|
Andere planten die soms met deze naam worden aangeduid zijn: citroenmelisse(*) en citroengras. Citroengras (Cymbopogon citratus) is een plant uit de grassenfamilie (Poaceae). De soort wordt gebruikt in de Aziatische keuken, met name de Thaise, Indische, Vietnamese en Indonesische keuken. De plant is bekend van groeiplaatsen in India, Afrika, Australië en Amerika.
Citroenkruid (Artemisia abrotanum) is een bossig struikje, dat behoort tot de Composietenfamilie. De plant komt van nature voor in Zuid-Europa en is in grote delen van de meer noordelijk gelegen gebieden van Europa geïntroduceerd.
De bladeren van de
plant worden gebruikt in de keuken. Ze hebben een zure, frisse, citroenachtige
smaak. Het kruid is ook in poedervorm verkrijgbaar. Citroengras wordt niet rauw
gegeten. Doorgaans worden stukken citroengras meegekookt of -gestoofd in
gerechten, waaruit ze vóór consumptie van de gerechten verwijderd worden.
* Keukenkruid:
Citroenkruid wordt
tegenwoordig niet meer algemeen in de keuken gebruikt. In de Middeleeuwen werden
vette gerechten gekruid met het citroenkruid net zo als tegenwoordig met de
bijvoet gebeurt. De scheuten ruiken en smaken naar cola, waardoor deze plant ook
wel de "Coca ~ Cola struik" genoemd wordt. De bladeren smaken bitter.
Citroenkruid bevat
etherische olie, bitter-- en looistoffen en zou maagversterkend zijn en de
spijsvertering bevorderen. Ook zou het kruid worm-afdrijvend zijn, de
menstruatie bevorderen en een
antiseptische werking hebben.
Een gele verfstof kan
uit de plant gehaald worden.
De Engelse volksnaam
voor de plant is "maiden's ruin" (ruïneren van de maagdelijkheid), wat duidt op
de werking als
afrodisiacum.
Tijdens de zondagse kerkpreek zou een takje citroenkruid, door de geur, iemand wakker kunnen houden. |