Zoals Geoffrey van Monmouth schreef, werd Avalon van oudsher geassocieerd met de “Magische wereld”. Het was hier dat de legendarische koning Arthur werd verzorgd door dienstmaagden in zijn eeuwige verblijfplaats. Morgan le Faye beloofde Arthur’s wonden te helen als hij op het eiland zou blijven, en over zijn dood werd nooit gesproken.
De implicatie was dus dat Arthur op een gegeven dag zou kunnen terugkeren.

Toen Geoffrey dit verhaal schreef, had hij duidelijk geen besef van de ophef die het zou veroorzaken. Niet alleen klopte het verhaal in allerlei opzichten niet (evenals de Bijbel), maar hij suggereerde bovendien een eventuele “Wederopstanding van de koning”. Dit, gevoegd bij de heilige krachten die hij aan vrouwen toeschreef, was onaanvaardbaar voor de Roomse Kerk. Jaren later koos Thomas Malory voor een compromis.
In zijn roman werd Arthur door Bedevere gewoon in een schip vol met vrouwen gelegd, die hem naar Avalon zouden brengen. Vervolgens liep Bedivere door het woud en kwam daar een kapel tegen waarin Arthur’s lichaam begraven was.
Alhoewel Geoffrey’s Avalon op de “Magische wereld” van de Keltische traditie (A-val of Avilion) was gebaseerd, hing zijn interpretatie meer samen met klassieke geschriften over de Gelukzalige Eilanden, waar het fruit uit zichzelf groeide en de mensen onsterfelijk waren.
In de mythologische terminologie lagen zulke plaatsen altijd “voorbij de westelijke zee”.
De vroege schrijvers gaven nergens een exacte locatie van dit mystieke eiland, want het hoefde geen duidelijke plaats te hebben, zeker niet in de sterfelijke wereld. Het had de betovering van een eeuwig paradijs (een kristallen paleis). Hier kwam in 1191 verandering in toen het eiland Avalon plotseling met Glastonbury
in Somerset werd geïdentificeerd.
Deze vereenzelviging van een eiland met een plaats op het vasteland werd verklaard uit het feit dat Glastonbury zich in het midden van een waterig moerasland bevond en dat de nabijgelegen oeverdorpen Godney en Meare
uit 200 v.Chr dateerden.

Vanwege deze geografische anomalie werd er echter in de volksmond meer gesproken van de “Vallei van Avalon”. Voor die tijd had er geen verband bestaan tussen Arthur en Glastonbury, behalve een terloopse vermelding van Cardoc van Llancarfan, die in 1140 schreef dat de abt van Glastonbury er mede voor had gezorgd dat Gwynefer was vrijgelaten door koning Melwas van Somerset.
Hij, noch iemand anders, suggereerde echter dat Glastonbury gelijk zou zijn aan Avalon.

Wat er in 1191 gebeurde, was dat de monniken van Glastonbury gebruik maakten van de Arthurtraditie voor een “marketing-strategie”, op een wijze waar moderne reclamebureaus nog iets kunnen van leren. Naderhand is dit verhaal door sommige schrijvers pure fraude genoemd, terwijl andere meenden dat de monniken zelf op een dwaalspoor waren gebracht. (LOL)!
Wat ook de waarheid is, de monniken wisten niet alleen hun klooster te behouden, maar legden ook de basis voor een geheel nieuw Glastonbury-traditie. De abdij werd in 1184 zwaar beschadigd door brand, en Hendrik II subsidieerde de eerste fase van de heropbouw.
Toen hij in 1189 stierf, kwam zijn zoon Richard I op de troon, die de middelen van de schatkist liever gebruikte voor de financiering van de kruistochten naar het ‘Heilige Land’, zodat de abdij zonder geld kwam te zitten. De abt en zijn monniken groeven daarom een gat in de grond tussen een paar Saksische monumenten ten zuiden van de Lady Chapel, waar ze (tot ieders verbazing) de stoffelijke resten van koning Arthur en koningin Guinevere
vonden!

Bijna vijf meter onder de grond ontdekten ze in een kano, gemaakt van een uitgeholde eik, de beenderen van een lange man en een aantal kleinere botten, met een goudkleurige haarlok. Een dergelijke vondst betekende op zich niet zo veel, mar de monniken hadden ‘geluk’, want niet ver boven de doodskist was een loden kruis in een steen geplaatst. Op het kruis stonde de woorden “Hic Iacet Sepultus Inclytus Rex Arthurius In Insula Avallonia Cum Uxore Sua Secunda Winneveria (‘Hier op het eiland Avalon ligt de vermaarde koning Arthur met zijn tweede vrouw Guinevere’)”. Niet alleen hadden ze het graf van Arthur ontdekt, maar ook het schriftelijke bewijs dat Glastonbury het eiland Avalon was! De Kerk was er niet gelukkig mee dat Guinevere als ‘tweede vrouw’ van de koning werd omschreven en stelde vast dat de inscriptie onjuist moest zijn. Niet lang daarna veranderde de inscriptie op “miraculeuze wijze” van spelling en van vorm, waarbij Guinevere geheel verdween. Dit keer voldeed de inscriptie aan de eisen: “Hic Iacet Sepultus Inclitus Rex Arturius In Insula Avalonia (‘Hier ligt de vermaarde koning Arthur begraven op het eiland Avalon’)”.

Het is onduidelijk waarom de monniken juist op die plek zijn gaan graven. En als ze de botten inderdaad gevonden hebben, zoals ze ‘beweerden’, dan was er nog niets wat die beenderen met koning Arthur in verband kon brengen. De identificatie was slechts gebaseerd op de inscriptie op het loden kruis, maar het Latijn was duidelijk middeleeuws en verschilde ongeveer evenveel van het Latijn uit Arthur’s tijd als modern Engels van dat uit de late middeleeuwen.
Ook zou men voor Arthur eerder niet een Latijnse tekst verwachten, maar wel het meer aanneembare Keltisch, of het druïdenschrift, op z'n minst het Ogham... .
Wat de feiten ook mogen zijn, de monniken bereikten hun doel! Na een geslaagde publiciteitscampagne trokken duizenden pelgrims naar Glastonbury. De abdij werd aanzienlijk verrijkt door hun donaties en het gebouw werd volgens plan herbouwd.

Wat de zogenaamde beenderen van “Arthur en Guinevere?” betrof: die werden in twee beschilderde kisten gelegd en in een zwartmarmeren graftombe voor het hoogaltaar geplaatst.
De stoffelijke resten bleken zo’n traditie te zijn dat de monniken besloten nog meer van hun nieuwe trekpleister te maken. Als het gebeente van Arthur zoveel ophef veroorzaakte, zouden de overblijfselen van één of twee heiligen ook wel aanslaan. Dus namen ze hun spaden nog een keer ter hand en inderdaad: al snel werden enkele nieuwe vondsten gemeld: de botten van
St. Patrick en St. Gildas en de stoffelijke resten van aartsbisschop Dunstan, waarvan iedereen wist dat die al tweehonderd jaar in de kathedraal van Canterbury lagen!
Tegen de tijd dat Hendrik VIII
de kloosters sloot, was de abdij van Glastonbury - naar eigen zeggen - de trotse bezitter van tientallen relikwieën, waaronder een draad van Maria’s jurk, een splinter van Aärons staf en een steen die Jezus niet in brood had willen veranderen.
De sluiting van het klooster betekende echter ook het einde van de ‘mysterieuze activiteiten’ van de monniken. De (bedrieglijke) relikwieën verdwenen spoorloos.

Niemand heeft de vermeende botten van Arthur en Guinevere nog ooit teruggezien; het enige wat resteert is een gedenkteken dat de plaats van de tombe aangeeft. Toch zal voor veel mensen Glastonbury altijd met Avalon verbonden blijven. Sommigen geven de voorkeur aan Geoffrey’s idee over Tintagel, terwijl anderen meer geloof hechten aan Bardsey of Holy Island. Maar los van het feit dat er daadwerkelijk een Avalon in Boergondië bestaat, is het overduidelijk dat de Keltische “Magische wereld” een mythisch rijk was, met een traditie die teruggaat tot ver voor het begin van onze geschiedschrijving.

Als het mythische eiland zich in de sterfelijke wereld bevond, moest het verwant zijn aan Arúnmore, het eeuwige paradijs van de pre-Goidelische stam der Fir-Bolg. Vanuit Connacht in Ierland hadden de Fir-Bolg, lang voor Christus, hun koning "Oengus mac Umóir " op dit tijdloze eiland geïnstalleerd. Dit was ook de plaats waarnaar de strijders vluchtten toen ze door de Tuatha Dé Dannan waren verslagen in de legendarische slag bij Magh Tuireadh.
Dit ‘Betoverde Eiland’ zou in de zee hebben gelegen, tussen Antrum en Lethet (het stuk land tussen de Clyde
en de Forth). Arúnmore was het eiland van Arran, het traditionele domein van Manannan, de zeegod. Arran werd ook wel Emain Ablach (de appelstreek) genoemd en deze associatie leefde voort tot in ‘The Life of Merlin’, dat verwijst naar het Insula Pomorum (Het Appeleiland). Het eiland Avalon, gekend als "het rijk der doden", ligt achter de Negende Golf.