Bijbelse Zondvloed?

De zondvloed, zoals in de Bijbel beschreven, is een verzinsel!
De zondvloed heeft
inderdaad plaats gehad, maar niet in hun context!

Het verhaal van de Ark is geen typisch Christelijk of Joods verhaal.
Zo is er, onder andere, eveneens sprake van in het Gilgamesh epos en in een beroemd Sumerisch epos vinden we ook een zondvloedverhaal terug, dat wel erg gelijkend is met het relaas uit Genesis, namelijk het "Utnapishtim" epos. En er zijn er nóg meer!

~ Zondvloed:

Zondvloedverhalen komen in meerdere culturen voor. Het woord 'zondvloed', afkomstig van het
Middelnederlandse sintvloed, betekent oorspronkelijk aanhoudende vloed, maar doordat het volksetymologisch in verband werd gebracht met het begrip zonde, door toedoen van de Kerk is het eerste lid vervormd geraakt.

Zondvloed in verschillende culturen en religies

* Zondvloed in de Bijbel en de Koran:

In het eerste boek van de Bijbel, Genesis, staat het verhaal van de zondvloed. Er wordt verteld hoe God aan Noach de opdracht geeft een ark te bouwen. Er zal een grote vloed komen die alle leven, mens en dier zal vernietigen omdat er groot onrecht en ongeloof onder de mensen is ontstaan. Van alle dieren neemt Noach een paar aan boord. Nadat Noach met zijn vrouw en kinderen aan boord gegaan is, komt er inderdaad een grote vloed die alles vernietigt. Na honderd vijftig dagen ronddobberen zendt Noach een raaf uit (deze komt niet terug). Dan zendt hij een duif uit om te zien of er al ergens land is. De duif keert terug met niks, de volgende met een olijftak en de derde komt niet terug. Zo weet Noach dat de wereld weer bewoonbaar is. Uiteindelijk strandt Noach in het Ararat gebergte. De identificatie met de berg Agri Dagi in Koerdistan is middeleeuws. Volgens de traditie is Noach op de gelijknamige berg op de grens van het huidige Turkije en Armenië gestrand, hoewel meer en meer geleerden geloven dat het één van de andere bergen in het Ararat gebergte is, zoals de berg Cudi Dagh. Van Noachs drie zoons stammen alle latere mensen af. Van Sem zouden de Semieten, van Cham de mensen van Afrika en van Jafet de mensen van Europa afstammen.

Na afloop van de zondvloed werd de regenboog door God ingesteld als teken dat er geen zondvloed meer zou plaatsvinden. Orthodoxe joden zullen, als ze een regenboog zien, altijd een kort gebed, een 'broche', als dank uitspreken.

Dezelfde zondvloed wordt ook genoemd in verschillende soera's van de Koran, zoals in soera Jonas 73. De strekking van deze ayaat is doorgaans dat het gewaarschuwde volk van Nuh niet luisterde en verklaarde Gods tekenen voor leugen, waarna God hen liet verdrinken. In tegenstelling tot de Bijbelse visie van een algehele overstroming van de hele aarde, wijst tafsir van de Koran uit dat het slechts betrekking heeft op het gewaarschuwde volk van Nuh.

Soera De Gelovigen geeft de geschiedenis van Nuh. Hierin is sprake van de Goddelijke opdracht tot de bouw van een schip en de soera maakt verder duidelijk dat ook de Koran uitgaat van het samenbrengen van tweetallen van alle wezens.

Een andere zondvloedvertelling is te vinden in de vijftiende-eeuwse Dürr-i Meknûn van Ahmed Bican Yazicioglu. Ken‘an, een van de zonen van Nuh, weigert mee te gaan met de Ark. Hij probeert daarop de zondvloed op eigen houtje te overleven in een soort duikerklok. Deze ongehoorzaamheid wordt door God zwaar bestraft met een bovennatuurlijke blaasontsteking en Ken‘an verdrinkt in zijn eigen urine in de duikerklok.

* Sumerisch:

Kleitablet met op tablet 11 van het Gilgamesjepos een Akkadisch zondvloedverhaal  >>>

De Bijbel en de Koran zijn niet de enige bronnen van dit verhaal, het verhaal van de grote overstroming komt in vele culturen voor. Uit veel oudere geschreven bronnen, bijvoorbeeld het Sumerische Gilgamesjepos en het nog oudere Atrahasis-epos is het ook bekend, met uitgestuurde vogel en al. De Sumerische geschiedkundige bronnen bevatten een lijst met koningen waarvan de eerste dynastieën van voor de zondvloed stammen. In Mesopotamië werd de zondvloed dus als een historisch feit beschouwd.
Een fragment van tablet 7 van het Gilgamesjepos is gevonden in Megiddo, bij Haifa in Israël.

* Masai (Oost-Afrika):

De Masai vertellen van Tumbainot, een rechtvaardig man, die een vrouw genaamd Naipande had en drie zonen: Oshomo, Bartimaro, en Barmao. De wereld was dichtbevolkt, maar de mensen waren zondig en dachten niet aan God. Toch moordden zij elkaar niet, totdat een man genaamd Nambija een andere man, Suage, doodsloeg. God besloot daarom de mensheid te verwoesten, maar Tumbainot vond genade in Zijn ogen. God gebood Tumbainot een ark te bouwen en die met vrouw en kinderen en dieren van iedere soort te betrekken. Nadat ze aan boord gegaan waren, zorgde God voor een langdurige regenval die voor een overstroming zorgde. Mens en dier stierven uit. De ark dreef een lange tijd en het voedsel erin begon op te raken. Toen de regen stopte zond Tumbainot een duif uit om te kijken of de aarde al droog was. De duif kwam vermoeid terug. Een aantal dagen later liet hij een gier los met een pijl aan een vleugel, zodat de pijl bij het landen zou blijven haken aan gewassen en wat mee zou nemen. De gier keerde terug zonder pijl. Toen de vloed voorbij was landde de ark op de steppe, en de inzittenden stapten uit. Tumbainot zag vier regenbogen, één in elke hoek van de hemel, waardoor hij wist dat Gods toorn voorbij was.

* Indisch:

In India is een zondvloedverhaal bekend uit de Satapatha Brahma, een appendix van de Veda's, met Manu in de rol van Noach of Utnapishtim. Op grond van dit verhaal heeft men berekend dat de zondvloed daar in 3102 v.Chr. plaats gehad zou hebben, maar die datum wordt ook wel gezien als de tijd van de grote Bharata-oorlog, die later plaatsgevonden zou hebben.
Dit wordt beschreven in het belangrijkste Indiase epos de Mahabharata.

~ Griekse zondvloedverhalen:

Bij de Grieken komen ten minste drie grote zondvloedverhalen voor.

° Het eerste verhaal speelt zich af in de tijd van Ogyges, de stichter en koning van Thebe in Boeotië.
° Het tweede is het verhaal van Deukalion en Pyrrha.
° Het derde verhaal speelt zich af in de tijd van Dardanus.

Ook in twee dialogen van Plato, Timaeus en Critias, wordt er gesproken over zondvloeden en de ondergang van het mythische eiland Atlantis. Verder heeft elk verhaal vele varianten.
Tijd waarin de overstromingen mogelijk plaats hadden
Volgens de Romeinse geleerde Varro had de vloed van Ogyges 2100 jaar voordat hij schreef plaats, ongeveer 4000 jaar geleden dus. Preciezer is de schrijver Julius Africanus, die een geschiedenis schreef van de wereld vanaf de schepping tot het begin van onze jaartelling. Hij schrijft dat de vloed van Ogyges 1200 jaar eerder plaats had dan de eerste Olympiade. Die was in 776 v.Chr. dus zou de zondvloed van Ogyges in 1996 v.Chr. moeten hebben plaatsgevonden. Volgens Julius Africanus gebeurde dit ten tijde van de eerste koning van Argos, Phoroneus.

Julius Africanus schrijft ook dat Ogyges een tijdgenoot was van Mozes en hij beschouwt het als zeer logisch dat toen Egypte werd getroffen door de vele plagen, er ook in Griekenland van alles misging, zeker ook omdat de Atheners volgens onder andere de geschiedschrijver Theopompus kolonisten waren uit Egypte en daardoor mede schuld droegen.

Volgens de christelijke geleerde Eusebius vond de grote vloed in de tijd van Ogyges tweeëntwintighonderd jaar na de vloed van Noach en 250 jaar voor de vloed van Deucalion plaats. Het feit dat Eusebius de vloed van Noach als eerste laat plaatsvinden kan verklaard worden doordat hij de Bijbel als ouder en waardevoller zag dan de Griekse mythen.

* Het verhaal van Ogyges:

Het verhaal van Ogyges kent (zoals zoveel Griekse mythen) meerdere versies, waarbij de Atheense en de Boeotische versie de meest bekende zijn.

In de Atheense versie is Ogyges de vader van de Atheense held Eleusis, en de vader van Deaira, de dochter van Oceanus. De verwoesting door de zondvloed die plaatsvond onder de heerschappij van Ogyges was zo groot, dat zelfs de bergen in Thessalië werden overspoeld, en Athene bleef daarna zonder koning totdat Cecrops aan de macht kwam. Cecrops was half slang, half mens en hij wordt ook wel gezien als de grondlegger van de Griekse beschaving.

De Boeotische versie van het verhaal is waarschijnlijk veel ouder dan die van de Atheners en het is dan ook waarschijnlijk dat Ogyges van oorsprong een Boeotische held was die de Atheners hebben overgenomen. In de Boeotische versie was Ogyges de vader van Alalcomenia, Thelxinoea, en Aulis, die later door de Boeotiërs als goden werden vereerd. Als het verhaal inderdaad oorspronkelijk van de Boeotiërs afkomstig is kan het verhaal van Ogyges misschien verklaard worden door een overstroming van het meer Copaïs, waarbij een groot deel van de vlakte van Boeotië onder water kwam te staan.

Tegenwoordig is van het meer alleen nog een grote vlakte over, waar her en der resten van oude steden zijn overgebleven. De meest mysterieuze stad die is overgebleven is de stad die tegenwoordig Goulas of Gla wordt genoemd; de oorspronkelijke naam en de geschiedenis van de stad zijn niet bekend, en er is ook geen enkele mythe over te vinden. De ruïnes staan op een kleine verhoging, die toen het meer nog vol was, een eiland moet zijn geweest. De verhoging wordt geheel omringd door een grote stenen muur, waar vier poorten in zijn gebouwd, die worden geflankeerd door torens. In de stad staan de ruïnes van nog veel meer gebouwen, waaronder een groot paleis dat gebouwd is in de Myceense stijl, maar met een andere plattegrond. Het vreemde is dat het paleis maar een korte tijd in gebruik is geweest. In het paleis zijn sporen gevonden die wijzen op een gewelddadig einde van de vesting.

Er zijn niet, zoals onder andere in Troje, meerdere lagen met bebouwing gevonden, maar slechts één enkele, waardoor sommige mensen beweren dat de plaats al snel ongunstig werd om te wonen, misschien wel door een overstroming van het Copaïs-meer. Sommige archeologen zijn er dan ook van overtuigd, dat deze stad de woonplaats van Ogyges moet zijn geweest.

* Het verhaal van Deucalion en Pyrrha:

Het verhaal van Deucalion en Pyrrha heeft vele varianten. Volgens de schrijver Hellanicus (5e eeuw v. Chr.) landde de ark van Deucalion bij de berg Otfrys in Thessalië. Volgens Apollodorus en Ovidius bij de Parnassus, en volgens een latere Romeinse schrijver zelfs op de Etna, maar de grote lijnen van het verhaal komen over het algemeen redelijk overeen:

De mensen waren zodanig verwilderd en zo gewend geraakt aan misdaad en kwaad dat Zeus vond dat er geen hoop meer was en besloot hen te vernietigen. Zijn bliksemschichten waagde de oppergod evenwel niet te gebruiken omdat de kans bestond dat de vlammen tot aan de hemel zouden oplaaien en ook de woonplaats van de goden zouden verbranden. Daarom besloot hij de aarde te vernietigen met een enorme zondvloed. Hij liet het zo lang regenen tot alle rivieren buiten hun oevers traden en met de hulp van zijn broer Poseidon steeg het water van de zeeën tot het hele land overstroomd was. De mensen zochten hun toevlucht in de bergen, maar zelfs sommige van de hoogste toppen werden overspoeld en degenen die een droge plaats wisten te bereiken stierven van de honger.

Deucalion was de zoon van Prometheus en was getrouwd met Pyrrha, de dochter van Epimetheus en Pandora. Prometheus adviseerde Deucalion een schip te bouwen en daardoor overleefden alleen zij de vloed. Er wordt ook verteld dat ze de vloed overleefden, omdat ze als enigen vroom geleefd hadden, hun gebeden hadden uitgevoerd en hun offers aan de goden hadden gebracht.

Nadat ze een lange tijd hadden rondgedreven bereikten ze uiteindelijk de top van de Parnassus, de enige berg die nog boven het water uitstak. Zeus zag hen daar en besloot hen te redden. Toen het water na en tijdje gezakt was zaten ze daar alleen op een uitgestrekte moddervlakte. Wanhopig gingen ze naar dat wat er over was van het orakel van Themis en vielen op hun knieën en begonnen te bidden. Toen klonk een stem, die volgens Ovidius Metamorphosen zei:

Mota dea est sortemque dedit : 'Discedite templo
et velate caput cinctasque resolvite vestes
ossaque post tergum magnae iactate parentis!

Nadat ze de spreuk begrepen hadden namen ze stenen en wierpen die achter hen. De stenen namen een menselijke gedaante aan, mannelijk of vrouwelijk al naargelang wie ze gooide, Deucalion of Pyrrha.
Deucalion werd koning van zijn nieuwe onderdanen en zijn zoon Hellen werd stamvader van de Hellenen ofwel Grieken.

* Lykaon gaf de aanleiding voor de vloed:

Over de vloed van Deucalion wordt ook het verhaal van Lycaon verteld. Lykaon was de koning van Arcadië en de zoon van Pelasgos. Hij was vader van vijftig zonen. Hij voerde ook de cultus van Zeus Lycaeos in.

Dagelijks ontving hij vreemdelingen gastvrij om hen vervolgens aan Zeus te offeren. Toen Zeus nu eens had gehoord dat de mensen zo vreselijk slecht waren, wilde hij kijken of dat echt zo was en daalde af van de Olympus en bezocht in Lycosura koning Lycaon.

Deze had een beetje last van hybris en wilde Zeus wel eens testen en zette hem daarom een gevangen genomen Molosser (de Molossiërs waren een naburig volk) voor. Maar Zeus had de list door en was zo kwaad dat hij een bliksem op Lycaon afstuurde en deze bliksem veranderde hem in de eerste van de Lycantropen (weerwolven).

Zeus was nu zo kwaad over de mensen dat hij besloot een Godenvergadering bijeen te roepen en daar werd besloten de mensheid te vernietigen met een vloed. De enigen die overleefden, waren Deucalion en Pyrrha.

* Deucalion en Pyrrha (bij de Atheners en in Hiërapolis):

Vele plaatsen in Griekenland claimden op de een of andere manier met de grote vloed van Deucalion te maken te hebben gehad. Zo ook de Atheners. Zij beweerden dat toen de regen losbarstte boven Lycorea, waar Deucalion koning was, deze onmiddellijk vluchtte naar Athene en daar een heiligdom voor Zeus bouwde en dankoffers bracht.
In dit verhaal wordt niet gesproken over een schip of een ark.

In de tweede eeuw na Christus werden in Athene reizigers rondgeleid naar een groot gat in de grond, waar volgens de Atheners al het water na de zondvloed in was verdwenen. Elk jaar werd er daar een festival gehouden waarbij mensen eten en drinken in de kuil gooiden voor de mensen in de onderwereld.

Een dergelijke ceremonie vond ook plaats in Hiërapolis in Klein-Azië. De schrijver Lucianus vertelt hier uitvoerig over. Hij zegt dat de aarde voor de zondvloed bevolkt werd door een ander soort mensen, die bekend stonden om hun slechtheid en wetteloosheid. Deucalion was een van hen, maar hij was anders dan alle anderen. Omdat hij zo verstandig en trouw was ten opzichte van de Goden werd hij gespaard toen besloten werd de mensheid weg te vagen. Deucalion ging aan boord van de ark samen met zijn vrouw en kinderen en toen hij aan boord was gegaan kwamen varkens, paarden, leeuwen, slangen en alle andere landdieren op het schip, in paren. Ze deden elkaar geen kwaad want met de hulp van God waren ze heel vriendelijk tegen elkaar en ze bleven op de ark totdat het water gezakt was.

Behalve dit verhaal hadden de mensen uit Hiërapolis net als de Atheners nog een gat in de grond waar het water van de vloed in verdwenen zou zijn. Deucalion zou een tempel voor Hera gebouwd hebben naast het gat. Bij deze tempel werd er twee keer per jaar door de bevolking water van de zee naar de kuil gebracht en in de kuil naast de tempel gegooid. Hoewel het maar een heel kleine kuil was verdween al het water erin, waarmee het bewijs geleverd was dat dit wel de kuil van Deucalion moest zijn.

Dit verhaal is waarschijnlijk ook beïnvloed door de Babyloniërs en andere volkeren die uit het oosten kwamen.

* Nannacus en de ark in Apamea Cibotos:

Op wel meer plekken in Klein-Azië werden verhalen verteld die te maken hadden met de vloed van Deucalion. Zo was er ooit een man die Nannacus heette, koning van Phrygië was en al meer dan driehonderd jaar oud was. Zijn buren die de oude man blijkbaar zat waren gingen naar het orakel om te vragen hoe lang Nannacus nog zou leven. Toen zei het orakel dat als Nannacus zou sterven alle mensen met hem ten onder zouden gaan. Nadat de hele wereld ten onder was gegaan door de zondvloed liet Zeus Athena en Prometheus beelden van modder maken en de wind er levensadem in blazen.

Deze Nannacus wordt wel eens vergeleken met de bijbelse Enoch of Henoch, die driehonderdvijfenzestig jaar leefde voor de vloed en toen op vreemde wijze van de aarde verdween, maar ook op het Griekse eiland Kos zijn inscripties gevonden over Nannacus, wat erop zou kunnen wijzen dat hij van oorsprong Grieks is.

Ook in Apamea Cibotos in Phrygië zijn aanwijzingen voor het zondvloedverhaal te vinden. De naam Cibotos betekent ark en op een muur in het dorp staat de ark afgebeeld met twee passagiers erin en buiten de ark nog twee, een man en een vrouw. Op de top van de mast staan twee vogels, waarvan men zegt dat de ene een raaf is en de andere een duif met een olijftak. Ook staat er naast de ark noë, het Griekse equivalent van Noach. Dit bewijst dat de mensen in Apamea Cibotos in de derde eeuw na Christus op de hoogte waren van het Hebreeuwse zondvloedverhaal.

* De vloed van Deucalion en Pyrrha op Rhodos:

Eerst werd het eiland Rhodos bewoond door mensen die Thelkinen heten; ze waren de kinderen van Thalatta(de zee). Van deze Thelkinen wordt verteld dat ze de uitvinders waren van een aantal nuttige gebruiksvoorwerpen en dat ze als eerste standbeelden bouwden voor de goden. De oudste afbeeldingen van de goden zijn naar hen genoemd, zoals de Apollon Thelkinios bij de Lindiërs. Maar bovenal waren de Thelkinen magiërs, die het konden laten sneeuwen en regenen en zelfs hun gedaantes konden veranderen. Ze deelden deze kunsten niet graag met anderen.

Zij zagen de vloed dan ook aankomen en verlieten het eiland. Op hun raad vertrok Lykos naar Lykia en wijdde daar bij de rivier Xanthos een tempel aan Apollon Lykios. Toen de vloed kwam stierf de rest van de inwoners en werd het eiland overspoeld.

* Het verhaal van Dardanus:

Dardanus was de zoon van Zeus en Elektra. Hij was eerst koning in Arcadië, samen met zijn oudere broer Iasus. Dardanus trouwde met Chrysis en kreeg twee zonen, Idaeus en Deimas.

Toen een grote vloed plaatsvond splitsten de overlevenden, die naar de bergen waren gevlucht, die nu eilanden waren geworden, zich in tweeën. De ene helft bleef onder leiding van Deimas achter, de andere helft vertrok met Dardanus naar het eiland Samothracië (Samothrace). Dit eiland was echter niet echt vruchtbaar en daarom vertrokken Dardanus en de zijnen weer, dit keer naar Klein-Azië. Daar stichtte Dardanus Troje, dat ook wel Dardania wordt genoemd.


Dardania (Troje) 2300 v. Chr.

Zoals het verhaal van Ogyges misschien verklaard kan worden door een overstroming van het meer Copaïs, zo kan het verhaal van Dardanus misschien verklaard worden door een overstroming in een soortgelijke vallei, alleen dan in Arcadië.

Volgens Varro was Dardanus afkomstig uit Pheneus in Noord-Arcadië. Er zijn veel overeenkomsten tussen de vlakte van Copaïs en die van Pheneus. Het zijn allebei uitgestrekte vlaktes, omringd door bergen die regenwater aanvoeren. Allebei hebben ze ook geen rivier die de mogelijkheid geeft het water af te voeren naar de zee, maar het water wordt afgevoerd via onderaardse kanalen. Deze kanalen kunnen door een aardbeving plotseling worden afgesloten, waarna de vlakte volloopt.

Door de jaren heen doen er heel wat mensen verslag over de toestand van het meer van Pheneus. In de tijd van Pausanias (2e eeuw) was al het water weer verdwenen en Pausanisas hoorde alleen verhalen over het feit dat de vlakte ooit een meer zou zijn geweest.

Volgens Plinius was de toestand van de vallei tot aan zijn tijd toe vijf keer veranderd van ondergelopen naar droog en weer terug, en dit zou veroorzaakt zijn door aardbevingen.

* De vloed bij Samothracië:

Volgens weer een andere versie van het verhaal kwam Dardanus in Troje terecht nadat hij in Samothracië (Samothrace) overvallen was door een vloed en hij net zolang weg dreef tot hij op de berg Ida strandde. De Samothraciërs zeiden dan ook dat hun eiland overspoeld was door een vloed, de allereerste vloed, die plaats zou hebben gehad voor alle andere vloedgolven die het Oude Griekenland zouden hebben geteisterd. Ook nu nog graven vissers voor de kust van het eiland zuilen op die afkomstig zijn van verzonken steden.

De reden die de Samothraciërs gaven voor deze vloed is het verdwijnen van de barrière tussen de Zwarte Zee en de Middellandse Zee. Toen deze blokkade verdween, ontstonden in één klap de Dardanellen en de Bosporus en een groot deel van Klein-Azië werd overspoeld door al het water.

*** De verspreiding en de mogelijke afkomst van de Griekse zondvloedverhalen:

Na al deze verhalen kunnen we er absoluut zeker van zijn dat er zeker niet één eenduidig Grieks zondvloedverhaal is geweest, maar toch zijn er zeker wel overeenkomsten.

Vermoedelijk heeft de legende met een ritueel te maken, zoals dat in Hiërapolis, en dit ritueel zou ook uitgevoerd zijn in tijden van grote droogte om de geesten van mensen die gestorven waren tijdens de zondvloed op te roepen, en men geloofde dat deze geesten voor water zouden zorgen...

De zondvloedsage is misschien oorspronkelijk afkomstig uit Kreta, met Deuakalion als zoon van Minos en de mythe wordt ook vaak met de zonnegod Helios verbonden. Ook met Zeus, die als Naios in Dodona, als Phryxios in Thessalië, als Olympios in Athene, en als Aphesios en Nemea bekend is wordt de zondvloed vaak verbonden.

~ Zondvloedverhalen bij Plato:

In de dialoog Timaeus vertelt Critias een verhaal waar hij al heel lang mee had rond gelopen en dat hij nu eindelijk eens aan Socrates wilde vertellen. Hij had het gehoord van zijn grootvader, die het weer van Solon had gehoord, die het verhaal op zijn beurt weer van een Egyptische priester zou hebben gehoord. Het verhaal gaat volgens de priester over de vroegste geschiedenis van de Grieken, waar geen geschreven bronnen over zijn. Daarom was deze geschiedenis ook bij de Grieken uit Solon's tijd onbekend.

Er wordt verteld over een hele reeks gigantische vloedgolven die Griekenland en ook stukken van de rest van de wereld overspoeld zouden hebben. Bij één van vloedgolven zou het eiland Atlantis zijn verdwenen.

In Plato`s dialoog Critias, die niet helemaal bewaard is gebleven, vertelt Critias tot in detail over hoe het eiland Atlantis er uit zou moeten hebben gezien. Er wordt verteld over een heel systeem van ringen en kanalen en prachtige paleizen en steden. Atlantis zou een zeer machtig land zijn geweest, maar het zou zijn verslagen door de Atheners toen het probeerde zijn invloed uit te breiden. Volgens Plato lag Atlantis buiten de zuilen van Herakles in een grote oceaan.

Deze aanwijzing en de nauwkeurige beschrijving van Atlantis zorgen er al vele jaren voor dat mensen proberen op de een of andere plek Atlantis te vinden. Het zou bij Indonesië liggen, op de Zuidpool, het zou het door een vulkaan verwoeste eiland Thera (Santorini) kunnen zijn en zo zijn er nog veel meer mogelijke locaties voor Atlantis. De mensen uit Atlantis zouden de piramiden hebben gebouwd, en tempels in Midden-Amerika en alle informatie over de inwoners van Atlantis zou verborgen liggen onder de rechtervoet van de sfinx.

Of we al deze verhalen nou serieus moeten nemen of niet, Plato's verhaal over Atlantis is wel één van de meest bekende verhalen over een allesvernietigende vloedgolf, en het heeft door de jaren heen vele mensen geïntrigeerd.

* Eskimo's(Herschel-Eiland):

 

Veel Eskimo-stammen vertellen een vergelijkbaar zondvloedverhaal.
De Eskimo's van Herschel-Eiland vertellen over Noah die alle dieren uitnodigde in zijn ark te komen om gered te worden.
De mammoeten geloofden echter niet dat er een grote vloed zouden komen en dachten dat hun poten lang genoeg waren om het te overleven.
Ze bleven buiten de ark en stierven uit.
De andere dieren geloofden Noah en werden gered.

*
Altaisch(Centraal-Az):

In de Altaische cultuur spreekt men over Tengys (oftewel Zee) die ooit heer over de aarde was. Nama, een goede man, leefde tijdens zijn bewind met drie zonen, Sozun-uul, Sar-uul, en Balyks. Ülgen gebood Nama een ark (kerep) te bouwen, maar Nama liet het zijn zoons doen omdat hij slecht kon zien. Nama ging de ark in met zijn familie en vele soorten dieren en vogels die ronddreven door het stijgende water. In deze mythe liet Nama zijn oudste zoon het raam openen om rond te kijken, waarop de zoon enkel de pieken van bergen zag. Uiteindelijk stopte de ark tussen acht bergen. Ook in dit verhaal komen vogels voor, want Nama laat een raaf, een kraai en een roek los, maar geen één keerde terug. Op de vierde dag liet hij een duif los, die terugkwam met een takje.

* Amerikaans:

Interessant is ook dat toen de Spanjaarden in Amerika kwamen en ze missionarissen meenamen die de plaatselijke indiaanse bevolking probeerden te bekeren deze indianen het verhaal van de (zond)vloed al bleken te kennen.

Blijkbaar geloofden de Lakota-indianen dat de mensheid de vloed had overleefd doordat een vrouw door een adelaar op een hoge berg werd gebracht, en zij vervolgens een tweeling kreeg waar de Lakota's zouden van afstammen.

* Zondvloed, wetenschap en pseudowetenschap:

Binnen het creationisme wordt een zondvloed vaak als belangrijke verklaring aangevoerd voor het ontstaan van aardlagen. Volgens de Bijbel werden van alle diersoorten die op het land of in de lucht leven, enkele exemplaren met de ark meegenomen; en werden tijdens de zondvloed alle bergen met water bedekt. Belangrijke bezwaren hiertegen zijn de kwesties hoe de ark groot genoeg kon zijn om alle diersoorten mee te nemen; en waar al dat water vandaan is gekomen en waar het is gebleven. Het volgens Voltaire ongeloofwaardige en onmogelijke verhaal van de zondvloed, bracht hem ertoe de Bijbel als geloofwaardige bron van kennis af te schrijven. Later hebben jongeaardecreationisten overigens verklaringen hiervoor bedacht, onder andere door aan te nemen dat er enkele duizenden jaren geleden van sterke hoogteverschillen van de aardkorst geen sprake was, en dat de diersoorten zich uit een beperkt aantal basistypen hebben ontwikkeld na de zondvloed, in een tijdsbestek van slechts enkele duizenden jaren.

Begin 19e eeuw kwam de Schotse geoloog Charles Lyell met een nieuwe theorie. Hij verklaarde dat de geleidelijke en langzame processen die tegenwoordig plaatsvinden ook in vroeger tijden werkten. Omdat deze processen over zeer lange perioden werken, brengen deze toch de grote veranderingen in de aardkorst die in de bodemlagen zijn af te lezen. Dit noemt men het uniformitarianisme. Het was onder andere deze theorie die Charles Darwin inspireerde tot zijn evolutietheorie.

Zo is de gedachte van de zondvloed als een wereldomvattende catastrofe binnen de geologie op de achtergrond geraakt. Maar als lokale ramp wordt ze toch nog wel gebruikt. Een nieuwe theorie is dat de zondvloed een reeks megatsunamies was die door de Burckle inslag veroorzaakt waren.


De Kater van Burckle.

* De Zwarte Zee:

Een andere, BEWEZEN theorie is dat de zondvloedverhalen iets te maken hebben met het onderlopen van de Zwarte Zee na de IJstijd. (Meest voor de hand liggend).
Ook "National Geographic" heeft deze Zwarte Zee theorie verfilmd.

*** Zie Zwarte Zee, overstroming na de ijstijd voor het hoofdartikel over dit onderwerp bij 'Wikipedia'.


De Zwarte Zee.

* Mesopotamië:

Andere, meer traditionele theorieën gaan ervan uit dat het verhaal van de zondvloed gebaseerd is op een uitzonderlijk grote overstroming van de Eufraat en de Tigris in Mesopotamië.

* Hypotheses:

Tegenwoordig is er nog steeds een minderheid van orthodoxe christenen die uitgaat van een letterlijke wereldwijde zondvloed als verklaring voor de bodemlagen (zie ook het jongeaardecreationisme). Een aantal van hen heeft een academische achtergrond, doch slechts een enkeling heeft deskundigheid in de relevante vakgebieden. Met hun hypotheses trachten zij het natuurlijke bewijsmateriaal in overeenstemming te brengen met orthodoxe bijbelinterpretatie. Deze hypotheses vallen dus onder de pseudowetenschap. Een bekende pseudowetenschappelijke theorie waarin de zondvloed een grote rol speelt is de hydroplaattheorie.

* Trivia:

De duif uit het verhaal in de Hebreeuwse Bijbel werd geëerd door er het sterrenbeeld Duif (Columba) naar te vernoemen.


Oorspronkelijke Zondvloed?

Het is wetenschappelijk bewezen dat er ooit een zondvloed was, maar zeker niet zoals in de Bijbel beschreven werd. In de Bijbel werd een zoveelste kopie neergepend, zoals de Bijbel grotendeels een kopie is van wat reeds bestond of bestaan heeft, eeuwenlang vóórdat het christendom het daglicht zag. Ook de Hebreeërs kenden hiervan een kopie verhaal.
De Bijbelse zondvloed is de zoveelste kopie van het originele verhaal en dat verhaal speelt zich af, waar nu de Zwarte Zee is.
De Zwarte Zee was vroeger bewoond land en is ontstaan door een landbreuk, waardoor het water van de Zee van Marmara en dat van de Middellandse Zee het lagere gelegen land binnenstroomde. De landmassa was bezweken door de druk van het water.
De bodem van de Zwarte Zee is giftig, waardoor hout, stenen en metalen voorwerpen goed geconserveerd blijven en de Godsdienst rondom de Zwarte Zee ligt aan de oorsprong van de Oud - Mediterranische en de huidige Westerse Godsdiensten en ze werd zo'n 7600 jaren geleden te zijn ontstaan door een landbreuk. Daarvoor was er bewoonbaar land met een zoetwatermeer, wat in een korte periode veranderde in een zee. "De Zwarte Zee".

Het is dus meer dan waarschijnlijk dat het originele oorspronkelijke epos van de zondvloed daar vandaan komt, maar hoe en wanneer en door wie?
Waar kan dat zondvloedverhaal (talloze malen gekopieerd) zijn oorsprong gevonden hebben? Waar kan het écht vandaan komen?

Wij zeggen en schrijven:(*)

* Het Atrahasis-epos *
(Uit Wikipedia)


Het Atrahasis epos in spijkerschrift.

Het Atrahasis-epos is een oeroud, Babylonisch epos dat vooral bekend is vanwege het zondvloedverhaal dat erin verteld wordt. Dit zondvloedverhaal is ongeveer hetzelfde als dat op het elfde tablet van het Gilgamesh-epos en vertoont ook grote overeenkomsten met het latere verhaal in de Bijbel. Het begint als volgt:

"Toen de Goden, in plaats van de mensen,
het werk deden, de lasten droegen,
werd de last voor de Goden te groot,
het werk te zwaar, de inspanningen te veel.
De grote Annunki lieten de Igigi,
zeven keer die hoeveelheid werk doen,
Anu, hun vader, was koning".


Anu (An)

Het universum is in het verhaal verdeeld in drie delen.
De god Anu regeert in de hemel, Enlil op aar
de en Enki in het onderaardse water.
De god Enlil was de heerser over het land en Heer der Winden. Hij veroorzaakte de stijging van het water in de rivieren en was ook de veroorzaker van de grote overstromingen. 

Enlil dwingt de mindere Igigi-goden al het werk te doen, maar na veertig jaar komen ze in opstand en belegeren ze de tempel van Enlil in Nippur. De god Enki stelt voor om mensen te scheppen en die het werk te laten doen. Samen met de moedergodin Mami wordt dit uitgevoerd.

Op een gegeven ogenblik zijn er zoveel mensen dat ze met hun lawaai de god Enlil uit zijn slaap houden. Deze besluit via de god Namtar de mensen een plaag te sturen. Dankzij de vrome Atrahasis houdt deze op. Na een tijdje maken de mensen echter weer te veel herrie naar de zin van Enlil. Ditmaal straft hij ze met een hongersnood. Deze wordt door de mensheid overleefd. Dan besluit Enlil drastischer maatregelen te nemen. Hij stuurt een zondvloed op de mensen af. Dit deel van het verhaal vertoont grote parallellen met de Bijbel. Atrahasis bouwt een rieten ark en overleeft zo met zijn familie en een aantal dieren de zondvloed.


Enlil

Het epos geeft ook een beeld van de ecologische problemen waarmee de Sumerische cultuur te kampen had, ondanks -of dankzij- de bevloeiingswerken van koningen als Entemena van Lagash.

* Gilgamesch:

Volgens de lijst van koningen van Sumer was Gilgamesh de vijfde koning van Uruk. Hij regeerde tussen 2652 v. Chr. en 2602 v. Chr. en was de opvolger van Dumuzi. Hij was een zoon van koning Lugalbanda en de godin Ninsun.
Gilgamesh wordt beschreven als twee derde god en een derde mens.

Gilgamesh is vooral bekend van het Gilgameshepos. Het epos is samengesteld uit een verzameling heldenverhalen met Gilgamesh als hoofdpersoon. De verhalen werden gedurende eeuwen mondeling overgeleverd en later neergeschreven in het spijkerschrift. De definitieve versie van het epos zou dateren uit de twaalfde eeuw vóór onze tijdrekening.

Van Gilgamesh wordt verteld dat hij de onafhankelijkheid van Uruk voltooide en de stadsmuren liet bouwen.

Volgens de legende was het Gilgamesh die Agga, koning van Kish, versloeg en zo een einde maakte aan de heerschappij van Kish over Sumer. Nochtans was het niet Uruk, de stad van Gilgamesh, die van de overwinning profiteerde maar de welgestelde stad Ur. Hier werd rond dezelfde tijd een nieuwe dynastie gesticht door Meshannepada, die over het grootste gedeelte van Sumerië zou heersen en als eerste dynastie van Ur opgetekend werd.

Het Gilgameshepos

Het Gilgameshepos is één van de oudste literaire werken. De oorsprong van dit heldendicht ligt waarschijnlijk in het Sumer van ca. 2100 v. Chr.
Gilgamesh zelf zou koning zijn geweest in Uruk rond 2620 v. Chr.
Het epos werd ontelbare malen overgeschreven en bewerkt en verspreidde zich over een groot gebied.

* Ontstaan en ontwikkeling van het epos:

Het epos gaat terug op losse verhalen in het Sumerisch rond de figuren van 'Bilgames', een variantspelling, en Enkidoe uit het begin van het tweede millennium v. Chr.
Dit zijn waarschijnlijk kopieën van teksten uit de periode van de laatste opleving van Sumer tijdens de derde dynastie van Ur, ca. 2112 - 2000 v. Chr.
Ook is er nog "Bilgames, Enkidoe en de onderwereld" waarvan de tweede helft later aan het Gilgameshepos werd toegevoegd.

Deze cyclus werd vertaald in het Akkadisch met als gevolg dat er al in de 18e eeuw v. Chr. een samenhangend epos bestond van vijf tot acht tabletten en 2000 verzen met als titel "Shoetoer eli sharri" (hoog rijst hij op boven alle koningen). Fragmenten ervan zijn teruggevonden bij opgravingen in centraal- en zuidelijk Mesopotamië, maar ook in het Hittitische rijk en in het Mitanni-rijk in west-Iran, oost-Turkije en Syrië.
Een ander fragment is gevonden in Megiddo bij Haifa in Israël. Waarschijnlijk werden de teksten gebruikt door schrijversscholen om Akkadisch te leren.

Rond 1200 v. Chr. onderging het epos een soort standaardisatie in zijn redactie.
Het epos heette toen: "Sha nagba inoeroe" (hij die alles gezien heeft). Het werd verdeeld over elf tabletten en kreeg een strakke, bijna symmetrische compositie met het omslagpunt op het zesde tablet. Het verhaal werd geformaliseerd met veel vaststaande frasen en herhalingen. Waarschijnlijk is het verhaal van de grote vloed pas tijdens deze laatste redactie aan het epos toegevoegd. Er bestaan oudere verhalen over de vloed in het Sumerisch en oud-Babylonisch van circa 2800 v. Chr., bijvoorbeeld het Atrahasis-epos. De standaardversie van het Gilgameshepos moet een omvang hebben gehad van zo'n 3000 regels. Geschreven fragmenten zijn bekend uit de periode 1200 - 130 v. Chr.

Later is nog een twaalfde tablet aan het epos toegevoegd, een schildering van de onderwereld. Het is een vrij letterlijke vertaling van een oudere, Sumerische voorloper van het epos (Bilgames, Enkidoe en de onderwereld), maar de loop van het verhaal klopt niet helemaal, want Enkidoe is opeens weer levend en daalt af in de onderwereld om speelgoed van Gilgamesh op te halen.


Humbaba verslaat Enkidoe (Enkidu)

* Vondstomstandigheden:

De tekst van het epos, geschreven in spijkerschrift op kleitabletten, is voor het eerst ontdekt in de bibliotheek van koning Assoerbanipal in Ninive, de hoofdstad van Assyrië. De bibliotheek was in 612 v.Chr., bij een aanval van de Meden en de Babyloniërs op de stad door brand verwoest. Door de hoge temperatuur tijdens de brand werden de kleitabletten gebakken, waardoor ze bewaard zijn gebleven - anders waren de teksten waarschijnlijk verloren gegaan. De kleitabletten zijn door de vloer heen op de begane grond gevallen en in een 30 cm hoge stapel terechtgekomen. De meeste tabletten waren gebroken en de brokstukken lagen door elkaar.

De Britse ontdekker Austen Henry Layard besefte in 1850 wel dat zijn vondst belangrijk was, maar hij wist niet goed wat hij ermee moest: het Akkadische spijkerschrift was toen nog niet ontcijferd. Bovendien zocht hij naar "echte" schatten, zoals juwelen, beelden en wandschilderingen. De tabletten liet hij in kratten afvoeren, en ze werden aan allerlei musea en antiquairs verkocht zonder bij elkaar horende delen bij elkaar te houden. Het kostte de grootste moeite om alles weer een beetje bij elkaar te zoeken. Maar vanaf 1857 werd het spijkerschrift eindelijk ontcijferd, en het vertalen kreeg een aanzienlijke impuls toen de assyrioloog George Smith ontdekte dat in de bijbel fragmenten uit het epos waren overgenomen, zoals het verhaal over de zondvloed, een ontdekking die tot grote opwinding leidde.

De vondst van Layard bleek vier kopieën van het epos te bevatten. Smith ging twintig jaar na de eerste opgraving nog eens terug om doelgericht naar tabletten te zoeken. Hij ontdekte nog talloze fragmenten die daarvóór over het hoofd gezien waren. Later werden - overal in Sumer en ver daarbuiten - eveneens delen van het epos gevonden. Met behulp van al deze bronnen kon de loop van het verhaal redelijk betrouwbaar worden gereconstrueerd. In 1930 verscheen de eerste complete standaarduitgave van het epos door Reginald Campbell Thompson.

* Structuur:

Er zijn elf kleitabletten, die ieder een afgerond geheel van het epos bevat hebben. Van de meeste tabletten zijn echter geen geheel volledige versies bekend. Door sommigen wordt ook nog een twaalfde tablet erkend als horende bij het epos.

Gilgamesh is de grootste koning op aarde, twee derden god, een derde mens en de sterkste held ooit. Zijn volk echter vindt hem te hardvochtig en daarom schept de hemelgod Anu de wildeman Enkidoe die door de naditu of tempelslavin Shamhat getemd wordt.
Enkidoe vecht met Gilgamesh maar verliest. Zij worden grote vrienden. Gilgamesh stelt voor op avontuur te gaan in het cederwoud.
Voorbereidingen voor de tocht naar het cederwoud; velen steunen de helden, onder anderen de zonnegod Shamash.
De tocht naar het cederwoud.
Gilgamesh en Enkidoe doden Humbaba, de demonische beschermer van het woud met hulp van Shamash. Zij hakken de bomen om en bouwen een vlot, waarop zij naar Uruk terugdrijven.
Gilgamesh is niet gediend van de seksuele aandacht van de godin Ishtar. Zij laat haar vader Anu de Stier des Hemels sturen als wraak op Gilgamesh en zijn stad. Gilgamesh en Enkidu doden de stier echter.
De goden besluiten dat iemand gestraft moet worden voor de dood van Humbaba, namelijk Enkidoe. Hij wordt ziek en als hij op zijn sterfbed ligt beschrijft hij hoe de onderwereld eruit ziet.
Klaagzang van Gilgamesh voor zijn vriend Enkidoe.
Gilgamesh krijgt angst voor de dood. Hij besluit op zoek te gaan naar het eeuwig leven, door een gevaarlijke reis te ondernemen om Utnapishtim en zijn vrouw te bezoeken. Zij zijn de enige mensen die onsterfelijk zijn en zijn al in leven sinds voor de Zondvloed.
De voerman Urshanabi boomt Gilgamesh over de Wateren des Doods.
Gilgamesh ontmoet Utnapishtim, die hem het verhaal van de zondvloed vertelt en hem twee kansen op onsterfelijkheid geeft. Het verhaal van de zondvloed komt ook terug in het nog oudere Atrahasis-epos. Gilgamesh vergooit zijn kansen op onsterfelijkheid echter allebei en keert naar Uruk terug.
Rond 1200 v. Chr. is een twaalfde tablet toegevoegd. Gilgamesh laat zijn bal en stok in de onderwereld vallen en Enkidoe gaat ze ophalen maar de onderwereld grijpt hem. Maar Gilgamesh maakt een gat in de grond en de geest van Enkidoe kan ontsnappen en hem vertellen hoe het er in de onderwereld aan toe gaat.

* Overeenkomsten met de bijbel:

Of er delen zijn van het heldendicht die enige geschiedkundige waarheid bevatten, is twijfelachtig. Het is wel interessant om op te merken dat de Bijbel en het Gilgameshepos beide de Zondvloed noemen. Dit is te danken aan het feit dat dit verhaal uit het Gilgameshepos in het gehele Midden-Oosten verteld werd. Tot in de twintigste eeuw vertelden verhalenvertellers dit verhaal door. Een fragment van tablet 7 is gevonden in Megiddo, bij Haifa in Israël, mogelijk uit ca. 1300 v. Chr. Het grootste deel van de Bijbel zou pas vanaf 586 v.Chr. in Babylon zijn geschreven. Het Gilgameshepos en de Zondvloed worden wel in verband gebracht met het onderlopen van de Zwarte Zee na de ijstijd.

De Patriarchen vormen een groep tussen de semi-nomadische Semitische stammen die de handelsroutes bedienden met lastezels (kamelen waren nog niet gedomesticeerd in deze streek). Hun mythen hebben veel gemeen met de Mesopotamische mythologie: zo is er sprake van een gouden eeuw, de zondvloed, de toren van Babel. De namen van deze patriarchen zijn in feite zeer oud, en komen in Mesopotamische teksten reeds vroeg 2e millennium v.Chr. voor.

Het verhaal van Ziusudra, de held die aan de zondvloed ontsnapte op een boot van riet en bitumen, die hij op last van watergod Enki maakte, dateert al uit het 4e millennium v.Chr. en lijkt model voor Noach te hebben gestaan.

In 1750 v.Chr. bestond in Mesopotamië onder Hammurabi een tempelcultus van de toenmalige stadsgod Marduk. De mythen van de Schepping en de Zondvloed kwamen ook toen nog voor.

De verhalen over de vloed in het Gilgameshepos en Genesis zijn zo gelijklopend, dat onderzoekers op zoek gingen naar mogelijke verklaringen.
Alexander Heidel stelt drie mogelijke theorieën over deze verwantschap voor:

de Babyloniërs ontleenden het verhaal uit het Hebreeuwse verslag
het Hebreeuwse verslag steunt op het Babylonische
beide stammen af van een gemeenschappelijke 'oerbron'
Zijn conclusie is dat, vermits het in Akkadisch opgestelde epos ouder is dan het Oude Testament, de best geaccepteerde verklaring de tweede is, namelijk dat het Bijbelse verhaal gebaseerd is op het Babylonische materiaal.

Andere onderzoekers zoals K. A. Kitchen opteren dan weer voor de derde mogelijkheid, dat de twee verhalen een gemeenschappelijke bron zouden hebben, en dus niet van elkaar geleend hebben. "It is likely that “The Hebrew and Babylonian accounts may go back to a common ancient tradition, but are not borrowed directly from each other". (K. A. Kitchen). (Wat volgens ons klare "witwassende" onzin is).

* Vertalingen en bewerkingen:
Enkele vertalingen naar het Nederlands:

~ Uit de originele talen:
Herman Vanstiphout. Het epos van Gilgameš, SUN, 2002. ISBN 9058751015
T. de Feyter. Het Gilgamesj Epos, Ambo, 2005. ISBN 9026319347

~ Als beeldverhaal:
G. de Bonneval en F. Duchazeau. Gilgamesj. Vertaald uit het Frans door E. van den Biesen, Atlas, 2007. ISBN 9045013487



Bron: Wikipedia