In de Keltische beleving leefden in de bovenzinnelijke werelden naast hun goden ook de
geesten, reuzen en de gevleugelde wezens zoals (witte) paarden en elfen.
De grens tussen de onzichtbare sferen was een vliesdunne sluier die door zieners - "sjamanen" - en barden tijdens zielsreizen bezocht werden. De toegangen tot deze Andere Wereld lagen in afgelegen wouden, ver afgelegen eilanden, bij waterbronnen en onder groene heuvels. Op 31 oktober, de vooravond van Samhain (het Keltisch Nieuwjaar), waren veel van deze poorten naar het ondergrondse rijk open.
De elfen kwamen dan uit hun ondergrondse paleizen om feest te vieren en aardse stervelingen mochten op hun beurt het Elfenland betreden.
De traditionele Iers-Keltische naam voor een elf was "Bean Sidhe".
De Tuatha Dé Danann (Too-ah day Thay-nan, Tootha day Danan) of "het volk van de godin Dana" heersten als laatste goden over dit land.
Dana (Anu), was de naam van de grote moedergodin die haar naam gaf aan de Tuatha Dé Danann. Er is niet veel bekend van de Tuatha Dé Danann voordat ze Ierland invallen, behalve dan dat ze uit vier steden uit het noorden kwamen: Falias, Glorias, Murias en Finias, alwaar ze hun magische krachten en attributen hebben vervaardigd. De wortels van het woord “Tuatha” komen voort van het woord “Noord” en betekent ook "Koninkrijk".
In de Iers-Keltische mythologie wordt het noorden gezien als de bron voor alle kracht.
De Tuatha Dé Danann hadden vier magische voorwerpen:

1~ De Ketel van Dagda.
Uit Murias, de verzonken stad, kwam de Beker van Dagda die niemand onbevredigd liet. De grote vadergod van de druïden in Ierland stond bekend als de Dagda. Hij was een machtig wezen en bezat een ketel die zo groot was, dat hele werelden geroerd konden worden in de diepten van de ketel.
2~ De Speer van Lugh.
Uit Gorias, de glinsterende stad van de morgenstond, kwam de Speer van Lugh die de overwinning zeker stelde. Lugh, dé "god van het licht", "de kleine god", was een krijger die al zijn rivalen overtrof, zo gaat de mythe. Hij was tevens bezitter van alle ambachten en vaardigheden en werd daardoor beschermer van de maatschappij. Zijn wapens waren inspiratie, intuïtie, maar bovenal de bliksemsnelle speer met de bijzondere eigenschap dat deze altijd doel trof.
3~ De Steen van Fál.
Uit Falias, de met rijp en sterren overdekte stad, kwam de steen van Fál, deze maakte geluid wanneer de rechtmatige koning hem aanraakte.
4~ Het Zwaard van Nuada.
Uit Findias, de met toortsen verlichte stad, kwam het Zwaard van Nuada waar niemand kon aan ontsnappen. Het toverzwaard van hun aanvoerder met de zilveren arm, "Nuada", dat alleen dodelijke slagen toebracht.

Nadat ze zelf later verslagen worden door de Spaanse Milesianen, (zonen van Milesius, ook wel Mil of Mile, de naam van de Spaanse soldaat wiens zoons de laatste inval in Ierland leidden. Ze namen zodoende wraak voor de moord op hun verwant Ith (zie Lughnasadh). Ze versloegen de Tuatha Dé Danann, "het volk van de godin Dana", die tot dan toe heerste over Ierland. Na de beslissende slag, die door de Milesiërs werd gewonnen, trokken de Tuatha Dé Danann zich terug in een ondergrondse andere wereld), wordt er gezegd dat het volk zich in heuvels heeft terug getrokken, en nu leeft als elfen.
"Dagda" was de vader van de goden. Hij bezat een toverketel van overvloed en
wedergeboorte en een toverknots die op wielen werd vervoerd. De Tuatha Dé Danann
waren beeldschone goden afkomstig uit de "etherische" bovenwereld en daardoor ook zeer kwetsbaar.
Na de komst van de voorouders van de Ieren, de Spaanse Milesianen, verdween de Tuatha Dé Danann en leven voortaan ondergronds. Volgens overleveringen heeft elke god onder de groene heuvels van Ierland zijn "Sidhe", een schitterend onderaards
hof. In de loop van de eeuwen werden de vrouwen van het ondergrondse elfenvolk "Bean Sidhe" als "Banshee" aangeduid.
Een Banshee wordt geacht met een Ierse familie verbonden te zijn.
Door een harde kreet zouden zij de dood van een mens aankondigen.
(Zie Lughnasadh).



"Dagda" (rechts op de achtergrond).



Alle Keltische volkeren in Europa kenden de (Ierse) "Tuatha Dé Danann" als het (hun) godenvolk.
Hun naam is eveneens te traceren in de mythen van Wales en ook door inscripties op het Europese vasteland. De christelijke kerk heeft in Ierland de naam Tuatha Dé Danann nooit uit kunnen roeien. Zelfs door Ierse monniken werden eeuwen later hun
heldendaden, hoewel anders geïnterpreteerd, nog steeds opgeschreven.
In de middeleeuwen werden de oorspronkelijke Keltische verhalen in Ierland en de andere landen van West Europa steeds meer aangepast. De kerk was niet gelukkig meer met heel die "
koning Arthur legende", die vol staat met verleidelijke elfenmeisjes die dolende ridders verschalken.
Ook de wonderbaarlijke eigenschappen van de heilige graal was oorspronkelijk ontleend aan de wonderbaarlijke Keltische toverketel van overvloed en wedergeboorte, een verwijzing naar het bovenzinnelijke (Keltische krijgers konden levend uit een ketel der wedergeboorte herrijzen). De "Heilige Graal" slaat op het bloed van de nakomelingen van Jezus en Maria Magdalena, "de Merovingen", (niet de "christen" versie...), alsook op de mythologie van de ketel van de Dagda, heer van de Tuatha Dé Danann.
De legende van Arthur werd in christelijke wereld aangevuld met nieuwe elementen zoals de ronde tafel die de eenheid symboliseerde. De heilige graal op het midden van de tafel herinnerde voortaan aan de beker van het heilige avondmaal. Aan de ridders van de Ronde Tafel verscheen de heilige graalbeker in een verblindend licht. Deze aanblik maakte hen wijzer, sprakeloos en gaf een gevoel van eenheid en verbondenheid. Hetzelfde was het geval met gedode Keltische krijgers die levend maar zonder spraakvermogen uit de Ketel van Wedergeboorte van Dagda herrezen.
In de oudste legenden over koning Arthur staat geschreven dat hij in de andere wereld (
Avalon, Annwn) wacht op de reïncarnatie als verlosser van zijn onderdrukte Keltisch volk. Op het grafschrift van koning Arthur, gevonden in de abdij van Glastonbury, staat het volgende: "Hier ligt Arthur, de koning die was, de koning die zal zijn", wat verwijst naar de Keltisch beleving van reïncarnatie.
Deze levensovertuiging werd in de latere christelijke varianten over koning Arthur geschrapt en de deugdzame elfen kregen de rol en de benamingen van "engelen" en werden verder naar "kinderverhalen" gemuteerd.








Morrigan (The Morrigan) is een Keltische godin van de oorlog. Ze is één van de drievoudige godin samen met Macha en Nemain. Haar naam verwijst letterlijk naar "schimmenkoningin". Omdat Morrigan de godin van de oorlog is wordt ze ook wel Badb Catha genoemd, wat "oorlogskraai" betekent. In de Keltische mythologie verschijnt ze in soms één vorm maar ook wel in drie vormen tegelijk, zoals zovele godinnen kon ze van gedaante veranderen. Morrigan wordt vaak afgebeeld als een kraai of een raaf. Volgens de mythologie vloog zij in de vorm van een kraai over de veldslagen heen en gebruikte haar magie om de krijgers en de veldslag te beïnvloeden.
Ook zou ze de macht hebben om te kiezen over wie er zou sterven.
Vaak word ze gezien als een duistere en donkere godin, toch zijn er ook bronnen die juist het tegenovergestelde over haar zeggen.
Morrigan (The Morrigan) is één van de actiefste en meer inspirerende voorbeelden van de soevereine godin in de hele Keltische literatuur. Zij is een strijdende heks bij uitstek, maar ook beschermt zij, stelt ons voor uitdagingen en geeft ze ons energie.
Morrigan leert ons het belang van zelfvertrouwen, zelfverzekerdheid, voorbereid zijn, positie kiezen en alertheid, niet alleen op het slagveld, maar in elk aspect van het leven.
De naam Morrigan betekent "Grote Koningin". Ze wordt altijd volledig bewapend met een speer in elk hand afgebeeld. Morrigan verandert, net als haar twee zusters, dikwijls in een zwarte kraai, en verschijnt ook dikwijls als een kraai op een strijdtoneel.
Haar kreet is zowel woest als onweerstaanbaar en er is van gezegd dat hij zo luid en indrukkwekend was als de kreten van tienduizend krijgers.
In de Keltische mythe is de kreet van de draak en angstaanjagende schreeuw die uiting
geeft aan de veronachtzaming of verwaarlozing door onwaardige heersers en koningen.
De draak is ook weer een Keltisch symbool voor de godin. Wanneer de draak huilt, is dat niet zozeer een klaaglijk schreien als wel een afschuwelijk gekrijs van ondraaglijke smart en verraden zijn. Morrigan bezit een soortgelijke gevoeligheid.
Ze bezit het vermogen tot beschermen en koesteren, maar verwerp haar of verraad haar en ze is, net als de draak, niet meer te kalmeren, noch te stuiten.
Morrigan verschijnt veelvuldig in legenden rond de Keltische held "Cu Chulainn".
In dit verhaal verstoort zij Cu Chulainn's slaap met haar angstaanjagende kreet. Morrigan verschijnt aan hem met een speer in de hand, in een Koninklijke strijdwagen met een rood paard ervoor. Zij draagt een schitterend rood gewaad, heeft rode wenkbrauwen en lang wild rood haar dat neerstroomt over de rug van een rode cape met capuchon. Zij is oogverblindend mooi en biedt Cu Chulainn aan de nacht met haar door te brengen. Cu Chulainn is zo dwaas dat aanbod af te slaan, met de bewering dat hij geen tijd voor vrouwen heeft en vermoeid is door de strijd. Niet alleen wijst hij haar af, maar hij beledigd haar ook nog. Wanneer ze hem verzekert hem te kunnen helpen de slag te winnen, doet hij dat aanbod spottend af. Ze zegt hem dat hij zijn gerechte straf niet zal ontgaan. Cu Culainns ondergang komt snel.
Wanneer hij dodelijk verwond aan de menhir is vastgebonden, sluiten zijn vijanden het net om hem heen. In gedaante van een kraai verschijnt Morrigan op magische wijze op zijn schouder, en Cu Chulainn wordt prompt onthoofd.
(Zie Lughnasadh).
Het verhaal geeft blijk van zelfverzekerdheid van Morrigan, haar vertrouwen in haar
eigen vermogen, en haar bereidheid om snel en doelgericht te handelen.