|
Zoals
Geoffrey van Monmouth
schreef, werd Avalon van oudsher geassocieerd
met de “Magische wereld”. Het was hier dat de legendarische
koning
Arthur werd verzorgd door dienstmaagden in zijn eeuwige
verblijfplaats.
Morgan le Faye beloofde Arthur’s wonden te helen als
hij op het eiland zou blijven, en over zijn dood werd nooit
gesproken.
Toen
Geoffrey
dit verhaal schreef, had hij duidelijk geen besef van de ophef die
het zou veroorzaken. Niet alleen klopte het verhaal in allerlei
opzichten niet (evenals de Bijbel), maar hij suggereerde bovendien
een eventuele “Wederopstanding van de koning”. Dit, gevoegd bij de
heilige krachten die hij aan vrouwen toeschreef, was onaanvaardbaar
voor de Roomse Kerk. Jaren later koos
Thomas Malory voor een
compromis.
Vanwege deze
geografische
anomalie werd er echter in de volksmond meer gesproken
van de “Vallei van Avalon”. Voor die tijd had er geen verband
bestaan tussen Arthur en Glastonbury, behalve een terloopse
vermelding van Cardoc van Llancarfan, die in 1140 schreef dat de abt
van Glastonbury er mede voor had gezorgd dat
Gwynefer was
vrijgelaten door
koning Melwas van
Somerset.
Wat er in
1191 gebeurde, was dat de
monniken van
Glastonbury gebruik maakten
van de Arthurtraditie voor een “marketing-strategie”, op een wijze
waar moderne reclamebureaus nog iets kunnen van leren. Naderhand is
dit verhaal door sommige schrijvers pure fraude genoemd, terwijl
andere meenden dat de
monniken zelf op een dwaalspoor waren
gebracht. (LOL)!
Bijna vijf meter onder de grond ontdekten ze in een kano, gemaakt van een uitgeholde eik, de beenderen van een lange man en een aantal kleinere botten, met een goudkleurige haarlok. Een dergelijke vondst betekende op zich niet zo veel, mar de monniken hadden ‘geluk’, want niet ver boven de doodskist was een loden kruis in een steen geplaatst. Op het kruis stonde de woorden “Hic Iacet Sepultus Inclytus Rex Arthurius In Insula Avallonia Cum Uxore Sua Secunda Winneveria (‘Hier op het eiland Avalon ligt de vermaarde koning Arthur met zijn tweede vrouw Guinevere’)”. Niet alleen hadden ze het graf van Arthur ontdekt, maar ook het schriftelijke bewijs dat Glastonbury het eiland Avalon was! De Kerk was er niet gelukkig mee dat Guinevere als ‘tweede vrouw’ van de koning werd omschreven en stelde vast dat de inscriptie onjuist moest zijn. Niet lang daarna veranderde de inscriptie op “miraculeuze wijze” van spelling en van vorm, waarbij Guinevere geheel verdween. Dit keer voldeed de inscriptie aan de eisen: “Hic Iacet Sepultus Inclitus Rex Arturius In Insula Avalonia (‘Hier ligt de vermaarde koning Arthur begraven op het eiland Avalon’)”.
Het is
onduidelijk waarom de
monniken juist op die plek zijn gaan graven.
En als ze de botten inderdaad gevonden hebben, zoals ze ‘beweerden’,
dan was er nog niets wat die beenderen met koning Arthur in verband
kon brengen. De identificatie was slechts gebaseerd op de inscriptie
op het loden kruis, maar het Latijn was duidelijk middeleeuws en
verschilde ongeveer evenveel van het Latijn uit Arthur’s tijd als
modern Engels van dat uit de late middeleeuwen.
Wat de
zogenaamde beenderen van “Arthur en Guinevere?” betrof: die werden
in twee beschilderde kisten gelegd en in een zwartmarmeren graftombe
voor het hoogaltaar geplaatst.
Niemand heeft de vermeende botten van Arthur en Guinevere nog ooit teruggezien; het enige wat resteert is een gedenkteken dat de plaats van de tombe aangeeft. Toch zal voor veel mensen Glastonbury altijd met Avalon verbonden blijven. Sommigen geven de voorkeur aan Geoffrey’s idee over Tintagel, terwijl anderen meer geloof hechten aan Bardsey of Holy Island. Maar los van het feit dat er daadwerkelijk een Avalon in Boergondië bestaat, is het overduidelijk dat de Keltische “Magische wereld” een mythisch rijk was, met een traditie die teruggaat tot ver voor het begin van onze geschiedschrijving.
Als het
mythische eiland zich in de sterfelijke wereld bevond, moest het
verwant zijn aan
Arúnmore, het eeuwige paradijs van de
pre-Goidelische stam der
Fir-Bolg. Vanuit
Connacht in Ierland hadden
de
Fir-Bolg, lang voor Christus, hun koning
"Oengus mac Umóir " op dit
tijdloze eiland geïnstalleerd. Dit was ook de plaats waarnaar de
strijders vluchtten toen ze door de
Tuatha Dé Dannan waren verslagen
in de legendarische slag bij
Magh Tuireadh. |