|





De
vroegste
ontwikkeling van de
Europese
hekserij
De
Inquisitie, de afdeling van de Rooms-Katholieke Kerk wiens job het
was om alle ketterij,
in al zijn vormen, in Europa te identificeren en te vernietigen,
speelde een sleutelrol in de
vroege vervolging van de Europese heksen.
Na de "ketters"als de Katharen, de Waldensers en de Tempeliers met
genadeloze efficiëntie
uitgeroeid te hebben - en de Kerk en uiteraard zichzelf flink te
hebben verrijkt door beslag te
leggen op alle eigendommen van de "ketters" - zag de Inquisitie het
wel best zitten ook de
heksen te kunnen veroordelen als "ketters" en de hekserij aldus ook
binnen haar
invloedssfeer te brengen.
De
theorie had zich ontwikkeld dat zich een nieuwe, en veel
gevaarlijker generatie van
tovenaars - toegewijd aan duivelsaanbidding en het omverwerpen
christus' kerk op aarde
- was verschenen en nu een "fullscale" invasie uitvoerde op de
beschaafde wereld.
Het
was niet zozeer de schade die die tovenaars aanrichtten, als wel het
feit dat zij
Christus's bestaan ontkenden.
Een dergelijke ontkenning, zo redeneerde men, was verraad tegen God
- en geen enkele
misdaad kon zo erg zijn als die!
Het feit dat het een of het ander 'halfgaar oud wijf' kon verdacht
worden dat ze haar
doopsel ontkende, verdiende al een straf, maar doordat zij, al was
ze zwak en verward als
individu, deel zou kunnen uitmaken van een enorme, internationale
samenzwering tegen
de gevestigde orde, maakte dat haar oneindig meer bedreigend!
De
demonologen verwezen naar de bijbel als zijnde de "supreme authority"
over de
realiteit van hekserij; o.a. het verhaal van de Heks van Endor, door
wie Saul probeerde
te communiceren met de geest van de overleden Samuel, en de legendes
rond Simon Magus,
een rivaal van de apostel Petrus, die zou geprobeerd hebben om te
leren vliegen.
Degenen die tegenpruttelden op grond van de almachtigheid van God,
waardoor de demonen
geen magische krachten konden aanwenden in het voordeel van heksen,
kregen van de
demonologen als antwoord dat god de Duivel zekere kwaadaardige
machten toestond om de
mensheid te testen.
Sommigen probeerden onderscheid te maken tussen goed en kwaad, of
"witte" en
"zwarte" magie.
Witte magie was onschuldig getover en aldus geen bedreiging tegen de
Kerk; alleen de
"zwarte magiërs" verkregen hun krachten van de Duivel.
Dit subtiel onderscheid maakte niets uit voor de meeste
heksenjagers; het werd algemener
geaccepteerd dat ieder die
beweerde, of ervan verdacht werd van magische krachten te hebben,
samengespannen had
met demonen en daardoor zich schuldig had gemaakt aan ketterij,
waarvoor de enige
strafmaat de dood was.
Summis Desiderantes.
Al
in 1258 had paus Alexander IV de vervolging toegestaan van
verdachten, beschuldigd
van het beoefenen van magie, maar het duurde nog wel even voor
hekserij het legitieme
territorium werd van de Inquisitie.
In
1320, onder druk van zijn ondergeschikten, accepteerde paus Johannes
XXII de theorie
dat hekserij ketterij was omdat het noodzakelijkerwijs een pact met
de Duivel inhield.
Daarom gaf hij dan ook opdracht aan de Inquisitie om ieder te
vernietigen die zich schuldig
maakten aan dergelijke duivelsaanbidding.
De
eerste stap in een systematische campagne tegen hekserij werd gezet
in een reeks van
heksenjachten in Zuid-Frankrijk in de jaren 1320. De Inquisitoren,
overduidelijk
ongedurig om ketterse bedoelingen te bewijzen en aldus hun recht om
de beschuldigingen
te aanhoren, zorgden ervoor de motieven van hun verdachten goed
te onderzoeken. Door bekentenissen te onttrekken aan hun verdachten,
door middel van
martelingen, vergaarde de Inquisitie op succesvolle wijze "bewijzen"
van het gehele
complex van de hekserij: sabbats, kannibalisme, geslachtsverkeer met
demonen, en de
aanbidding van de Duivel in de vorm van een bok.
Deze
"ontdekkingen", die het "overduidelijk bewijs" waren van een enorme,
kwaadaardige
Pan-Europese organisatie toegewijd aan Satan, dienden om een
panieksfeer te creëren
doorheen Zuid-Frankrijk, Zwitserland, Noord-Italië en de zuidelijke
Duitse Staten,
waardoor duizenden naar de brandstapel werden gestuurd voor
dergelijke overtredingen.
Volgens bepaalde documenten werden 200 veroordeelde heksen verbrand
in Carcassonne
en nog eens 400 in Toulouse, van 1320 tot 1350.



Tegen het einde van de 15de eeuw was de mythologie rond hekserij
goed ontwikkeld,
en waren verschillende stereotiepen vast omlijnd.
Alhoewel in realiteit, vooral op het Europese Continent, heksen van
elke leeftijd,
geslacht of klasse konden zijn, tekende de algemene verbeelding
steeds een heks als
een armoedige oude
vrouw, die liefst nog
de reputatie had van excentriek en onvriendelijk
gedrag. Meestal leefde ze apart van "normale" beschaafde mensen, in
het gezelschap van
bepaalde dieren (katten, kraaien, raven, muizen e.d.), die dan
geïdentificeerd konden worden
als een bepaald soort van demonen, "familiairs" genaamd.
Haar
schuld kon worden aangetoond door het ontdekken van het Merk van de
Duivel op
haar lichaam. Beschuldigingen die tegen haar konden worden
ingebracht waren het gebruik
van verschillende soorten toverspreuken om ziekte , schade aan
eigendommen en zelfs de
dood te veroorzaken, naar de sabbats vliegen op een bezem,
geslachtsverkeer met demonen,
en eer betuigen aan de duivel.
Bewijs van het pact met de Duivel was doorslaggevend.
In 1484, gaf de pauselijke bull "Summis Desiderantes" de Inquisitie
de toestemming tot het
gebruik van de strengst mogelijke maatregelen tegen beschuldigde
heksen. Omwille van het
unieke van hun misdaad, waren de beschuldigden schuldig tot het
tegendeel werd bewezen,
en werd hun alle bescherming door de wet ontzegd. Vaak werd hen niet
eens verteld
waarvan ze precies werden beschuldigd, en werd hen niet toegestaan
getuigen op te roepen
voor hun eigen verdediging.
Deze
pauselijke bull gaf effectief het startschot tot de belangrijkste
periode van
heksenvervolging.

De
Hekserij
Hysterie
   

Christelijk
West-Europa was gedurende ongeveer een 300
jaar in de greep van
een wijdverspreide paranoia rond de veronderstelde activiteiten van
heksen,
van ongeveer het midden van de 15de eeuw tot het midden van de 18de
eeuw.
Wat
gebeurde tussen 1450 en 1750 was een ware holocaust, en een
aanfluiting
van de beschaafde waarden van het post-reformatie Europa.
De gewone idealen van menselijkheid, wettelijkheid en tolerantie
werden
terzijde geschoven, om alzo de meest weerlozen van de gemeenschap
uit te roeien,
en hen op brute wijze uit te moorden op grond van beschuldigingen
die zelfs voor
de meeste fanatiekelingen en bijgelovigen belachelijk waren.
In
deze periode werden talloze verdachten voor de autoriteiten gesleurd
op basis
van de meest doorzichtige bewijzen, genadeloos gemarteld of op
andere wijzen
gedwongen te bekennen, en vervolgens ter dood gebracht; meestal door
verbranding,
of in Engeland en later in koloniaal Amerika, door ophanging.
Details over de sabbats, de namen van andere die ze ook bijwoonden
werden op
geroutineerde manier afgedwongen tijdens de martelingen, zodat nog
meer
"rechtszaken" in gang konden worden gezet, leidend tot een marathon
van
rechtszaken die resulteerden in het decimeren van de bevolking van
bepaalde
steden en dorpen.
Het
kleine Duitse stadje Quedlinburg zag op deze manier 163 van zijn
bewoners
sterven op de brandstapel,
163 mensen OP ÉÉN
ENKELE DAG!
Dank je wel, christenDOM! Dank je wel!
(Ja, je moet weten, men spreekt van het christenDOM en van het
heksenRIJK), zie je...
Maarja, zo spreekt men ook van het mensDOM en van het dierenRIJK,
nietwaar...
Het
feit dat marteling niet was toegestaan in Engeland onder de "Common
Law"
betekende dat de Engelse gemeenschap gespaard bleef van de ware
epidemies van
hekserij-hysterie zoals die plaatshadden in de Duitse staten.
Nochtans vonden hier
ook de nodige "mass-trials" plaats, die eindigden in de executie van
verschillende
leden van vermeende covens.
De
scheuring tussen de katholieke en protestantse kerk in de 15de eeuw
had
weinig tot geen effect op de verspreiding van de heksen-hysterie. De
protestantse
autoriteiten namen gewoon de procedures van hun katholieke
tegenhangers over,
en zetten de heksenvervolging even genadeloos verder.
In
de Duitse (en andere) staten waar marteling wel was toegestaan, was
er weinig
hoop op "ontsnapping" eenmaal men beschuldigd was van hekserij.
Ongegronde
beschuldigingen werden gretig geaccepteerd door de gerechtshoven;
als er enige
bezwarende bewijzen nodig waren, hoefde men de verdachte enkel te
martelen, om
zo de nodige bekentenissen af te dwingen, of te zoeken naar de "Devil's
mark"
(een plaats op het lichaam waar men geprikt kon worden zonder te
bloeden) wat
"onomstotelijk" aantoonde dat zij een pact met de Duivel hadden
gesloten.
In
Engeland ging het dus niet op om te martelen, maar daar had men wel
enige
andere ingenieuze ideeën om de schuld van een "heks" aan te tonen.
Zo werd een vermeende heks gewogen op een balans, met een bijbel op
de andere kant.
Wie lichter was dan de bijbel was zeker een heks
(en daartoe werd eventueel wel wat gefoefeld) met de balans om dit
in orde te brengen.
Een
andere, nog radicaler methode was dat men de heks, al dan niet
verzwaard met stenen, in een vijver of rivier gooide.
De redenering was dat een heks lichter was dan water en dus zou
blijven drijven.
Ging ze onder, dan was ze onschuldig. Het resultaat hiervan was
meestal dat ze
niet gewoon onder ging, maar ook verdronk voor men besloot dat ze
werkelijk
onschuldig was, en mocht bovengehaald werd. In sommige oude Engelse
steden
kan je nog steeds de Heksenwaag of de "witches' chair" zien waarmee
ze gewogen,
of verdronken werden
Klik op de
afbeelding voor een bezoek aan de Heksenwaag:

De heksen in
Engeland waren alleszins heel wat geruster dan die in de Duitse
staten;
voor elke heks die veroordeeld en geëxecuteerd werd in Engeland
(waar hekserij een
misdaad werd in 1542, en een halsmisdaad in 1563), werden er
ongeveer 100 Duitse
heksen veroordeeld en geëxecuteerd.
In 1600 rapporteerde een
Hekserij-rechter dat "Duitsland zich grotendeels bezig houdt
met het bouwen van brandstapels voor heksen".
De diocees van Bamberg wordt vooral herinnerd omwille van de reeks
van rechtszaken
die werd uitgevoerd met ongelooflijke wreedheid in de late 1620s;
ongeveer 100 heksen
werden jaarlijks geëxecuteerd tussen 1626 en 1629.
Vergelijkbare taferelen
vonden plaats in de staten Lorraine, Trier en Würzburg.
In de Silesische stad Neisse construeerde de beul een ijzeren oven
waarin hij ongeveer
1000 veroordeelde heksen verbrandde.
Daemonologie.
  

Nog een centrum van
heksen-hysterie was Schotland.
De hoofdrolspeler in deze hysterie was James VI of Schotland
(de latere James I of England); een "educated man" maar ook zeer
bijgelovig.
Hij kwam zwaar onder de indruk van de hekserij-hysterie in Europa,
toen hij Denemarken
bezocht om zijn bruid-in-spe te ontmoeten. Toen hij thuiskwam
interesseerde hij zich erg in
de rechtszaak van de zogenaamde North Berwick heksen, van wie men
zei dat ze zelfs
gepoogd hadden James zelf te vermoorden, door schipbreuk,
beeldmagie, en vergiftiging.
Eén van de beschuldigden,
Agnes Sampson, had een reputatie als heler - maar uit
resterende notities blijkt dat de meeste van de beschuldigden niets
te maken hadden met
hekserij, en dat er helemaal geen sprake was van een complot.
De zaak had bovendien een
sterk politiek tintje, omdat de neef van James, Earl of Bothwell,
mede geïmpliceerd werd; om het even welke machinaties hier aan de
gang waren,
James werd sterk beïnvloed door het gebeuren.
In 1597 publiceerde hij
zijn beruchte "Daemonologie", deels geschreven als weerlegging
van het boek van de sceptische Sir Reginald Scot's "A discoverie of
witchcraft"; James
benadrukte de realiteit van de bedreiging door hekserij, en de
dringende noodzaak voor het
treffen van strengere maatregelen. Als koning van een Verenigd
Schotland en Engeland,
verspilde James niet veel tijd, en door zijn "Witchcraft Act" van
1604 werden de meeste
Britse heksen veroordeeld. Het was trouwens voor James dat William
Shakespeare het
toneelstuk "Macbeth" schreef, met de drie "vreemde zusters" (The
Weird Sisters -> The Wyrd).
De activiteiten van de "witchfinders"
leidde tot een grotere hysterie in streken waar
zij opereerden.
Bij de meeste beruchte was de Engelsman Matthew Hopkins, de
zelf-aangestelde
"Witchfinder-General", die een waar terreurbewind hield gedurende 18
maanden in de
oostelijke streken van Engeland.
Net als "witchfinders" overal in Europa, teerde hij op het klimaat
van angst en bijgeloof,
en vergaarde een fortuin door het aanbieden van zijn diensten aan
het publiek, tot de
publieke opinie, vol afschuw over zijn methodes, hem tot
vroegtijdige pensionering dwong.

A merika,
de
Verenigde
Staten




H et
grootste deel van de hekserij-hysterie vond plaats binnen de grenzen
van
christelijk West-Europa, maar leidde soms toch tot uitbarstingen
elders in de
wereld waar een Europese invloed heerste. Het opvallendst van die
regio's was
het puriteinse New-England, dat in die tijd nog steeds onder Britse
heerschappij
stond.
Het koloniale Amerika in de zeventiende eeuw stond onder zware druk;
de
conflicten met de indianen, de toevloed van nieuwe kolonisten,...
Verscheidene rechtszaken
over hekserij leidden tot executies, en de hysterie
kwam tot een climax tijdens de "Salem Witch Trials" in 1692. Het
trauma dat
men overhield aan deze zaak maakte een diepe indruk op de kolonies,
en markeerde
effectief het einde van het geloof in hekserij in de Amerika's.
In Europa was de
hekserij-hysterie toen al, op enkele opflakkeringen na, grotendeels
bekoeld.
In 1950 stak hekserij terug
de kop op, onder de benoeming van Wicca. Vernieuwd,
aangepast, verfrist en in een heel nieuw kleedje. Dat geeft ons de
kans om te leren en
onze vijand te verslaan met zijn eigen wapens, een gevecht dat we
moeten voeren,
tot de dagen dat de vuren zullen verstarren.
Dat is nu het doel van ons, de Heksen en de Wiccans, tot het eind
der tijden.


  

 |