De zomer is één van de vier seizoenen, door de meteorologie gedefinieerd als de maanden juni, juli en augustus op het noordelijk halfrond, en december, januari en februari op het zuidelijk halfrond.
Het astronomisch bepaalde begin van de zomer is de zomerzonnewende (rond 21 juni op het noordelijk halfrond en rond 21 december op het zuidelijk halfrond).
De zon gaat dan door het zomerpunt, de zon bereikt die dag de hoogste stand boven de horizon en de dag duurt het langst.
De zomer eindigt met de herfstequinox (rond 23 september op het noordelijk halfrond en 20 maart op het zuidelijk halfrond).
Om praktische redenen begint de meteorologische zomer eerder, op 1 juni op het noordelijk halfrond en op 1 december op het zuidelijk halfrond.
Deze duurt dan tot 1 september respectievelijk 1 maart.
Drie maanden dragen de zomer met zich mee.
Elk van die maanden heeft zijn specifieke eigenschappen.
De dagen zijn lang en de nachten zijn kort.
De aarde bloeit en geurt van de vruchten van de ontsproten zaden.
De zonnegod beleeft zijn hoogtepunt in het jaarwiel.
Met Litha vieren we het Midzomerfeest, waarna de dagen weer gaan inkrimpen.
Met Lughnasadh vieren we de oogst die de Godin en de God ons bezorgd hebben.
Met Lughnasadh zit het werk van de God erop en sterft hij af.
De dagen geven hun lengte weer af aan de nachten.
Kies hieronder één van de zomermaanden.
De paganfeesten in de zomerperiode zijn
Litha en Lughnasadh.