Het Midzomeraltaar wordt opgesierd door zomerbloemen in de tinten goudgeel, vuurrood, wit, roze en violet.
Naast de traditionele zwarte, witte en rode kaars die de Drievoudige Godin vertegenwoordigen, gebruik je een geelgouden ter vertegenwoordiging van de Zon. Het altaardoek is gewoonlijk zwart of goudkleurig en je legt er best ook een takje eik of hulst ter symbolisering van de Eiken– en de Hulstkoning.
Bij het volgend ritueel heb je een zilveren ring nodig voor de hogepriesteres, zowel als alle in dit hoofdstuk genoemde oliën.








De hogepriester(es) draagt meestal haar (zijn) traditionele zwarte gewaden, maar misschien ook een wit, goud, beige, groen, rood of bruin.
Zij en de hogepriester dragen allebei een kroon van half eiken-, half hulstbladeren.
Je zou een gouden
torque op kunnen doen, of een speld met Keltisch knoopwerk. Sommigen van ons dragen hun tartan als eerbetoon aan het erfgoed van hun familie.
Maliën maken een comeback in de huidige mode.
Je zou een lange handschoen of hemdje van
maliën aan kunnen trekken.
Alweer, doe zoveel make-up op en sieraden om als je wilt.
De Kelten waren niet terughoudend in hun manier van kleden (al trokken ze meestal naakt en getatoeëerd ten strijde!).










Werp je cirkel

De hogepriester(es) gaat met het peyton (groot altaarpentagram) in de linkerhand met het aangezicht naar het noorden staan.
Ze zegt:

Ik roep het Grote Everzwijn op.
Zijn aardse lichaam is de woning van een geest.

Ze (hij) gaat naar het oosten staan en zegt:

Ik roep de Draak op.
Zijn grote lichaam ademt vuur en schept de nevelen van de geest.

Ze (hij) gaat met het gezicht naar het zuiden staan en zegt:

Ik roep de Raaf op.
De geest van de lucht torst haar machtige ebbenhouten vleugels.


Ze (hij) keert zich naar het westen toe en zegt:

Ik roep de Meermin op.
Haar gezang zet de Negende Golf in beweging.

De hogepriester en hogepriesteres zalven de kaarsen met Merlijn - olie en Arianrhod olie en steken ze aan.

Hogepriesteres en Hogepriester:

Zilveren ring van standvastigheid.
O! Godin die onze lasten voor ons draagt, kom naar deze vlam. Drakenmist en staande stee, die steeds weer magisch blijkt, O! machtige Merlijn, spreek tot ons in deze vlam.

De hogepriesteres neemt haar toverstaf en zwaait die met de klok mee driemaal boven haar hoofd rond.

Hogepriesteres:

De drievoudige spiraal is mijn pad.

De hogepriester pakt zijn staf en zalft die met de Drakenmistolie (zie brouwsels).
Hij beschrijft twee cirkels met de staf boven zijn hoofd.

Hogepriester:

De twee draken zijn mijn pad.

De hogepriesteres heft haar kelk op om hem aan iedereen te laten zien en loopt er in een kring mee rond.

Hogepriesteres:

De wateren des levens herbergen de ring der sterren.

De hogepriester heft zijn altaarmes naar de hemel en draait in een kringetje rond.

Hogepriester:

De beide draken liggen in een cirkel aan onze voeten.

De hogepriester steekt het mes in de kelk.

Hogepriester:

Sterrenvuur, tref dit mes.
Dit is het licht waarvan Excalibur werd gemaakt.
Zoals de zon door de staande stenen in ons heilig land opstijgt, zo zien wij zijn stralen opstijgen uit de kelk.

Opnieuw heft de hogepriesteres de kelk op zodat allen die kunnen zien.

Hogepriesteres:

Licht van onze oorsprong, God, Godin, brengt opnieuw deze wereld waarin wij leven in evenwicht.
Help ons de doorgang tussen de werelden te zien en in beide te bestaan.
De zonsopgang markeert de tijd waarin dromen waarheid worden; voorbij ons aller macht ligt de macht van de drie draken.

Hogepriester:

Wij komen uit een tijd van vóór het donker en onze bescherming komt van voorbij ons aller krachten.

Hogepriesteres:

Het zwaard van het licht beschermt vrouwen die zowel Elf zijn als mens.

Hogepriester:

Het zwaard van het licht beschermt mannen die zowel Elf zijn als mens.

Hogepriesteres:

Vivian, Godin der Sidhe, Vivian zal de zilveren ring van Arianrhod dragen, en de kracht der vrouwen zal verdubbeld worden.

Hogepriester:

De Merlijn zal drakenbloed door onze aderen doen stromen, en de kracht der mannen zal verdubbeld worden.

Hogepriester en hogepriesteres steken allebei hun handen omhoog, met de handpalmen naar de rijzende zon (oosten).

Hogepriester en hogepriesteres:

Mijn handen gloeien met de kracht van de vurige zon.
Grote God wees voor immer bij ons.
Zo zij het.

Allen heffen de handen en herhalen:

Mijn handen gloeien met de kracht van de vurige zon.
Grote God, wees voor immer bij ons.
Zo zij het.

Hogepriesteres:

Wij vragen de machtige Zon de Aarde te zegenen, onze regenwouden aan te vullen en de oude wouden te laten herreizen.
Zegen de Moeder Aarde altijd weer met het zaad des levens.
Laat het zo zijn.

Hogepriester en hogepriesteres:

Wij zijn het Elfenbloed van uw allereerste begin.
Wij zijn uw kinderen.
Geef ons leiding om de Aarde, Lucht, Hemel en Water te helen. Laat het zo zijn.

De hogepriester schenkt water uit de kelk in de cauldron (kookpot).

Hogepriesteres:

Ik adem de magie van mijn makers in deze pot.

De hogepriesteres blaast op het water.
De hogepriester steekt zijn vinger in het water en brengt hem naar zijn lippen, zet daarna zijn vinger op de zilveren ring op het altaar.
Hij pakt de ring op.

Hogepriester:

Zilveren Sterrenstof, in deze wereld tot rust gekomen.

De hogepriester doet de ring aan Vivian (de hogepriesteres) haar vinger.

De hogepriesteres:

Vlammenlicht en nevelwasems, klim naar deze wereld.
Laat het zo zijn.

Allen in de cirkel worden met Elfenbloemen- en –olie aangetipt, vooral op het voorhoofd en op de bloemen die ze in hun haar dragen (de Lithakroon).

De hogepriester wendt zich met de peyton (groot altaarpentagram) naar het noorden en zegt:

Vaarwel, Grote Ever, gezegend is uw grote geest.

Hij keert zich naar het westen en zegt:

Vaarwel, Meermin, gezegend is uw zang die de Negende Golf in beweging zet.

Hij keert zich naar het zuiden en zegt:

Vaarwel, Raaf, gezegend zijn uw machtige vleugels.

Hij keert zich naar het oosten en zegt:

Vaarwel, Grote Draak, gezegend is het vuur dat je ademt.

Hiermee is de cirkel ontbonden.