|

Bijbelse Zondvloed?

De zondvloed, zoals in de Bijbel beschreven, is een
verzinsel!
De zondvloed heeft inderdaad plaats gehad, maar niet
in hun
context!
Het verhaal van
de Ark is
geen
typisch Christelijk of Joods verhaal.
Zo is er, onder andere, eveneens sprake van in het
Gilgamesh
epos en in een beroemd
Sumerisch
epos vinden we ook een zondvloedverhaal terug,
dat wel erg gelijkend is met het relaas uit
Genesis, namelijk het "Utnapishtim"
epos. En er zijn er nóg meer!

~ Zondvloed:
Zondvloedverhalen komen in meerdere culturen voor. Het woord 'zondvloed',
afkomstig van het
Middelnederlandse sintvloed, betekent oorspronkelijk
aanhoudende vloed, maar doordat het
volksetymologisch in verband werd gebracht
met het begrip
zonde, door toedoen van de
Kerk is het eerste lid vervormd geraakt.
Zondvloed in verschillende culturen en
religies

*
Zondvloed in de Bijbel en de Koran:
In het eerste boek van
de Bijbel,
Genesis,
staat het verhaal van de zondvloed. Er wordt verteld hoe
God aan
Noach de
opdracht geeft een ark te bouwen. Er zal een grote vloed komen die alle leven,
mens en dier zal vernietigen omdat er groot onrecht en ongeloof onder de mensen
is ontstaan. Van alle dieren neemt Noach een paar aan boord. Nadat Noach met
zijn vrouw en kinderen aan boord gegaan is, komt er inderdaad een grote vloed
die alles vernietigt. Na honderd vijftig dagen ronddobberen zendt Noach een raaf
uit (deze komt niet terug). Dan zendt hij een duif uit om te zien of er al
ergens land is. De duif keert terug met niks, de volgende met een olijftak en de
derde komt niet terug. Zo weet Noach dat de wereld weer bewoonbaar is.
Uiteindelijk strandt Noach in het
Ararat gebergte. De identificatie met de
berg Agri Dagi in
Koerdistan is
middeleeuws. Volgens de traditie is
Noach op de
gelijknamige berg op de grens van het huidige
Turkije en
Armenië gestrand,
hoewel meer en meer geleerden geloven dat het één van de andere bergen in het
Ararat gebergte is, zoals de berg Cudi Dagh. Van Noachs drie zoons stammen alle
latere mensen af. Van
Sem zouden de
Semieten, van
Cham de mensen van Afrika en
van
Jafet de mensen van Europa afstammen.

Na afloop van de zondvloed werd de
regenboog door God ingesteld als teken dat er
geen zondvloed meer zou plaatsvinden.
Orthodoxe joden zullen, als ze een
regenboog zien, altijd een kort gebed, een 'broche', als dank uitspreken.
Dezelfde zondvloed wordt ook genoemd in verschillende
soera's van de
Koran,
zoals in
soera Jonas 73. De strekking van deze
ayaat is doorgaans dat het
gewaarschuwde volk van
Nuh niet luisterde en verklaarde Gods tekenen voor
leugen, waarna God hen liet verdrinken. In tegenstelling tot de Bijbelse visie
van een algehele overstroming van de hele aarde, wijst
tafsir van de
Koran uit
dat het slechts betrekking heeft op het gewaarschuwde volk van
Nuh.
Soera De Gelovigen geeft de geschiedenis van
Nuh. Hierin is sprake van de
Goddelijke opdracht tot de bouw van een schip en de soera maakt verder duidelijk
dat ook de Koran uitgaat van het samenbrengen van tweetallen van alle wezens.
Een andere zondvloedvertelling is te vinden in de vijftiende-eeuwse
Dürr-i
Meknûn van
Ahmed Bican Yazicioglu. Ken‘an, een van de zonen van Nuh, weigert mee
te gaan met de Ark. Hij probeert daarop de zondvloed op eigen houtje te
overleven in een soort duikerklok. Deze ongehoorzaamheid wordt door God zwaar
bestraft met een bovennatuurlijke blaasontsteking en Ken‘an verdrinkt in zijn
eigen
urine in de
duikerklok.

* Sumerisch:
Kleitablet met op tablet 11 van het
Gilgamesjepos een
Akkadisch zondvloedverhaal
>>>
De Bijbel
en de Koran zijn niet de enige bronnen van dit verhaal, het verhaal van de grote
overstroming komt in vele culturen voor. Uit veel oudere geschreven bronnen,
bijvoorbeeld het
Sumerische
Gilgamesjepos en het nog oudere
Atrahasis-epos is
het ook bekend, met uitgestuurde vogel en al. De Sumerische geschiedkundige
bronnen bevatten een
lijst met koningen waarvan de eerste
dynastieën van voor de
zondvloed stammen. In
Mesopotamië werd de zondvloed dus als een historisch feit
beschouwd.
Een fragment van tablet 7 van het
Gilgamesjepos is gevonden in
Megiddo, bij
Haifa in
Israël.

* Masai
(Oost-Afrika):
De
Masai vertellen van Tumbainot, een
rechtvaardig man, die een vrouw genaamd Naipande had en drie zonen: Oshomo,
Bartimaro, en Barmao. De wereld was dichtbevolkt, maar de mensen waren zondig en
dachten niet aan God. Toch moordden zij elkaar niet, totdat een man genaamd
Nambija een andere man, Suage, doodsloeg. God besloot daarom de mensheid te
verwoesten, maar Tumbainot vond genade in Zijn ogen. God gebood Tumbainot een
ark te bouwen en die met vrouw en kinderen en dieren van iedere soort te
betrekken. Nadat ze aan boord gegaan waren, zorgde God voor een langdurige
regenval die voor een overstroming zorgde. Mens en dier stierven uit. De ark
dreef een lange tijd en het voedsel erin begon op te raken. Toen de regen stopte
zond Tumbainot een duif uit om te kijken of de aarde al droog was. De duif kwam
vermoeid terug. Een aantal dagen later liet hij een gier los met een pijl aan
een vleugel, zodat de pijl bij het landen zou blijven haken aan gewassen en wat
mee zou nemen. De gier keerde terug zonder pijl. Toen de vloed voorbij was
landde de ark op de steppe, en de inzittenden stapten uit. Tumbainot zag vier
regenbogen, één in elke hoek van de hemel, waardoor hij wist dat Gods toorn
voorbij was.
* Indisch:
In
India is een zondvloedverhaal bekend uit
de Satapatha Brahma, een appendix van de
Veda's, met
Manu in de rol van Noach of
Utnapishtim. Op grond van dit verhaal heeft men berekend dat de zondvloed daar
in
3102 v.Chr. plaats gehad zou hebben, maar die datum wordt ook wel gezien als
de tijd van de grote Bharata-oorlog, die later plaatsgevonden zou hebben.
Dit
wordt beschreven in het belangrijkste Indiase
epos de
Mahabharata.

~
Griekse zondvloedverhalen:
Bij de Grieken komen ten minste drie grote zondvloedverhalen voor.
° Het eerste
verhaal speelt zich af in de tijd van
Ogyges, de stichter en koning van
Thebe in
Boeotië.
° Het tweede is het verhaal van
Deukalion en Pyrrha.
° Het derde verhaal
speelt zich af in de tijd van
Dardanus.
Ook in twee dialogen van
Plato,
Timaeus
en
Critias, wordt er gesproken over zondvloeden en de ondergang van het
mythische eiland
Atlantis. Verder heeft elk verhaal vele varianten.
Tijd waarin de overstromingen mogelijk plaats hadden
Volgens de Romeinse geleerde
Varro had de vloed van
Ogyges 2100 jaar voordat hij
schreef plaats, ongeveer
4000 jaar geleden dus. Preciezer is de schrijver
Julius Africanus, die een geschiedenis schreef van de wereld vanaf de schepping tot het
begin van onze jaartelling. Hij schrijft dat de vloed van
Ogyges 1200 jaar
eerder plaats had dan de eerste
Olympiade. Die was in
776 v.Chr. dus zou de
zondvloed van Ogyges in
1996 v.Chr. moeten hebben plaatsgevonden.
Volgens
Julius Africanus gebeurde dit ten tijde van de eerste koning van
Argos,
Phoroneus.
Julius Africanus schrijft ook dat
Ogyges een tijdgenoot was van
Mozes en hij
beschouwt het als zeer logisch dat toen
Egypte werd getroffen door de vele
plagen, er ook in
Griekenland van alles misging, zeker ook omdat de
Atheners
volgens onder andere de geschiedschrijver
Theopompus kolonisten waren uit
Egypte
en daardoor mede schuld droegen.
Volgens de christelijke geleerde
Eusebius vond de grote vloed in de tijd van
Ogyges tweeëntwintighonderd jaar na de vloed van
Noach en 250 jaar voor de vloed
van
Deucalion plaats. Het feit dat
Eusebius de vloed van Noach als eerste laat
plaatsvinden kan verklaard worden doordat hij de
Bijbel als ouder en
waardevoller zag dan de
Griekse mythen.
* Het verhaal van Ogyges:
Het verhaal van
Ogyges kent (zoals zoveel
Griekse mythen) meerdere versies, waarbij de
Atheense en de
Boeotische versie de
meest bekende zijn.
In de Atheense versie is Ogyges de vader van de Atheense held
Eleusis, en de
vader van Deaira, de dochter van
Oceanus. De verwoesting door de zondvloed die
plaatsvond onder de heerschappij van Ogyges was zo groot, dat zelfs de bergen in
Thessalië werden overspoeld, en Athene bleef daarna zonder koning totdat
Cecrops
aan de macht kwam. Cecrops was half slang, half mens en hij wordt ook wel gezien
als de grondlegger van de
Griekse beschaving.

De
Boeotische versie van het verhaal is waarschijnlijk veel ouder dan die van de
Atheners en het is dan ook waarschijnlijk dat Ogyges van oorsprong een
Boeotische held was die de Atheners hebben overgenomen. In de Boeotische versie
was Ogyges de vader van Alalcomenia, Thelxinoea, en Aulis, die later door de
Boeotiërs als goden werden vereerd. Als het verhaal inderdaad oorspronkelijk van
de Boeotiërs afkomstig is kan het verhaal van Ogyges misschien verklaard worden
door een overstroming van het meer
Copaïs, waarbij een groot deel van de vlakte
van Boeotië onder water kwam te staan.
Tegenwoordig is van het meer alleen nog een grote vlakte over, waar her en der
resten van oude steden zijn overgebleven. De meest mysterieuze stad die is
overgebleven is de stad die tegenwoordig Goulas of Gla wordt genoemd; de
oorspronkelijke naam en de geschiedenis van de stad zijn niet bekend, en er is
ook geen enkele
mythe over te vinden. De ruïnes staan op een kleine verhoging,
die toen het meer nog vol was, een eiland moet zijn geweest. De verhoging wordt
geheel omringd door een grote stenen muur, waar vier poorten in zijn gebouwd,
die worden geflankeerd door torens. In de stad staan de ruïnes van nog veel meer
gebouwen, waaronder een groot paleis dat gebouwd is in de
Myceense stijl, maar
met een andere plattegrond. Het vreemde is dat het paleis maar een korte tijd in
gebruik is geweest. In het paleis zijn sporen gevonden die wijzen op een
gewelddadig einde van de vesting.
Er zijn niet, zoals onder andere in
Troje, meerdere lagen met bebouwing
gevonden, maar slechts één enkele, waardoor sommige mensen beweren dat de plaats
al snel ongunstig werd om te wonen, misschien wel door een overstroming van het
Copaïs-meer. Sommige archeologen zijn er dan ook van overtuigd, dat deze stad de
woonplaats van
Ogyges moet zijn geweest.
* Het verhaal van Deucalion en
Pyrrha:
Het verhaal van
Deucalion en
Pyrrha heeft
vele varianten. Volgens de schrijver
Hellanicus (5e
eeuw v. Chr.) landde de ark van
Deucalion bij de berg Otfrys in
Thessalië. Volgens
Apollodorus en
Ovidius bij de
Parnassus, en volgens een latere Romeinse schrijver zelfs op de
Etna, maar de
grote lijnen van het verhaal komen over het algemeen redelijk overeen:
De mensen waren zodanig verwilderd en zo gewend geraakt aan misdaad en kwaad dat
Zeus vond dat er geen hoop meer was en besloot hen te vernietigen. Zijn
bliksemschichten waagde de
oppergod evenwel niet te gebruiken omdat de kans
bestond dat de vlammen tot aan de hemel zouden oplaaien en ook
de woonplaats van de goden zouden verbranden. Daarom besloot hij de aarde te vernietigen met een
enorme zondvloed. Hij liet het zo lang regenen tot alle rivieren buiten hun
oevers traden en met de hulp van zijn broer
Poseidon steeg het water van de
zeeën tot het hele land overstroomd was. De mensen zochten hun toevlucht in de
bergen, maar zelfs sommige van de hoogste toppen werden overspoeld en degenen
die een droge plaats wisten te bereiken stierven van de honger.

Deucalion was de zoon van
Prometheus en was getrouwd met
Pyrrha, de dochter van
Epimetheus en
Pandora. Prometheus adviseerde Deucalion een schip te bouwen en
daardoor overleefden alleen zij de vloed. Er wordt ook verteld dat ze de vloed
overleefden, omdat ze als enigen vroom geleefd hadden, hun gebeden hadden
uitgevoerd en hun offers aan de goden hadden gebracht.
Nadat ze een lange tijd hadden rondgedreven bereikten ze uiteindelijk de top van
de
Parnassus, de enige berg die nog boven het water uitstak.
Zeus zag hen daar
en besloot hen te redden. Toen het water na en tijdje gezakt was zaten ze daar
alleen op een uitgestrekte moddervlakte. Wanhopig gingen ze naar dat wat er over
was van het orakel van Themis en vielen op hun knieën en begonnen te bidden.
Toen klonk een stem, die volgens
Ovidius Metamorphosen zei:
Mota
dea est sortemque dedit : 'Discedite templo
et velate caput cinctasque resolvite vestes
ossaque post tergum magnae iactate parentis!
Nadat ze de spreuk begrepen hadden namen ze
stenen en wierpen die achter hen. De stenen namen een menselijke gedaante aan,
mannelijk of vrouwelijk al naargelang wie ze gooide, Deucalion of Pyrrha.
Deucalion werd koning van zijn nieuwe onderdanen en zijn zoon Hellen werd
stamvader van de
Hellenen ofwel
Grieken.
* Lykaon gaf de aanleiding
voor de vloed:
Over de vloed van
Deucalion wordt ook het
verhaal van
Lycaon verteld. Lykaon was de koning van
Arcadië en de zoon van
Pelasgos. Hij was vader van vijftig zonen. Hij voerde ook de cultus van
Zeus
Lycaeos in.
Dagelijks ontving hij vreemdelingen gastvrij om hen vervolgens aan Zeus te
offeren. Toen Zeus nu eens had gehoord dat de mensen zo vreselijk slecht waren,
wilde hij kijken of dat echt zo was en daalde af van de
Olympus en bezocht in
Lycosura koning
Lycaon.
Deze had een beetje last van
hybris en wilde
Zeus wel eens testen en zette hem
daarom een gevangen genomen
Molosser (de Molossiërs waren een naburig volk) voor.
Maar Zeus had de list door en was zo kwaad dat hij een bliksem op
Lycaon
afstuurde en deze bliksem veranderde hem in de eerste van de
Lycantropen
(weerwolven).
Zeus was nu zo kwaad over de mensen dat hij besloot een Godenvergadering bijeen
te roepen en daar werd besloten de mensheid te vernietigen met een
vloed. De
enigen die overleefden, waren
Deucalion en
Pyrrha.
* Deucalion en Pyrrha
(bij de Atheners en in
Hiërapolis):
Vele plaatsen in
Griekenland claimden op de
een of andere manier met de grote vloed van Deucalion te maken te hebben gehad.
Zo ook de Atheners. Zij beweerden dat toen de regen losbarstte boven Lycorea,
waar
Deucalion koning was, deze onmiddellijk vluchtte naar
Athene en daar een
heiligdom voor Zeus bouwde en dankoffers bracht.
In dit verhaal wordt niet
gesproken over een schip of een ark.

In de
tweede eeuw na Christus werden in
Athene reizigers rondgeleid naar een
groot gat in de grond, waar volgens de Atheners al het water na de zondvloed in
was verdwenen. Elk jaar werd er daar een festival gehouden waarbij mensen eten
en drinken in de kuil gooiden voor de mensen in de onderwereld.
Een dergelijke ceremonie vond ook plaats in
Hiërapolis in
Klein-Azië. De
schrijver
Lucianus vertelt hier uitvoerig over. Hij zegt dat de aarde voor de
zondvloed bevolkt werd door een ander soort mensen, die bekend stonden om hun
slechtheid en wetteloosheid. Deucalion was een van hen, maar hij was anders dan
alle anderen. Omdat hij zo verstandig en trouw was ten opzichte van de Goden
werd hij gespaard toen besloten werd de mensheid weg te vagen.
Deucalion ging
aan boord van de ark samen met zijn vrouw en kinderen en toen hij aan boord was
gegaan kwamen varkens, paarden, leeuwen, slangen en alle andere landdieren op
het schip, in paren. Ze deden elkaar geen kwaad want met de hulp van God waren
ze heel vriendelijk tegen elkaar en ze bleven op de ark totdat het water gezakt
was.

Behalve dit verhaal hadden de mensen uit
Hiërapolis net als de Atheners nog een
gat in de grond waar het water van de vloed in verdwenen zou zijn.
Deucalion zou
een tempel voor
Hera gebouwd hebben naast het gat. Bij deze tempel werd er twee
keer per jaar door de bevolking water van de zee naar de kuil gebracht en in de
kuil naast de tempel gegooid. Hoewel het maar een heel kleine kuil was verdween
al het water erin, waarmee het bewijs geleverd was dat dit wel de kuil van
Deucalion moest zijn.
Dit verhaal is waarschijnlijk ook beïnvloed door de
Babyloniërs en andere
volkeren die uit het oosten kwamen.
* Nannacus en de ark in Apamea
Cibotos:
Op wel meer plekken in
Klein-Azië werden
verhalen verteld die te maken hadden met de vloed van
Deucalion. Zo was er ooit
een man die
Nannacus heette, koning van
Phrygië was en al meer dan driehonderd
jaar oud was. Zijn buren die de oude man blijkbaar zat waren gingen naar het
orakel om te vragen hoe lang
Nannacus nog zou leven. Toen zei het orakel dat als
Nannacus zou sterven alle mensen met hem ten onder zouden gaan. Nadat de hele
wereld ten onder was gegaan door de zondvloed liet
Zeus
Athena en
Prometheus
beelden van modder maken en de wind er levensadem in blazen.
Deze
Nannacus wordt wel eens vergeleken met de bijbelse
Enoch of Henoch, die
driehonderdvijfenzestig jaar leefde voor de vloed en toen op vreemde wijze van
de aarde verdween, maar ook op het Griekse eiland
Kos zijn inscripties gevonden
over
Nannacus, wat erop zou kunnen wijzen dat hij van oorsprong
Grieks is.

Ook in
Apamea Cibotos in
Phrygië zijn aanwijzingen voor het zondvloedverhaal te
vinden. De naam Cibotos betekent ark en op een muur in het dorp staat de ark
afgebeeld met twee passagiers erin en buiten de ark nog twee, een man en een
vrouw. Op de top van de mast staan twee vogels, waarvan men zegt dat de ene een
raaf is en de andere een duif met een olijftak. Ook staat er naast de ark noë, het
Griekse equivalent van Noach. Dit bewijst dat de mensen in Apamea Cibotos in de
derde eeuw na Christus op de hoogte waren van het
Hebreeuwse zondvloedverhaal.
* De vloed van Deucalion en
Pyrrha op Rhodos:
Eerst werd het eiland
Rhodos bewoond door
mensen die Thelkinen heten; ze waren de kinderen van
Thalatta(de zee). Van deze
Thelkinen wordt verteld dat ze de uitvinders waren van een aantal nuttige
gebruiksvoorwerpen en dat ze als eerste standbeelden bouwden voor de goden. De
oudste afbeeldingen van de goden zijn naar hen genoemd, zoals de Apollon
Thelkinios bij de Lindiërs. Maar bovenal waren de Thelkinen magiërs, die het
konden laten sneeuwen en regenen en zelfs hun gedaantes konden veranderen. Ze
deelden deze kunsten niet graag met anderen.
Zij zagen de vloed dan ook aankomen en verlieten het eiland. Op hun raad vertrok
Lykos naar Lykia en wijdde daar bij de rivier
Xanthos een tempel aan
Apollon
Lykios. Toen de vloed kwam stierf de rest van de inwoners en werd het eiland
overspoeld.
* Het verhaal van Dardanus:
Dardanus was de zoon van
Zeus en
Elektra.
Hij was eerst koning in
Arcadië, samen met zijn oudere broer
Iasus. Dardanus
trouwde met Chrysis en kreeg twee zonen, Idaeus en Deimas.
Toen een grote vloed plaatsvond splitsten de overlevenden, die naar de bergen
waren gevlucht, die nu eilanden waren geworden, zich in tweeën. De ene helft
bleef onder leiding van Deimas achter, de andere helft vertrok met
Dardanus naar
het eiland Samothracië (Samothrace). Dit eiland was echter niet echt vruchtbaar
en daarom vertrokken
Dardanus en de zijnen weer, dit keer naar
Klein-Azië. Daar
stichtte Dardanus
Troje, dat ook wel
Dardania wordt genoemd.

Dardania (Troje) 2300 v. Chr.
Zoals het verhaal van
Ogyges misschien verklaard kan worden door een
overstroming van het meer
Copaïs, zo kan het verhaal van
Dardanus misschien
verklaard worden door een overstroming in een soortgelijke vallei, alleen dan in
Arcadië.
Volgens
Varro was
Dardanus afkomstig uit Pheneus in
Noord-Arcadië. Er zijn veel
overeenkomsten tussen de vlakte van
Copaïs en die van Pheneus. Het zijn allebei
uitgestrekte vlaktes, omringd door bergen die regenwater aanvoeren. Allebei
hebben ze ook geen rivier die de mogelijkheid geeft het water af te voeren naar
de zee, maar het water wordt afgevoerd via onderaardse kanalen. Deze kanalen
kunnen door een aardbeving plotseling worden afgesloten, waarna de vlakte
volloopt.
Door de jaren heen doen er heel wat mensen verslag over de toestand van het meer
van Pheneus. In de tijd van
Pausanias (2e eeuw) was al het water weer verdwenen
en Pausanisas hoorde alleen verhalen over het feit dat de vlakte ooit een meer
zou zijn geweest.
Volgens
Plinius was de toestand van de vallei tot aan zijn tijd toe vijf keer
veranderd van ondergelopen naar droog en weer terug, en dit zou veroorzaakt zijn
door aardbevingen.
* De vloed bij Samothracië:
Volgens weer een andere versie van het
verhaal kwam
Dardanus in
Troje terecht nadat hij in
Samothracië (Samothrace)
overvallen was door een vloed en hij net zolang weg dreef tot hij op
de berg Ida
strandde. De Samothraciërs zeiden dan ook dat hun eiland overspoeld was door een
vloed, de allereerste vloed, die plaats zou hebben gehad voor alle andere
vloedgolven die het
Oude Griekenland zouden hebben geteisterd. Ook nu nog graven vissers
voor de kust van het eiland zuilen op die afkomstig zijn van verzonken steden.

De reden die de
Samothraciërs gaven voor deze vloed is het verdwijnen van de
barrière tussen de
Zwarte Zee en de
Middellandse Zee. Toen deze blokkade
verdween, ontstonden in één klap de
Dardanellen en de
Bosporus en een groot deel
van
Klein-Azië werd overspoeld door al het water.
***
De
verspreiding en de mogelijke afkomst van de
Griekse
zondvloedverhalen:
Na al deze verhalen kunnen we er absoluut
zeker van zijn dat er zeker niet één eenduidig
Grieks zondvloedverhaal is
geweest, maar toch zijn er zeker wel overeenkomsten.
Vermoedelijk heeft de
legende met een
ritueel te maken, zoals dat in
Hiërapolis,
en dit ritueel zou ook uitgevoerd zijn in tijden van grote droogte om de geesten
van mensen die gestorven waren tijdens de zondvloed op te roepen, en men
geloofde dat deze
geesten voor water zouden zorgen...
De zondvloedsage is misschien oorspronkelijk afkomstig uit
Kreta, met
Deuakalion
als zoon van
Minos en de
mythe wordt ook vaak met de zonnegod
Helios verbonden.
Ook met
Zeus, die als
Naios in Dodona, als Phryxios in
Thessalië, als Olympios
in
Athene, en als Aphesios en
Nemea bekend is wordt de zondvloed vaak verbonden.
~ Zondvloedverhalen bij Plato:
In de dialoog
Timaeus vertelt
Critias een
verhaal waar hij al heel lang mee had rond gelopen en dat hij nu eindelijk eens
aan
Socrates wilde vertellen. Hij had het gehoord van zijn grootvader, die het
weer van
Solon had gehoord, die het verhaal op zijn beurt weer van een
Egyptische priester zou hebben gehoord. Het verhaal gaat volgens de priester
over de vroegste geschiedenis van de
Grieken, waar geen geschreven bronnen over
zijn. Daarom was deze geschiedenis ook bij de Grieken uit
Solon's tijd onbekend.
Er wordt verteld over een hele reeks gigantische vloedgolven die
Griekenland en
ook stukken van de rest van de wereld overspoeld zouden hebben. Bij één van
vloedgolven zou het
eiland Atlantis zijn verdwenen.

In
Plato`s dialoog
Critias, die niet helemaal bewaard is gebleven, vertelt
Critias tot in detail over hoe het
eiland Atlantis er uit zou moeten hebben
gezien. Er wordt verteld over een heel systeem van ringen en kanalen en
prachtige paleizen en steden. Atlantis zou een zeer machtig land zijn geweest,
maar het zou zijn verslagen door de
Atheners toen het probeerde zijn invloed uit
te breiden. Volgens
Plato lag Atlantis buiten de zuilen van
Herakles in een
grote oceaan.
Deze aanwijzing en de nauwkeurige beschrijving van Atlantis zorgen er al vele
jaren voor dat mensen proberen op de een of andere plek Atlantis te vinden. Het
zou bij
Indonesië liggen, op de
Zuidpool, het zou het door een vulkaan verwoeste
eiland
Thera (Santorini) kunnen zijn en zo zijn er nog veel meer mogelijke
locaties voor Atlantis. De mensen uit Atlantis zouden de piramiden hebben
gebouwd, en tempels in
Midden-Amerika en alle informatie over de inwoners van Atlantis zou verborgen liggen onder de rechtervoet van de
sfinx.
Of we al deze verhalen nou serieus moeten nemen of niet,
Plato's verhaal over
Atlantis is wel één van de meest bekende verhalen over een allesvernietigende
vloedgolf, en het heeft door de jaren heen vele mensen geïntrigeerd.
* Eskimo's(Herschel-Eiland):
Veel
Eskimo-stammen vertellen
een vergelijkbaar zondvloedverhaal.
De Eskimo's van
Herschel-Eiland
vertellen over Noah die alle dieren uitnodigde in zijn ark te komen
om gered te worden.
De
mammoeten geloofden echter niet dat er een
grote vloed zouden komen en dachten dat hun poten lang genoeg waren
om het te overleven.
Ze bleven buiten de ark en stierven uit.
De
andere dieren geloofden Noah en werden gered.
* Altaisch(Centraal-Azië):
In de
Altaische cultuur spreekt
men over Tengys (oftewel Zee) die ooit heer over de aarde was. Nama,
een goede man, leefde tijdens zijn bewind met drie zonen, Sozun-uul,
Sar-uul, en Balyks. Ülgen gebood Nama een ark (kerep) te bouwen,
maar Nama liet het zijn zoons doen omdat hij slecht kon zien. Nama
ging de ark in met zijn familie en vele soorten dieren en vogels die
ronddreven door het stijgende water. In deze mythe liet Nama zijn
oudste zoon het raam openen om rond te kijken, waarop de zoon enkel
de pieken van bergen zag. Uiteindelijk stopte de ark tussen acht
bergen. Ook in dit verhaal komen vogels voor, want Nama laat een
raaf, een kraai en een roek los, maar geen één keerde terug. Op de
vierde dag liet hij een duif los, die terugkwam met een takje.
* Amerikaans:
Interessant is ook dat toen de
Spanjaarden in
Amerika kwamen en ze
missionarissen meenamen die de
plaatselijke indiaanse bevolking probeerden te bekeren deze
indianen
het verhaal van de (zond)vloed al bleken te kennen.
Blijkbaar geloofden de
Lakota-indianen dat de mensheid de vloed had
overleefd doordat een vrouw door een adelaar op een hoge berg werd
gebracht, en zij vervolgens een tweeling kreeg waar de Lakota's
zouden van afstammen.

* Zondvloed,
wetenschap en pseudowetenschap:
Binnen het
creationisme wordt een zondvloed
vaak als belangrijke verklaring aangevoerd voor het ontstaan van
aardlagen. Volgens de
Bijbel werden van alle diersoorten
die op het land of in de lucht leven, enkele exemplaren met de ark
meegenomen; en werden tijdens de zondvloed alle bergen met water
bedekt. Belangrijke bezwaren hiertegen zijn de kwesties
hoe de ark groot genoeg kon zijn om alle diersoorten mee te nemen;
en waar al dat water vandaan is gekomen en waar het is gebleven. Het
volgens
Voltaire ongeloofwaardige en
onmogelijke verhaal van de zondvloed, bracht hem ertoe
de Bijbel als
geloofwaardige bron van kennis af te schrijven. Later hebben
jongeaardecreationisten
overigens verklaringen hiervoor bedacht, onder andere door aan te
nemen dat er enkele duizenden jaren geleden van sterke
hoogteverschillen van de aardkorst geen sprake was, en dat de
diersoorten zich uit een beperkt aantal basistypen hebben ontwikkeld
na de zondvloed, in een tijdsbestek van slechts enkele duizenden
jaren.
Begin
19e eeuw kwam de Schotse
geoloog
Charles Lyell met een nieuwe
theorie. Hij verklaarde dat de geleidelijke en langzame processen
die tegenwoordig plaatsvinden ook in vroeger tijden werkten. Omdat
deze processen over zeer lange perioden werken, brengen deze toch de
grote veranderingen in de aardkorst die in de bodemlagen zijn af te
lezen. Dit noemt men het
uniformitarianisme. Het was onder andere
deze theorie die
Charles Darwin inspireerde tot zijn
evolutietheorie.
Zo is de gedachte van de zondvloed als een wereldomvattende
catastrofe binnen de
geologie op de achtergrond geraakt. Maar als
lokale ramp wordt ze toch nog wel gebruikt. Een nieuwe
theorie is
dat de zondvloed een reeks
megatsunamies was die door de
Burckle
inslag veroorzaakt waren.

De Kater van Burckle.
* De Zwarte Zee:
Een andere, BEWEZEN theorie is
dat de zondvloedverhalen iets te maken hebben met het onderlopen van
de
Zwarte Zee
na de
IJstijd. (Meest voor de hand liggend).
Ook "National
Geographic" heeft deze
Zwarte Zee
theorie verfilmd.
*** Zie
Zwarte Zee, overstroming na de ijstijd
voor het hoofdartikel over dit onderwerp bij 'Wikipedia'.

De Zwarte Zee.
* Mesopotamië:
Andere, meer traditionele
theorieën gaan ervan uit dat het verhaal van de zondvloed gebaseerd
is op een uitzonderlijk grote overstroming van de
Eufraat en de
Tigris in
Mesopotamië.
* Hypotheses:
Tegenwoordig is er nog steeds
een minderheid van
orthodoxe christenen die uitgaat van een
letterlijke wereldwijde zondvloed als verklaring voor de bodemlagen
(zie ook het
jongeaardecreationisme). Een aantal van hen heeft een
academische achtergrond, doch slechts een enkeling heeft
deskundigheid in de relevante vakgebieden. Met hun
hypotheses
trachten zij het natuurlijke bewijsmateriaal in overeenstemming te
brengen met orthodoxe bijbelinterpretatie. Deze
hypotheses vallen
dus onder de
pseudowetenschap. Een bekende pseudowetenschappelijke
theorie waarin de zondvloed een grote rol speelt is de
hydroplaattheorie.
* Trivia:
De duif uit het verhaal in de
Hebreeuwse Bijbel werd geëerd door er het
sterrenbeeld Duif (Columba)
naar te vernoemen.
  
Oorspronkelijke Zondvloed?

Het is wetenschappelijk bewezen
dat er ooit een zondvloed was, maar zeker niet zoals in de Bijbel
beschreven werd. In de Bijbel werd een zoveelste kopie neergepend,
zoals de Bijbel grotendeels een kopie is van wat reeds bestond of
bestaan heeft, eeuwenlang vóórdat het christendom het daglicht zag.
Ook de
Hebreeërs kenden hiervan een kopie
verhaal.
De Bijbelse zondvloed is de zoveelste kopie van het originele
verhaal en dat verhaal speelt zich af, waar nu de Zwarte Zee is.
De Zwarte Zee was vroeger bewoond land en is ontstaan door een
landbreuk, waardoor het water van de
Zee van Marmara en dat van de
Middellandse Zee het lagere gelegen land binnenstroomde. De
landmassa was bezweken door de druk van het water.
De bodem van de Zwarte Zee is giftig, waardoor hout, stenen en
metalen voorwerpen goed geconserveerd blijven en de Godsdienst
rondom de Zwarte Zee ligt aan de oorsprong van de Oud -
Mediterranische en de huidige Westerse Godsdiensten en ze werd zo'n
7600 jaren geleden te zijn ontstaan
door een landbreuk. Daarvoor was er bewoonbaar land met een
zoetwatermeer, wat in een korte periode veranderde in een zee. "De
Zwarte Zee".
Het is dus meer dan
waarschijnlijk dat het originele oorspronkelijke epos van de
zondvloed daar vandaan komt, maar hoe en wanneer en door wie?
Waar kan dat zondvloedverhaal (talloze malen gekopieerd) zijn
oorsprong gevonden hebben? Waar kan het écht vandaan komen?
Wij zeggen en schrijven:(*)
* Het Atrahasis-epos
*
(Uit
Wikipedia)

Het Atrahasis epos in spijkerschrift.
Het Atrahasis-epos is een
oeroud,
Babylonisch
epos dat vooral bekend is vanwege het
zondvloedverhaal dat erin verteld wordt. Dit zondvloedverhaal is
ongeveer hetzelfde als dat op het elfde tablet van het Gilgamesh-epos en vertoont ook grote overeenkomsten met het latere
verhaal in de
Bijbel. Het begint als volgt:
"Toen de Goden, in plaats van de mensen,
het werk deden, de lasten droegen,
werd de last voor de Goden te groot,
het werk te zwaar, de inspanningen te veel.
De grote Annunki lieten de Igigi,
zeven keer die hoeveelheid werk doen,
Anu, hun vader, was koning".

Anu (An)
Het
universum is in het verhaal
verdeeld in drie delen.
De god
Anu regeert in de hemel,
Enlil op aarde
en
Enki in het onderaardse water.
De god Enlil was de heerser over het land en Heer der Winden. Hij
veroorzaakte de stijging van het water in de rivieren en was ook de
veroorzaker van de grote overstromingen.
Enlil dwingt de mindere
Igigi-goden al het werk te doen, maar na
veertig jaar komen ze in opstand en belegeren ze de tempel van Enlil
in
Nippur. De god Enki stelt voor om mensen te scheppen en die het
werk te laten doen. Samen met de
moedergodin
Mami wordt dit
uitgevoerd.
Op een gegeven ogenblik zijn er zoveel mensen dat ze met hun lawaai
de god Enlil uit zijn slaap houden. Deze besluit via de god
Namtar
de mensen een plaag te sturen. Dankzij de vrome
Atrahasis houdt deze
op. Na een tijdje maken de mensen echter weer te veel herrie naar de
zin van Enlil. Ditmaal straft hij ze met een hongersnood. Deze wordt
door de mensheid overleefd. Dan besluit Enlil drastischer
maatregelen te nemen. Hij stuurt een zondvloed op de mensen af. Dit
deel van het verhaal vertoont grote parallellen met de Bijbel.
Atrahasis bouwt een rieten
ark en overleeft zo met zijn familie en
een aantal dieren de zondvloed.

Enlil
Het epos geeft ook een beeld
van de ecologische problemen waarmee de Sumerische cultuur te kampen
had, ondanks -of dankzij- de bevloeiingswerken van koningen als
Entemena van Lagash.

* Gilgamesch:

Volgens de
lijst van koningen
van
Sumer was Gilgamesh de vijfde koning van
Uruk. Hij regeerde
tussen
2652 v. Chr. en 2602 v. Chr. en was de opvolger van
Dumuzi.
Hij was een zoon van koning
Lugalbanda en de godin
Ninsun.
Gilgamesh wordt beschreven als twee derde god en een derde mens.
Gilgamesh is vooral bekend van het Gilgameshepos. Het epos is
samengesteld uit een verzameling heldenverhalen met Gilgamesh als
hoofdpersoon. De verhalen werden gedurende eeuwen mondeling
overgeleverd en later neergeschreven in het
spijkerschrift. De
definitieve versie van het epos zou dateren uit de
twaalfde eeuw
vóór onze tijdrekening.
Van Gilgamesh wordt verteld dat hij de onafhankelijkheid van
Uruk
voltooide en de stadsmuren liet bouwen.
Volgens de legende was het Gilgamesh die
Agga, koning van
Kish,
versloeg en zo een einde maakte aan de heerschappij van Kish over
Sumer. Nochtans was het niet
Uruk, de stad van Gilgamesh, die van de
overwinning profiteerde maar de welgestelde stad
Ur. Hier werd rond
dezelfde tijd een nieuwe dynastie gesticht door
Meshannepada, die
over het grootste gedeelte van
Sumerië zou heersen en als eerste
dynastie van
Ur opgetekend werd.
Het Gilgameshepos

Het Gilgameshepos is één van de
oudste literaire werken. De oorsprong van dit heldendicht ligt
waarschijnlijk in het
Sumer van ca.
2100 v. Chr.
Gilgamesh zelf zou koning zijn geweest in Uruk rond
2620 v. Chr.
Het epos werd ontelbare malen overgeschreven en bewerkt en
verspreidde zich over een groot gebied.
* Ontstaan en ontwikkeling
van het epos:
Het epos gaat terug op losse
verhalen in het Sumerisch rond de figuren van 'Bilgames', een
variantspelling, en Enkidoe uit het begin van het tweede millennium
v. Chr.
Dit zijn waarschijnlijk kopieën van teksten uit de periode van de
laatste opleving van Sumer tijdens
de derde dynastie van Ur, ca.
2112 - 2000 v. Chr.
Ook is er nog "Bilgames, Enkidoe en de onderwereld" waarvan de
tweede helft later aan het Gilgameshepos werd toegevoegd.
Deze cyclus werd vertaald in het
Akkadisch met als gevolg dat er al
in de
18e eeuw v. Chr. een samenhangend epos bestond van vijf tot
acht tabletten en 2000 verzen met als titel "Shoetoer eli sharri"
(hoog rijst hij op boven alle koningen). Fragmenten ervan zijn
teruggevonden bij opgravingen in centraal- en zuidelijk
Mesopotamië,
maar ook in het
Hittitische rijk en in het
Mitanni-rijk in west-Iran,
oost-Turkije en
Syrië.
Een ander fragment is gevonden in
Megiddo bij
Haifa in
Israël.
Waarschijnlijk werden de teksten gebruikt door schrijversscholen om
Akkadisch te leren.
Rond
1200 v. Chr. onderging het epos een soort standaardisatie in
zijn redactie.
Het epos heette toen: "Sha nagba inoeroe" (hij die alles gezien
heeft). Het werd verdeeld over elf tabletten en kreeg een strakke,
bijna symmetrische compositie met het omslagpunt op het zesde
tablet. Het verhaal werd geformaliseerd met veel vaststaande frasen
en herhalingen. Waarschijnlijk is het verhaal van de grote vloed pas
tijdens deze laatste redactie aan het epos toegevoegd. Er bestaan
oudere verhalen over de vloed in het Sumerisch en oud-Babylonisch
van circa
2800 v. Chr., bijvoorbeeld het Atrahasis-epos. De
standaardversie van het Gilgameshepos moet een omvang hebben gehad
van zo'n 3000 regels. Geschreven fragmenten zijn bekend uit de
periode
1200 -
130 v. Chr.
Later is nog een twaalfde tablet aan het epos toegevoegd, een
schildering van de onderwereld. Het is een vrij letterlijke
vertaling van een oudere, Sumerische voorloper van het epos
(Bilgames, Enkidoe en de onderwereld), maar de loop van het verhaal
klopt niet helemaal, want Enkidoe is opeens weer levend en daalt af
in de
onderwereld om speelgoed van Gilgamesh op te halen.

Humbaba verslaat Enkidoe (Enkidu)
* Vondstomstandigheden:
De tekst van het epos,
geschreven in
spijkerschrift op kleitabletten, is voor het eerst
ontdekt in de bibliotheek van koning
Assoerbanipal in
Ninive, de
hoofdstad van
Assyrië. De bibliotheek was in
612 v.Chr., bij een
aanval van de
Meden en de
Babyloniërs op de stad door brand
verwoest. Door de hoge temperatuur tijdens de brand werden de
kleitabletten gebakken, waardoor ze bewaard zijn gebleven - anders
waren de teksten waarschijnlijk verloren gegaan. De kleitabletten
zijn door de vloer heen op de begane grond gevallen en in een 30 cm
hoge stapel terechtgekomen. De meeste tabletten waren gebroken en de
brokstukken lagen door elkaar.
De Britse ontdekker
Austen Henry Layard besefte in
1850 wel dat zijn
vondst belangrijk was, maar hij wist niet goed wat hij ermee moest:
het
Akkadische
spijkerschrift was toen nog niet ontcijferd.
Bovendien zocht hij naar "echte" schatten, zoals juwelen, beelden en
wandschilderingen. De tabletten liet hij in kratten afvoeren, en ze
werden aan allerlei musea en antiquairs verkocht zonder bij elkaar
horende delen bij elkaar te houden. Het kostte de grootste moeite om
alles weer een beetje bij elkaar te zoeken. Maar vanaf
1857 werd het
spijkerschrift eindelijk ontcijferd, en het vertalen kreeg een
aanzienlijke impuls toen de
assyrioloog George Smith ontdekte dat in
de bijbel fragmenten uit het epos waren overgenomen, zoals het
verhaal over de zondvloed, een ontdekking die tot grote opwinding
leidde.
De vondst van Layard bleek vier kopieën van het epos te bevatten.
Smith ging twintig jaar na de eerste opgraving nog eens terug om
doelgericht naar tabletten te zoeken. Hij ontdekte nog talloze
fragmenten die daarvóór over het hoofd gezien waren. Later werden -
overal in
Sumer en ver daarbuiten - eveneens delen van het epos
gevonden. Met behulp van al deze bronnen kon de loop van het verhaal
redelijk betrouwbaar worden gereconstrueerd. In
1930 verscheen de
eerste complete standaarduitgave van het epos door
Reginald Campbell
Thompson.
* Structuur:
Er zijn elf
kleitabletten, die
ieder een afgerond geheel van het epos bevat hebben. Van de meeste
tabletten zijn echter geen geheel volledige versies bekend. Door
sommigen wordt ook nog een twaalfde tablet erkend als horende bij
het epos.
Gilgamesh is de grootste koning
op aarde, twee derden god, een derde mens en de sterkste
held ooit.
Zijn volk echter vindt hem te hardvochtig en daarom schept de
hemelgod
Anu de wildeman
Enkidoe die door de
naditu of tempelslavin
Shamhat getemd wordt.
Enkidoe vecht met Gilgamesh maar verliest. Zij worden grote
vrienden. Gilgamesh stelt voor op avontuur te gaan in het cederwoud.
Voorbereidingen voor de tocht naar het cederwoud; velen steunen de
helden, onder anderen de zonnegod
Shamash.
De tocht naar het cederwoud.
Gilgamesh en Enkidoe doden
Humbaba, de demonische beschermer van het
woud met hulp van Shamash. Zij hakken de bomen om en bouwen een
vlot, waarop zij naar
Uruk terugdrijven.
Gilgamesh is niet gediend van de seksuele aandacht van de godin
Ishtar. Zij laat haar vader Anu de Stier des Hemels sturen als wraak
op Gilgamesh en zijn stad. Gilgamesh en Enkidu doden de stier
echter.
De goden besluiten dat iemand gestraft moet worden voor de dood van
Humbaba, namelijk Enkidoe. Hij wordt ziek en als hij op zijn
sterfbed ligt beschrijft hij hoe de
onderwereld eruit ziet.
Klaagzang van Gilgamesh voor zijn vriend Enkidoe.
Gilgamesh krijgt angst voor de dood. Hij besluit op zoek te gaan
naar het eeuwig leven, door een gevaarlijke reis te ondernemen om
Utnapishtim en zijn vrouw te bezoeken. Zij zijn de enige mensen die
onsterfelijk zijn en zijn al in leven sinds voor de Zondvloed.
De voerman Urshanabi boomt Gilgamesh over de Wateren des
Doods.
Gilgamesh ontmoet Utnapishtim, die hem het verhaal van de zondvloed
vertelt en hem twee kansen op onsterfelijkheid geeft. Het verhaal
van de zondvloed komt ook terug in het nog oudere Atrahasis-epos.
Gilgamesh vergooit zijn kansen op onsterfelijkheid echter allebei en
keert naar
Uruk terug.
Rond
1200 v. Chr. is een twaalfde tablet toegevoegd. Gilgamesh laat
zijn bal en stok in de onderwereld vallen en Enkidoe gaat ze ophalen
maar de onderwereld grijpt hem. Maar Gilgamesh maakt een gat in de
grond en de geest van Enkidoe kan ontsnappen en hem vertellen hoe
het er in de onderwereld aan toe gaat.

* Overeenkomsten met de bijbel:
Of er delen zijn van het heldendicht die enige geschiedkundige
waarheid bevatten, is twijfelachtig. Het is wel interessant om op te
merken dat de Bijbel en het Gilgameshepos beide de Zondvloed noemen.
Dit is te danken aan het feit dat dit verhaal uit het Gilgameshepos
in het gehele
Midden-Oosten verteld werd. Tot in de twintigste eeuw
vertelden verhalenvertellers dit verhaal door. Een fragment van
tablet 7 is gevonden in
Megiddo, bij
Haifa in
Israël, mogelijk uit ca.
1300 v. Chr. Het grootste deel van de Bijbel zou pas vanaf
586 v.Chr. in
Babylon zijn geschreven. Het Gilgameshepos en de Zondvloed
worden wel in verband gebracht met
het onderlopen van de Zwarte Zee
na de ijstijd.

De
Patriarchen vormen een groep tussen de semi-nomadische Semitische
stammen die de handelsroutes bedienden met lastezels (kamelen waren
nog niet gedomesticeerd in deze streek). Hun mythen hebben veel
gemeen met de
Mesopotamische mythologie: zo is er sprake van een
gouden eeuw, de zondvloed, de
toren van Babel. De namen van deze
patriarchen zijn in feite zeer oud, en komen in Mesopotamische
teksten reeds vroeg
2e millennium v.Chr. voor.
Het verhaal van
Ziusudra, de held die aan de zondvloed ontsnapte op
een boot van riet en bitumen, die hij op last van watergod
Enki
maakte, dateert al uit het
4e millennium v.Chr. en lijkt model voor
Noach te hebben gestaan.

In
1750 v.Chr. bestond in
Mesopotamië onder
Hammurabi een
tempelcultus van de toenmalige stadsgod
Marduk. De mythen van de
Schepping en de Zondvloed kwamen ook toen nog voor.
De verhalen over de vloed in het Gilgameshepos en
Genesis zijn zo
gelijklopend, dat onderzoekers op zoek gingen naar mogelijke
verklaringen.
Alexander Heidel stelt drie
mogelijke theorieën over deze verwantschap voor:
de Babyloniërs ontleenden het verhaal uit het Hebreeuwse verslag
het Hebreeuwse verslag steunt op het Babylonische beide stammen af van een gemeenschappelijke 'oerbron'
Zijn conclusie is dat, vermits het in Akkadisch opgestelde epos
ouder is dan het Oude Testament, de best geaccepteerde verklaring de
tweede is, namelijk dat het Bijbelse verhaal gebaseerd is op het
Babylonische materiaal.
Andere onderzoekers zoals
K. A. Kitchen opteren dan weer voor de
derde mogelijkheid, dat de twee verhalen een gemeenschappelijke bron
zouden hebben, en dus niet van elkaar geleend hebben. "It is likely
that “The Hebrew and Babylonian accounts may go back to a common
ancient tradition, but are not borrowed directly from each other". (K. A. Kitchen).
(Wat volgens ons klare "witwassende" onzin is).

* Vertalingen en
bewerkingen:
Enkele vertalingen naar het Nederlands:
~ Uit de originele
talen:
Herman Vanstiphout.
Het epos van Gilgameš, SUN, 2002.
ISBN
9058751015
T. de Feyter. Het Gilgamesj Epos, Ambo, 2005.
ISBN 9026319347
~
Als beeldverhaal:
G. de Bonneval en F. Duchazeau. Gilgamesj. Vertaald uit het Frans
door E. van den Biesen, Atlas, 2007.
ISBN 9045013487


Bron:
Wikipedia
 |