|










|

  

  

  

In de vroege tijden bevond de maan zich
veel dichter bij de aarde, zodat ze destijds groter bleek dan nu. De maan draait
steeds verder van de aarde weg, zo'n 2mm per jaar. Daardoor kan de maan ooit de
aarde verlaten, maar dat zal nooit echt gebeuren.
Tegen die tijd, heeft de zon de aarde én haar maan reeds lang opgeslorpt.
Zonder de maan in orbit, was er op aarde NOOIT leven ontstaan.
Zonder de maan zouden ook WIJ nooit hebben bestaan.
Daarom is de maan ONZE scheppingsgodin of 'Moedergodin'!
Onze God van de schepping is de Zon.
De aarde waarop wij leven is eigendom van beide.
Dit heeft ook allemaal te maken met eb en vloed, die door de maan en de zon
worden veroorzaakt. Daarom is ook de Zee onze godin van ontstaan.
Verdere levensomstandigheden op aarde worden allen veroorzaakt door de zon en
door de maan. ZIJ zijn dus, bij uitstek, ONZE Grote (Moeder)Godin en ONZE Grote
(Vader)God!
De Maan is de enige natuurlijke maan van de
aarde en wordt soms aangeduid met haar Latijnse naam Luna.
Er zweven ook enkele andere minimaantjes in hoefijzervormige banen rond de aarde
waarvan
Cruithne de meeste aanspraak maakt om als echte
maan gezien te worden.
De meeste manen in het zonnestelsel zijn erg klein, maar er zijn een aantal
grote, planeetachtige manen. Onze maan hoort daar ook bij. Hoewel er manen zijn
die nog groter zijn dan onze maan, worden de Aarde en de Maan wel als
dubbelplaneet aangeduid.
Dit omdat de Maan in vergelijking met de Aarde erg groot is: de massa van de
Maan is 1/81 van die van de Aarde. Het gemeenschappelijk zwaartepunt waar Aarde
en Maan omheen draaien ligt echter nog binnen de Aarde. Alleen bij de
dwergplaneet Pluto en zijn maan Charon is de maan naar verhouding nóg groter,
namelijk 1/8 van de planeetmassa en ligt het gemeenschappelijk zwaartepunt ook
daadwerkelijk buiten Pluto.
Na de Aarde is de Maan het hemellichaam waar we het meest van afweten.
Al vele duizenden jaren nemen mensen de Maan waar, en maken ze er tekeningen
van. Door het bestuderen van de maanfasen konden Griekse filosofen concluderen
dat de Aarde rond is.
Galilei ontdekte met zijn primitieve telescoop
dat de Maan bedekt is met kraters. Bovendien is het, tot nu toe, de enige wereld
buiten de aarde waar al mensen zijn geweest.
De Maan draait in 27 dagen en 7 uur om de Aarde, en in ongeveer dezelfde periode
om haar eigen as. Daardoor keert zij altijd dezelfde kant naar de Aarde.
Dit heet een gekoppelde rotatie.
Door kleine schommelingen van de Maan, "libraties" genoemd, kunnen we vanaf de
Aarde toch iets meer dan de helft van de Maan zien. Alles bij elkaar kenden we
reeds 59 % van het maanoppervlak, voor de Russische sonde Lunik III in 1959 de
eerste foto van de achterkant van de Maan naar de Aarde doorzond.
Tijdens een "Maan-dag", die twee Aardse weken duurt, kan de temperatuur oplopen
tot meer dan 100 °C. 's Nachts daalt de temperatuur snel tot -160 °C: de Maan
heeft immers geen significante atmosfeer die de warmte kan vasthouden en
verdelen over het oppervlak.
Hoewel manen bij planeten erg veel voorkomen, is onze maan toch een
buitenbeentje.
Ten eerste heeft geen van de vier andere "aardse planeten" een
echte maan (de satellieten van Mars zijn wellicht ingevangen
planetoïden).
Ten tweede is de Maan erg groot in vergelijking met haar
planeet, de Aarde.
Ten derde lijkt de samenstelling van de Maan erg op die van de
Aarde, maar is ze toch verre van helemaal hetzelfde.
Vroeger waren er drie hypotheses over de
vorming van de Maan. Sommige wetenschappers dachten dat de Maan oorspronkelijk
een gewone planeet was, die door de Aarde was gevangen. Anderen vermoedden dat
de Aarde en de Maan samen waren ontstaan uit dezelfde stofschijf. Een derde
mogelijkheid was dat de Maan zich bij het ontstaan van de planeten uit de aarde
had losgescheurd onder invloed van de middelpuntvliedende kracht. Deze drie
theorieën bleken echter niet meer houdbaar ná de maanlandingen.
De theorie die momenteel de meeste aanhangers heeft, stelt dat de Maan is
ontstaan nadat een
planetesimaal van ongeveer de grootte van Mars
tegen de Aarde was gebotst.
Ongeveer 4,5 miljard jaar geleden zou er een enorme inslag op de aarde geweest
zijn.
Deze inslag was een soort van schampschot dat zorgde ervoor dat de Aarde niet
werd vernietigd, maar enkel een groot deel van haar buitenste mantel
kwijtspeelde.
Dit materiaal klonterde daarop langzaam samen om zo stilaan de Maan te vormen.

Hoe groot de
planetesimaal was, waar hij vandaan kwam, onder
welke hoek hij insloeg en hoe de inslag exact verliep staat nog ter discussie en
daarnaar is men nog op zoek.
  


De volgende periode in de geschiedenis van de Maan was minstens even
catastrofaal als haar ontstaan. Het samenklonteren van de brokstukken
veroorzaakte een immense druk op de jonge Maan, zodat haar kern smolt en
vloeibaar werd.
Tegelijkertijd bleef het meteorieten regenen op het oppervlak.
De Maan bleef daardoor lange tijd een gloeiende vuurbal, waarbij de
verschillende chemische materialen voortdurend door elkaar gemengd werden.

* Stollen van de maankorst, en
meteorietinslagen:
Zo'n 4,3 miljard jaar geleden, pas 200 miljoen jaar na het ontstaan, kon de
buitenste laag van de maankorst eindelijk afkoelen en vast worden. Binnenin de
Maan bleven de druk en radioactieve elementen echter voor warmte zorgen, zodat
er nog heel lang vloeibaar gesteente in de mantel van de Maan bleef.
Af en toe kon dit magma door de maankorst naar de oppervlakte breken, waar het
afkoelde en de zeeën vormde. Intussen bleven grote en kleine inslagen het
maanoppervlak teisteren, zodat uiteindelijk de hele maankorst nu bestaat uit
verpulverd materiaal.
Er is wellicht geen stukje meer over van het oorspronkelijke oppervlak van de
Maan.
De laatste grote inslagen waren die welke de bassins van de Mare Imbrium en de
Mare Oriëntale vormden, ongeveer 3,85 miljard jaar geleden. Op dat moment was
het aantal meteorieten al zodanig verminderd dat deze zeeën er relatief
ongeschonden uitzien.
Drie miljard jaar geleden zag de Maan er wellicht al ongeveer zo uit als ze er
nu uitziet: meteorietinslagen werden zeldzaam, en inslagkraters werden niet meer
overspoeld met basalt omdat nu ook het binnenste van de Maan afgekoeld raakte.
Een laatste grote klap was de inslag die de krater Copernicus veroorzaakte, zo'n
miljard jaar geleden, waarbij nog een klein beetje basalt naar de oppervlakte
kwam. Sindsdien blijft de Maan bestookt worden door meteorieten, maar deze zijn
meestal niet veel groter dan zandkorreltjes.
Sinds kort onderzoeken wetenschappers en amateur astronomen de inslagen van
kleine meteorieten op de Maan met videocamera's. Tijdens het leonidenmaximum van
1999 werden voor het eerst een aantal lichtflitsen gedetecteerd die wellicht
door inslagen van meteorieten veroorzaakt werden. In 2006 werd een heldere
lichtflits waargenomen die een krater veroorzaakte die wellicht 14m breed en 3m
diep is. Sinds 1999 zijn al een tiental van dergelijke inslagen waargenomen, de
meesten door meteoroiden van de leonidenzwerm.

  


Aanvankelijk werd aangenomen dat de Maan helemaal geen atmosfeer heeft.
De Apollomissies ontdekten echter een heel erg dunne atmosfeer van natriumgas
rond de Maan, die voortdurend vervliegt en weer wordt aangevuld door de
verdamping van oppervlaktemateriaal onder invloed van meteorietinslagen. Het
gaat zeker niet om een "oceaan van lucht" zoals op Aarde, maar eerder om het
soort van atmosfeer dat een komeet heeft: voortdurend komen er nieuwe
gasdeeltjes bij, maar de Maan heeft niet genoeg aantrekkingskracht om deze vast
te houden en verliest ze weer.
Zo ontstaat de staart van een komeet... .
Men dacht dat de atmosfeer van de Maan veel te dun was om hetzelfde effect te
vertonen.
In 1999 ontdekten wetenschappers van de Boston University echter toevallig een
staart bij de Maan. Deze staart reikt twee keer zo ver als de afstand Aarde ~
Maan, wat wil zeggen dat onze Aarde er soms middenin ligt. De ontdekking
gebeurde enkele dagen na het grote maximum van de
leoniden, toen de wetenschappers hun
meetapparaten in de omgekeerde richting van de Maan richtten. Daar vonden ze
toevallig een duidelijk spoor van een grote natriumwolk. Het duurde een tijdje
voor ze tot de conclusie kwamen dat het
natrium die ze detecteerden van de Maan
afkomstig was.
  
De natriumstaart van de Maan is permanent:
de leonidenstorm van 1999 heeft deze enkel tien maal zo sterk gemaakt, zodat hij
makkelijker te ontdekken was. De Aarde trekt door deze staart bij Nieuwe Maan.
Dat betekent dat de staart, net zoals bij een komeet, altijd weggekeerd is van
de Zon. Het is immers de zonnewind die de natriumdeeltjes wegblaast.
In 2006 ontdekten wetenschappers dat de Maan in het geologisch recente verleden,
zo'n 1 tot 10 miljoen jaar geleden, nog vulkanische gassen heeft uitgestoten.
* De geur van de Maan:
De astronauten van de Apollo maanlandingen (1969-1972) vertelden dat ook de Maan
een specifieke geur afgeeft. Afgaande op de geur van het maanstof dat aan hun
ruimtepakken bleef kleven, zou de Maan naar
buskruit ruiken (dit maanstof kwam
in aanraking met de zuurstof in de LEM en verspreidde aldus in de cabine een
typische buskruitgeur).

* Gesynchroniseerde rotatie:
De rotatie van de Maan is gesynchroniseerd met haar omlooptijd rond de Aarde.
Praktisch betekent dit dat de Maan steeds dezelfde kant naar de Aarde gericht
houdt. Zo spreekt men van de voorkant en de achterkant van de Maan. Voordat een
ruimtesonde een kijkje aan de achterkant had genomen, wist men niet hoe deze
eruit zag. Eigenlijk bestaat de voorkant van de Maan uit 59% van het
maanoppervlak, want door allerlei variaties in de baan van de maan kunnen we
vanaf de Aarde toch iets meer van de Maan zien.
* Getijden:
De Maan is, samen met de zon en de draaiing van de Aarde, verantwoordelijk voor
de getijdenwerking op de Aarde. Deze getijdenwerking zorgt ervoor dat de
draaisnelheid (rotatie) van de Aarde langzaam afneemt.
Van haar kant oefent de Aarde ook getijdenwerking op de Maan uit, maar wel van
een ordegrootte sterker. Hierdoor is de draaisnelheid van de Maan al zo sterk
afgenomen dat zij precies evenveel tijd nodig heeft om om haar eigen as te
draaien, als éénmaal om de Aarde (synchrone rotatie).
Dat verklaart waarom we vanaf de Aarde altijd dezelfde kant van de Maan zien.

* Schijngestalten:
Het maansymbool van de vrouwelijke
godentriade toont de schijngestalten.
De Maan vertoont schijngestalten doordat gewoonlijk slechts een gedeelte van het
van de aarde af zichtbare maanoppervlak door de Zon wordt verlicht.
Na
nieuwe maan (donkere maan), volgt wassende maan tot het eerste kwartier en dan
volle maan, afnemende maan of krimpende maan tot het laatste kwartier en opnieuw
nieuwe maan. Tijdens nieuwe maan als de Maan en de Zon, vanaf de Aarde gezien,
samen staan (in conjunctie staan), is de donkere helft naar de Aarde gekeerd. De
volgende avonden staat bij zonsondergang een smalle maansikkel aan de westelijke
hemel; na ongeveer een week is de boogafstand (elongatie,
de hoek tussen de lijnen Aarde ~Zon en Aarde ~Maan) tot de Zon toegenomen tot
circa 90 graden en is de sikkel tot een halve cirkel geworden (eerste kwartier).
Nog een week later is zij zover naar het oosten gelopen dat de Maan bij
zonsondergang opkomt en vol is geworden. Weer een week later komt de Maan pas
omstreeks middernacht op en is nog maar voor de helft verlicht (laatste
kwartier). Daarna komt zij steeds later op en neemt steeds meer af om ten slotte
alleen nog aan de oostelijke morgenhemel, vlak voor zonsopkomst, als een smal
sikkeltje zichtbaar te zijn. Deze totale cyclus duurt gemiddeld 29,530588 dagen.
Als er twee keer in dezelfde maand een volle maan optreedt, wordt de tweede
volle maan een blauwe maan genoemd. Dit verschijnsel komt ongeveer om de twee á
drie jaar voor. Zo vielen en valt er in de maand juli 2004, juni 2007 en
december 2009 een blauwe maan. Ongeveer om de twintig zijn er twee blauwe manen
in een jaar. Die vallen dan alleen in de maanden januari en maart wanneer
februari geen volle maan heeft. Voor het laatst gebeurde dit in 1999. Wanneer de
volle maan 'perfect' is, en de Zon, Aarde en Maan precies op één lijn staan, is
er een maansverduistering: De Maan komt dan precies in de schaduw van de Aarde
te staan. In het geval van nieuwe maan kan er op overeenkomstige wijze een
zonsverduistering ontstaan. Dan werpt de maan haar schaduw op de aarde. De
maancyclus heeft sinds mensenheugenis symbool gestaan voor de tijdmeting (mensura)
en de schijngestalten werden verder geprojecteerd op alle grotere cyclussen in
de natuur en zelfs op het ontstaan en vergaan van de gehele kosmos.
In de mythologie is zij daarom vaak geassocieerd met godinnen. In de iconografie
is een maansikkel het attribuut van de maagdelijke godin Diana en van de
maangodin Luna.
Een maansikkel onder de voeten van de Grote Godin symboliseert kuisheid en
reinheid.
  

  


  
  
   |