacoatl werd geassocieerd met
het baren van kinderen
en werd vaak afgebeeld met speren en een schild. De
Azteken vergeleken het baren van kinderen met het
voeren van oorlog en vrouwen die bij het baren van
kinderen overleden gingen dan ook naar dezelfde
hemel als waar krijgers die op het slagveld
overleden naartoe gingen. Cihuacoatl was de leidster
van de
cihuateteo,
de geesten van vrouwen die in het kraambed zijn
gestorven.
Cihuacoatl werd gezien als de
moeder van
Mixcoatl,
die zij op een kruispunt achterliet. Zij keerde daar
regelmatig terug om haar zoon te betreuren, maar
trof slechts een
offermes
aan. Mogelijk is dit de
oorsprong van de
legendes
rond
La Llorona.

  
Cernunnos met
torque en slang.
  

Bron:
Wikipedia

 |