Vingerhoedskruid (giftig).

Houdt ongewenste, kwade wezens op afstand
De geslachtsnaam ‘Digitalis’ is afgeleid van het woord ‘digit’, wat ‘vinger’ betekent of van ‘digitabulum’ wat ‘vingerhoed’ betekent.
De soortnaam ‘purpurea’ betekent ‘purper’.

Voor een kruid dat zelfs door leken wordt herkend als een medicinaal kruid, heeft het Vingerhoedskruid een betrekkelijk korte geschiedenis. Hij wordt wel genoemd door herbalisten als Culpeper, Dodoens en Gerard, maar niet voor het doel waar hij tegenwoordig voor wordt gebruikt.
De Engelse arts Dr. William Whithering leerde het gebruik als hartmiddel kennen van een kruidenvrouw in zijn omgeving. Hij schreef een verhandeling over de teelt, het oogsten, drogen en verwerken van het kruid, “Account of the Foxglove” uit 1785.
De vlekken op de bloemen zouden zijn ontstaan omdat de elfen er met hun vingers aanzaten, een andere legende vertelde dat de vlekken een waarschuwingsteken waren voor het giftige karakter van de plant.

Magie:

Geslacht: Vrouwelijk.

Planeet: Venus.

Element: Water.

Goden/Godinnen: Urd, Verdandi, Skuld, Hulda.

Krachten: Bescherming.

Gebruik:

Als men Vingerhoedskruid in een tuin laat groeien, beschermt de plant de omgeving. Vroeger gebruikten huisvrouwen in Wales de plant om een zwarte verf van te maken, die zij gebruikten om gekruiste lijnen over de vloer te schilderen, dit werd gedaan om het kwaad te weren.

Het vingerhoedskruid is het plantengeslacht Digitalis (v. Lat. digitus = vinger) uit de Helmkruidfamilie.
Er zijn ca. twintig (giftige) soorten, die voorkomen in Europa en Azië.
In Nederland en België komt echt vingerhoedskruid (D. purpurea) in het wild - en vaak ook verwilderd - voor.
Deze 30-150 cm hoge kruidachtige, tweejarige plant heeft korte zachtharige stengels en bloemstelen en ongeveer eironde, gekartelde, aan de onderzijde grijsharige bladen. De stengels eindigen in lange trossen van grote knikkende, naar één zijde gekeerde bloemen. De bloemkroon is klokvormig met vier kleine slippen, lichtpaars van kleur en aan de binnenzijde met donkere, witgerande vlekken (mei - oktober).
De plant bevat enkele glycosiden, o.a. digitoxine, en is daardoor zeer giftig.
Behalve voor medicinale doeleinden (hartglycosiden) wordt de soort veel als sierplant geteeld, ook met witte bloemen en wat afwijkende bloemvorm.
Ook enkele andere soorten worden als tuinplant geteeld, maar in mindere mate, zoals bijv. geel vingerhoedskruid (D. lutea), afkomstig uit Midden- en Zuid-Europa, met kale of klierachtig behaarde stengels en bloemstelen en gele bloemkroon (juni, juli); hoogte 50-100 cm.
Een soms verwilderde tuinplant is D. Lanata, afkomstig uit Zuid-Europa, met aan de onderzijde behaarde bladeren. De bloemen zijn van binnen lichtgeel en van buiten bruinachtig. Ook glycosidenmengsels uit de bladeren van deze soort worden gebruikt als hartglycosiden.
Consumptie van bladeren of zaden geeft onaangename verschijnselen als diarree, braken, onregelmatige hartslag. Tweehonderd jaar geleden werd het vingerhoedskruid echter door een voorzichtig en nauwgezet gebruik juist ten goede aangewend. Ook nu nog wordt het geteeld om er een medicijn uit te halen.
Het versterkt het hart.

Plantensoort: vaste plant.

Gebruik: groep, grote groep, kleine groep, middelgrote groep.

Habitat: bosrand met droge of frisse, voedselhoudende bodem.

Hoogte: 30 - 150 cm.

Bijzondere kenmerken:

Bloemkleur : wit, roze, lila, lichtgeel.
Bloeiperiode : juni - juli.
Bloemen : naar beneden hangende vingerhoedachtige klokjes, aan een hoogopstaande stengel.
Bladkleur : groen.
Wintergroen : ja.
Bladeren : rozet van ruwe, ovale, diepgroene bladeren.

Standplaats en vereisten:

Standplaats : zonnig halfschaduw
Vochtigheid : droog,normaal
Zuurgraad : neutraal
Winterhard : ja
Plantdichtheid : 6-12 / m²

 

 


Onderhoud:

Uitgebloeide stengels afknippen om een tweede bloei te forceren.

Bijzonderheden:

Tweejarige plant die zich makkelijk uitzaait.
Alle delen van de plant zijn giftig.

Cultivars:

'Apricot' heeft geelroze bloemen.
'Alba' is een witbloeiende cultivar.

Digitalis ferruginea heeft goud- tot lichtbruin gekleurde bloemen, dooraderd met donkerder bruin.
Ruim 200 jaar geleden beschikt een Engels kruidenvrouwtje over een recept van een heilzame thee. Er zaten bladeren van wel 20 planten in. Mensen die 1eden aan waterzucht zouden erdoor genezen. Een geleerde uit die tijd, William Withering, toont belangstelling. Nadat hij de samenstelling van het mengsel heeft bestudeerd, concludeert hij op grond van z'n plantenkennis, dat de werkzame plant het vingerhoedskruid is. Hij probeert het uit op z'n patiënten. Waterzucht (zwellingen van buik, handen en voeten) verdwijnt. Helaas ondervinden zij veel onaangename bijwerkingen, zoals diarree, braken en het zien van de omgeving in geel-groene tinten.
Om die bijwerkingen te verminderen en om te weten te komen bij welke ziekten de plant helpt, gaat Withering systematisch te werk. Hij standaardiseert de hoeveelheid werkzame stof door alleen de bladeren te gebruiken en door ze te plukken als de plant bloeit. Hij houdt ook nauwgezet bij welk effect een dosis heeft. Op grond van het effect beslist hij of een patiënt baat vindt bij het middel en wat de juiste dosering is. In 1785 publiceert Withering z'n bevindingen in een boek.
Waterzucht blijkt goed behandeld te kunnen worden, mits de arts nauwkeurig bekijkt wat het effect op de patiënt is.