|
  

  




Sla (Lactuca) is een
geslacht van bladgroenten die tegenwoordig rauw gegeten wordt. In de Romeinse
tijd werd sla overigens nog gekookt omdat hij nog niet mals genoeg was. Er zijn
veel verschillende typen sla. Typen die een krop vormen en typen die dat niet
doen. De oude Egyptenaren kenden al stengelsla, waarvan de stengel gegeten werd.
Sla vormt aanvankelijk een stengel (in lengte variërend naargelang het type) met
bladeren, maar wanneer je hem niet op tijd oogst, gaat de stengel verlengen
(doorschieten), in bloei komen en pluiszaadjes produceren. Verder kan het blad
al of geen
anthocyaan bevatten, waardoor zowel rode als
groene slatypes bestaan. De vermoedelijke wilde stamouder van de sla is
kompassla (Lactuca serriola).
Kompassla:

De kompassla of Wilde
sla (Lactuca serriola) is een
één- of
tweejarige plant uit de
composietenfamilie (Compositae oftewel
Asteraceae).
De Nederlandse naam kompassla werd toegewezen, doordat de gedraaide bladtoppen
de noord - zuidrichting aanwijzen.
*
Botanische beschrijving:
Vanuit een
penwortel groeit de meer dan een meter hoge
plant. De stengel blijft
onvertakt
tot ze bovenaan in een eindstandige
pluim vertakt.
De bladen zijn vaak een kwartslag gedraaid en hebben aan de onderkant op de
middennerf
duidelijke stekels van meer dan 2 mm lang. De bladen kunnen variëren van
ongelobd tot veerspletig. De bovenste helft van het blad keert zich vaak naar
boven, en is noord - zuid gericht. Dit is een aanpassing die de plant beschermt
tegen al te grote uitdroging.
De lichtgele 1-1,5cm grote bloemhoofdjes bevatten
lintbloemen. Tussen de middag zijn ze vaak al
uitgebloeid. De rijpe
nootjes zijn aan de top kort behaard
en lichtbruin met donkere vlekjes. De bloeiperiode loopt van juli tot en met
september.

De plant scheidt, bij
insnijding, een wit
melksap af.
*
Verspreiding:

De plant komt voor op
zowel droge als vochtige, voedselrijke ruderale gronden zoals in wegbermen, op
stortplaatsen, oude zandhopen, verstoorde dijken, aan de voet van muren, etc.
De soort groeit in grote delen van West- en Centraal Europa, het Middellandse
Zeegebied, Noord Afrika, het Midden Oosten, en oostwaarts tot in Siberië. Ze is
ingevoerd in Noord-Amerika en Canada.
In België en Nederland is de soort algemeen in urbane gebieden.
*
Gebruik:
Alle delen van de plant
zijn giftig. Jonge bladeren zijn niet giftig en worden wel in salades verwerkt.
Haar giftigheid werd vroeger in de volksgeneeskunde gebruikt. Ze werd samen met
het eveneens giftige bilzekruid en scheerling verwerkt tot een
narcoticum.


*
Sla is een nitraatrijke (NO3)
groente:
*
Voedingswaarde
per 100 gram:
~
Energetische waarde
>
8 kcal.
~
Vitamine C
...............>
3 mg.
~
IJzer
........................>
1 mg.
~
Vezel
........................>
2,8 gram.
~
De volgende typen sla worden nu geteeld:
Botersla
(kropsla):
De
botersla verdwijnt tegenwoordig steeds meer uit de winkels ten gunste van de
ijsbergsla die veel beter houdbaar is (zowel in de winkel als in de koelkast),
maar de ijsbergsla is wat koolachtiger.

IJsbergsla
(ijssla):
De juiste naam is
IJssla.
De naam ijsbergsla is afgeleid van het Amerikaanse ras Iceberg en is dus
eigenlijk een rasnaam en geen soortnaam.
IJsbergsla of ijssla (Lactuca sativa) is een slasoort die begin 20e eeuw in
Californië (VS) geïntroduceerd werd onder de naam "Iceberg". Deze naam kreeg de
soort vanwege het transporteren van de sla per trein van de west naar de
oostkust waarbij voor de houdbaarheid een berg ijs op de sla werd gedaan. De
bladeren zijn lichtgroen van kleur en veelal iets doorzichtig. De bladeren
vormen een gesloten krop, de randen kunnen krullend uiteen staan maar kunnen ook
strak om de krop 'gevouwen' zijn.
Omdat het verstandig is een grote plantafstand (ca 35 x 35 cm) aan te houden
(zie ziekten en beschadigingen) kunnen ijsbergzaden het beste niet ter plaatse
gezaaid worden. Om een hoog kiempercentage te halen is het gebruik van een
zaaibak of kiemkast aan te raden. Hierbij kan het beste zaaigrond gebruikt
worden in plaats van tuingrond, aangezien slakiemen de neiging hebben om te
vallen in dergelijke grond. Bij het verschijnen van de eerste blaadjes kan het
plantje in een pot geplaatst worden. Drie weken na het verspenen kan deze in de
volle grond uitgeplant worden. IJsbergsla kan in een zaaibak of kiemkast gezaaid
worden in januari en februari.
Verspenen kan vanaf maart. Zaaien en planten in
de volle grond kan in maart en begin april enkel onder glas (kas). Vanaf half
april tot en met half juli kan er in de buitenlucht gezaaid worden. Oogsten kan
gemiddeld 2 maanden na het planten. Naarmate er later in het jaar geplant wordt
zal de tijd tot de oogst echter toenemen. Tevens is het verstandig om vanaf de
zomer een grotere plantafstand aan te houden (40-45 x 35 cm).

*
Ziekten en beschadigingen:
Aantasting door het
witEen van de grootste probleem bij ijsbergsla, vooral in de zomer en de herfst,
is rand dat in een later stadium kan overgaan in bolrot. Echter ook wit (Bremia
lactucae) geeft door de vele
fysio's veel problemen als er geen
meeldauwresistent ras wordt gebruikt. Tevens bestaat het risico op smet door
schimmelvorming onderaan de krop. Smet kan ontstaan door een aantasting van
grauwe schimmel, rhizoctonia (Thanatephorus
cucumeris), sclerotinia (Sclerotinia sclerotiorum en S. minor) en
Pythium-soorten. Daarom moet een voldoende grote plantafstand aangehouden worden
zodat de bladeren snel op kunnen drogen.
Daarnaast kunnen diverse soorten bladluizen de sla aantasten, die als men op
tijd begint goed chemisch te bestrijden zijn.
.png)
*
Aankoop en consumptie:
IJsbergsla is mede door
import het gehele jaar goed verkrijgbaar. Na aankoop kan sla in de koelkast bij
een temperatuur tussen de 4 en 7 °C gedurende circa een week bewaard worden. Het
is echter niet verstandig de sla in gesloten verpakking te bewaren.

Gifsla:

Gifsla wordt speciaal
gekweekt voor het wit sap dat in de stengels zit. Dit is rijk aan Lactucarium (
bevat triterpenoïde alcohol). Deze stof werkt kalmerend en slaapverwekkend. Dit
witte melksap wordt tot poeder verwerkt en als natuurlijk medicijn verkocht. Bij
het eten van sla in normale hoeveelheden wordt te weinig van deze stof in het
lichaam opgenomen om merkbaar te zijn.
Gifsla (Lactuca virosa) is een giftige eenjarige of tweejarige plant die behoort
tot de Composietenfamilie (Compositae of Asteraceae).
De plant lijkt veel op die van kompassla, maar de bladeren zijn meestal niet
gedraaid en de
nootjes zijn niet behaard. Ook zijn de jonge
nootjes van kompassla niet geel tot oranje maar wit tot crème gekleurd.
De plant komt van
nature voor in Europa, tot West-Azië en in Noord-Afrika.
Ook in Noord-Amerika is de plant ingeburgerd.

*
Geschiedenis:
Gifsla werd eeuwenlang
als medicinale plant gebruikt vanwege de rustgevende en vochtafdrijvende
werking.
Hippocrates schreef in
430 v. Chr al over de wilde slasoorten en
kropsla. De Romeinse schrijver
Columella beschreef in
42 vier Lactuca soorten en
Plinius 57 jaar later negen soorten.
Keizer Augustus genas door middel van de gifsla
van een ernstige ziekte en liet daarom een monument voor deze sla oprichten.
Vermoedelijk hebben de Romeinen de gifsla verder over Europa verbreid. Tegen het
einde van de achttiende eeuw werd door steeds meer artsen het gedroogde melksap
(lactucarium) als vervanger van
opium gebruikt. In
1847 werd de plant in het gebied van de
Moezel veel verbouwd en werd het lactucarium
via Engeland naar Noord-Amerika verscheept. Ook in andere Europese landen nam de
teelt in deze tijd toe. Uiteindelijk kon de gifsla de concurrentie met de opium
niet aan en verdween de teelt.
*
Beschrijving:
De
plant wordt 50 tot 150 cm hoog en heeft melksap. De bladeren zijn blauwgroen. De
onderste bladeren zijn eirond. De stengelbladeren zijn langwerpig tot
lancetvormig. Op de meeste bladeren zitten van onderen op de middennerf
stekeltjes.
Gifsla bloeit in juli en augustus met lichtgele lintbloemen, die in een hoofdje
staan. De bloeiwijze van de hoofdjes is pluim - trosvormig en bestaat uit 12 tot
16 hoofdjes.
De vrucht is een 4 tot 5 mm lang en 1,5 tot 2 mm breed, diep paars tot zwart
gekleurd, kaal nootje en heeft een snavel en
vruchtpluis. De onrijpe
nootjes zijn geel tot oranje van kleur. Op het
nootje zitten vijf ribben.
De plant komt voor in het stedelijk gebied op vochtige, stikstofrijke grond.
*
Gebruik:
De bladeren en het
gedroogde melksap werden tot ongeveer
1900 gebruikt als rustgevend middel. Een te
hoge dosis is echter giftig.
*
Ziekten en aantastingen:
Gifsla is resistent
tegen
valse meeldauw (Bremia lactucae). Deze
resistentie is inmiddels ingekruist in lijnen van kropsla, die van nature
vatbaar is voor valse meeldauw.
De rupsen van de
gamma-uil, Eucosma conterminana en die van
kompassla-uil gebruiken gifsla als
voedselplant. Ook kan gifsla aangetast worden door
bladluizen.
.png)

Veldsla:

Veldsla (Valerianella
locusta,
synoniem: Valerianella olitoria) is een plant
uit
kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae). Het is
een eenjarige plant die ook als groente geteeld wordt. Veldsla wordt komt voor
in
Eurazië en werd vroeger als
onkruid beschouwd, als het voorkwam in
wintergraan. De plant is niet
winterhard, maar kan tot -5 °C vorst verdragen.
In Nederland wordt weinig veldsla geteeld. In Duitsland is de teelt veel groter.
De professionele teelt vindt in Nederland vooral plaats in Zuid-Holland rond
Barendrecht, in Limburg en in Zeeland.
De plant wordt 7-25 cm
hoog en bloeit in het wild in Nederland in april en mei en soms ook in juli en
augustus. De vijfslippige bloemen zijn bleeklila, maar soms wit of rozerood. De
meeldraden staan op de bloemkroon ingeplant. Het driehokkige
vruchtbeginsel is onderstandig, waarbij maar
één hokje vruchtbaar is. In het wild hebben de planten aan de voet
spatelvormige bladeren. De bovenste bladeren
zijn lancetvormig tot langwerpig. De vrij grote en zeer lichte vrucht is een
nootje en heeft de vorm van een platte ui of tulpenbol. Pas geoogst zaad kiemt
slecht door de nog aanwezige kiemrust.

Veldsla Bloeiwijze.
De plant komt in het
wild voor op open plaatsen op vochtige, voedselrijke grond in bermen en op
dijken en soms op landbouwgrond.
*
Teelt:
~
Herfstteelt:
(volle grond) Breedwerpig of op rijen vanaf half augustus tot
eind september zaaien. De rijafstand bedraagt 15 cm. Na het
zaaien licht aanharken en de grond aandrukken. Na opkomst de
planten uitdunnen tot 4 cm in de rij. Bij dichtere stand kan
makkelijk smet (rot) optreden. Geoogst kan worden in december
als de plantjes 10 cm hoog zijn. Later kunnen de planten
doodvriezen. De opbrengst bedraagt ongeveer 1,5 kg/m².
~
Voorjaars- en zomerteelt:
(volle grond) Zaaien op rijen met een rijafstand van 15 cm. Na
het zaaien licht aanharken en de grond aandrukken. Na opkomst de
planten uitdunnen tot 4 cm in de rij.
De opbrengst bedraagt ongeveer 1,5 kg/m².

~
Winterteelt:
(serre) Breedwerpig zaaien vanaf eind september tot eind oktober
onder glas of platglas. Bij deze teelt wordt er niet uitgedund.
Na het zaaien het zaad licht inharken en de grond aandrukken.
Het zaaibed moet tot de opkomst vochtig gehouden worden. Ook
wordt er wel op perspotjes gezaaid. Geoogst kan worden vanaf
half november tot half februari. De opbrengst bedraagt ongeveer
1,5 kg/m².
~
Zaadteelt:
De teelt van zaad werd gedaan op de duinzandgronden van
Noord-Holland, vandaar de rasnaam 'Grote Noordhollandse'. In
november en december werd op rijtjes met een rijafstand van 30
cm gezaaid en in de rij bedroeg de plantafstand 2 cm. In april
en mei bloeiden de planten en in juli viel het rijpe zaad op de
grond. Dit werd uit de grond gezeefd.
*
Toepassingen:
Veldsla wordt
zowel vers als gestoofd gegeten. De smaak heeft enigszins weg van
noten.
*
Inhoudsstoffen:
De voedingswaarde
van 100 gram verse veldsla is:
Energetische waarde
>
100 kJ.
Koolhydraten
...........>
3 gram.
Eiwit
........................>
2 gram.
Vet
...........................>
0,4 gram.
Vitamine C
..............>
40 mg.
Caroteen
.................>
1,50 mg.
Vitamine
.................>
B1 0,08 mg.
Vitamine B2
...........>
0,07 mg.
Calcium
.................>
25 mg.
IJzer
......................>
4 mg.

*
Nerfrot:
Onder slaplanten komt
de plantenziekte nerfrot voor. Deze ziekte uit zich in de nerf van de sla.
Nerfrot wordt veroorzaakt door bacteriën van het geslacht Pseudomonas.

    

|