
 




  

De Romeinen verdeelden het jaar in de
vier seizoenen die we ook nu nog onderscheiden: winter, lente, zomer en
herfst. In de meeste heidense beschavingen werd het jaar ingedeeld in een
winterhelft en een zomerhelft. Tussen winter en zomer werd door vrijwel alle
Indo-Europese stammen een Lentefeest gevierd. Een Herfstfeest is minder
algemeen gangbaar geweest en vaak is moeilijk het Herfstfeest, als dat al
gevierd werd, van het Winterfeest te scheiden.




Het Herfstfeest is een
dankfeest voor de oogsten die op dat moment zijn binnengehaald. Het gaat
daarbij, naast het afronden van de verschillende graanoogsten, vooral om
vruchtbomen, noten, bessen, bramen, etc... . Het Oogstfeest rond de eerste augustus stond in het teken van de geofferde
Vegetatiegod. Alleen in de Griekse Herfstfeesten sterft de Vegetatiegod om
als Wijngod herboren te worden. In
Noord-Europa is het Herfstfeest wat
gemoedelijker.
Jaarmarkten,
kermissen en
Gildefeesten zijn vanouds met dit
jaargetijde verbonden. De oogst is binnen en de winter is nog ver; dit lijkt het thema van veel
hedendaagse Herfstfeesten te zijn.


Het
woord herfst heeft een historie van vele duizenden jaren achter zich en is
te herleiden tot de
Indo-Europese wortel 'karp', waarmee de oogsttijd werd
aangeduid. Het Griekse karpós (vrucht) en het Latijnse carpere (plukken)
zijn hiervan afgeleid. De Latijnse term werd ook in overdrachtelijke zin
gebruikt, zoals in carpere oscula (kusjes stelen) en carpe diem (pluk de
dag). Taalkundigen nemen aan dat het woord herfst is ontstaan in een
cultuurperiode toen de mens leefde van het verzamelen der wild groeiende
vruchten, of misschien eerder nog, op een tijd toen het graan nog niet met
de
sikkel gesneden, maar
aargewijs geplukt werd. (J. de Vries:
Etymologisch woordenboek, p. 168). Ons woord herfst is afgeleid van de
Germaanse wortel "harbista", via het
Oudhoogduitse herbist, het
Middelhoogduitse herbest en het
Middelnederlandse hervest. De
Angelsaksische
vorm hseifest stond model voor het Engelse harvest, dat tot de zestiende
eeuw uitsluitend werd gebruikt voor de oogsttijd. Toen ontstond de gewoonte
ook de oogst zelf als harvest aan te duiden, waarna de oudere betekenis in
de loop van de achttiende eeuw verdween. Het Duitse Herbst heeft, net als de
Nederlandse vorm, de betekenis van jaargetijde behouden. Hetzelfde geldt
voor de afgeleide vormen in de andere
Germaanse talen, zoals haust (Oudnoors
en
IJslands), host (Noors) en host (Zweeds). Het Deense hest (oogst, herfst)
is vrijwel verdrongen door efteraar (najaar).


De
Romeinen gebruikten de naam autumnus, een vermoedelijk
Etruskisch woord,
waarvan de oorsprong en de betekenis niet meer te achterhalen zijn. De
verschillende
Romaanse talen hadden oorspronkelijk eigen woorden om de
herfst mee aan te duiden. Als regel waren dit woorden die een bepaalde
handeling beschreven, zoals het naar de stal brengen van de koeien, of het
binnenhalen van een bepaalde oogst, bijvoorbeeld die van de appels, olijven
of druiven. In de twaalfde en dertiende eeuw werden in de verschillende
Romaanse talen verbasteringen van het
Latijnse autumnus overgenomen, als een
overkoepelende literaire term voor de herfsttijd. Al snel verdrongen deze
vormen de oudere aanduidingen en zijn in verschillende moderne Romaanse
talen nog steeds gangbaar, zoals autunno (It), otoño (Sp), autono
(Portugees) en automne (Fr). Omstreeks 1380 vertaalde
Geoffrey Chaucer De
Consolatione Philosophiae van
Boëthius in het Engels. Daarbij vertaalde hij
autumnus niet met het toen algemeen gangbare herfest, maar koos ervoor de
gekunstelde
Oudfranse vorm autompne te verengelsen tot autumpne. Uit deze
literaire kunstgreep ontstond het Engelse autumn, dat in de achttiende eeuw
het oudere Aa/vest volledig had verdrongen. Het Engelse fall, dat in de
Verenigde Staten algemeen gangbaar is, ontstond in de zeventiende eeuw. In
1545 werden de vier seizoenen, door
Roger Ascham in Toxophilus, voor het
eerst omschreven als: 'Spring tyme, Somer, faule of the leafe, and winter.
John Evelyn was de eerste die, in zijn boek Sylva (1664), dit 'fall of the
leaf' afkortte tot fall.
De term najaar in de betekenis van herfst ontstond
in de zestiende eeuw, waarschijnlijk als tegenhanger van het in die tijd
gevormde begrip voorjaar. Voordien sloeg naejaer, net als het Duitse
Nachjahr, alleen op de vergoeding die aan erfgenamen en wezen werd
uitbetaald na een sterfgeval. In het
Ierse Gaelic worden zowel de herfst als
de oogst aangeduid als fómhar. September wordt mean fómhar (herfstmaand)
genoemd. In het
Schotse Gaelic worden herfst en oogst loghar genoemd, in het
Welsh cynhaeaf en in het
Cornish, kynyaf. Al deze woorden interpreteert C.D.
Buck als 'vóór de winter'. In het
Bretons werd de herfst aangeduid als diskar-amzer (tijd van verval) of als dilost-hanv (eind van de zomer).
Kennelijk werd de herfst door de verschillende
Keltische volkeren gezien als
de tijd dat de laatste oogst werd binnengehaald, voordat de winter inviel.
Door sommige Wiccans wordt het Herfstfeest aangeduid als Mabon. Jan de
Zutter neemt in "Abracadabra - lexicon van de moderne hekserij" deze gewoonte
over, maar voegt eraan toe: 'Het gebruik van het woord Mabon is van recente
datum. Onze voorouders vierden nooit een feest dat bekendstond als Mabon..
Er is inderdaad geen enkele aanwijzing dat de naam van de Keltische God
Mabon ooit aan het Herfstfeest of enig ander jaarfeest is gehecht.
Mabon kreeg zijn naam van
Alex Sanders, bekend van zijn alexandriaanse wicca
traditie. Vóór deze betiteling, in 1960, was Mabon gewoon bekend onder de
benaming van "herfstequinox" en stelde niet echt veel voor. De
Kelten en Germanen kenden enkel Zomer en Winter!!! De God Mabon, in
Gallië
Maponos genoemd, werd vooral geassocieerd met jeugdigheid en zonlicht. Zijn
naam betekent 'Zoon van de Moeder'. Door de Romeinen werd hij met
Apollo
gelijkgesteld. Als jeugdige God zou hij eerder passen bij de lente en de
zomer dan bij de herfst, maar ook bij deze feesten ontbreekt zijn naam.



Tot de invoering van de
Gregoriaanse kalender werd de herfstequinox op 24 september gerekend. Daarna
werd de equinox naar 21 september verplaatst en ten slotte op 23 september
vastgesteld. Het Herfstfeest werd echter zelden op de equinox gehouden. De
Romeinen gebruikten het aequinoctium autumnale voor astronomische
berekeningen, maar vierden geen Herfstfeest op deze datum. De Kelten lijken
evenmin een Herfstfeest rond de equinox gekend te hebben. In The festival of
Lughnasa geeft Maire MacNeill vele voorbeelden die aannemelijk maken dat de
Ierse Kelten Lughnasa of Lammas (1 augustus) als Herfstfeest vierden: 'Lammas
was the end of summer and the beginning of autumn". Grieken en Germanen
vierden de volle maan rond de herfstequinox en niet de equinox zelf.
 Zoals gezegd, werd door
de kerk in de
vroege Middeleeuwen de herfstequinox
aangewezen als
Conceptie van
Johannes de Doper, waarschijnlijk vooral om de
in deze periode gevierde Griekse Herfstfeesten
op een christelijke datum
vast te zetten en zodoende te
kerstenen. In de
Grieks-orthodoxe kerk bestaat
dit feest nog steeds op 23 september, de vooravond van de oude
herfstequinox. Het Germaanse Herfstfeest is echter niet aan de equinox verbonden gebleven
en kristalliseerde zich in Engeland en op het Europese vasteland vooral uit
op
Sint-Michiel (29 september). De namen herfstequinox, herfstevening en
herfstnachtevening werden alleen door wetenschappers gebruikt en speelden in
volksgebruiken rond het Herfstfeest geen enkele rol. Hetzelfde geldt voor het Duitse Herbstnachtgleiche en het Engelse autumn
equinox. Het veel gebruikte argument onder moderne
heidenen, dat het
Herfstfeest een viering is van het evenwicht tussen licht en duister in de
natuur, mist elke grond. Dag en nacht zijn even lang tijdens de beide
equinoxen, maar tot de vijftiende eeuw duurde elke dag van het jaar van
zonsopgang tot zonsondergang en het moment dat dag en nacht precies even
lang waren ging kennelijk ongemerkt voorbij. In de zestiende eeuw was de
herfstequinox door de fout in de
Juliaanse kalender 14 dagen verschoven, van
24 naar 10 september. Toch werd het Herfstfeest in grote delen van Europa
nog steeds gevierd op
Sint-Michiel,
29 september. De nacht duurde op dat
moment 13 uren, de dag 11, niet bepaald een evenwicht te noemen.




De
woorden maan en maand zijn beiden terug te voeren op de
Indo-Europese wortel
"men" (meten). De maan was de voorloper van de maand als tijdmeter.
Jaarfeesten waren in de meeste oude beschavingen gekoppeld aan de
maankalender, niet aan het
zonnejaar. Voor de meeste Indo-Europese volkeren
gold hetzelfde voordat ze overgingen op de
Romeinse kalender.
De oudste namen van maanden zijn vrijwel altijd afgeleid van die van de
manen in de daarvóór gebruikte
maankalender. Het
Angelsaksische Heerfestmonath duidde oorspronkelijk de volle maan rond de herfstequinox aan
en werd na het invoeren van de jaarkalender gebruikt voor de maand
september. In het moderne Engels worden beide begrippen onderscheiden als harvest moon en harvest month. Het
Oudhoogduitse "Herbistmanoth" leidde op
vergelijkbare wijze tot Herbstmonat (september) en Herbstmond (de maan rond
de herfstequinox). In het
Middelnederlands was herfstmaent gebruikelijk en
nog steeds wordt september herfstmaand genoemd. Toen het
Middelnederlands
vaste vormen begon aan te nemen was de herfstmaan kennelijk al uit de
spreektaal verdwenen.



Opmerkelijk is dat de
maand
september, naast haervestmonath, in de
Angelsaksische kalender werd
aangeduid als haligmonath, d.i. heilige maand. In het overzicht dat
Beda
geeft van de kalender spreekt hij met betrekking tot september van: "halegmonath; mensis sacrorum". Martin Nilsson
(Primitive time-reckoning, p. 296) ziet dit
als een verwijzing naar de heiligheid van de oogst voor de heidense
Angelsaksers. In de door
Karel de Grote ingestelde kalender werd Heilagmanoth verschoven naar
december, waarschijnlijk om daarmee de maand
waarin het
Christuskind geboren is tot heilige maand uit te roepen. In het
Middelnederlands was heilichmaent een gebruikelijke aanduiding van
december.
"Oorspronkelijk schijnt de naam aan de maand
september eigen te zijn
geweest", merken 'Verwijs' en 'Verdam' op. "Wellicht ligt hierin een
herinnering aan feesten die in deze maand gevierd werden, in de
voorchristelijke periode". In het Duits wordt Heilig-monat nog steeds voor
de kerstmaand gebruikt.


In
Griekenland stonden de verschillende Herfstfeesten in het teken van de
graanoogst, de druivenoogst en de oogst van groenten en fruit. Het waren
dankfeesten voor de oogst en een rituele voorbereiding op het zaaien van de
wintertarwe. Bij deze feesten speelde de herfstequinox geen rol. De Griekse
lunisolaire kalender was, in ieder geval in oorsprong, gericht op de maan
en
niet op het zonnejaar. De belangrijkste Herfstfeesten in
Athene vonden
plaats tijdens
Pyanepsion, de vierde maand van de lonisch-Attische kalender,
die in Athene en de omringende steden werd gevolgd. Deze maand kon vallen
tussen eind augustus en eind oktober. Op de vijfde dag van de maand vond het
feest Proerosia plaats. De naam betekent 'voorbereiding op het ploegen'.
Hierbij werd, met name in
Eleusis, een deel van de graanoogst aan
Demeter
geofferd. Twee dagen later, tijdens de Pyanepsia (letterlijk 'bonen koken'),
werden granen, gemengd met bonen en alle groenten van het jaargetijde, in
een grote ketel gekookt en tijdens een feestmaaltijd ter ere van
Apollon
genuttigd. Als onderdeel van het feest werd de eiresione, een met vruchten
versierde olijftak, in een plechtige processie rondgedragen. Ook werden
vaatjes met olijfolie, honing of wijn en uit brooddeeg gebakken figuurtjes
aan de tak gehangen. Gewoonlijk werd de tak na de processie met de olie of
de wijn gezegend. Groepen jongeren gingen met deze takken van huis tot huis
en werden als dank hiervoor beloond. Vaak werd de tak in huis opgehangen en
bleef daar het hele jaar, tot hij door de nieuwe eiresione werd vervangen.
Mannhardt ziet de eiresione als een klassieke voorganger van de oogstmei. Op
dezelfde dag werd ook een ander feest, de Oschophoria, ter ere van
Dionysos,
gevierd. Hierbij droegen twee in vrouwenkleding gestoken jongemannen
wijnstokken met grote, er nog aan hangende trossen druiven rond. Ze werden
gevolgd door een koor dat gewijde liederen zong. Dat op hetzelfde moment een
feest voor
Apollon en een feest voor
Dionysos plaatsvond is geen toeval. In
De kringloop van het leven, p. 28-60, hebben we beschreven hoe de
Vegetatiegod vanaf de Steentijd is voorgesteld in de vorm van twee elkaar in
de loop van het jaar afwisselende Goden. In Python - a study of Delphic myth
and its origins laat filoloog Joseph Fontenrose zien hoe
Apollo en
Dionysos
elkaar in
Delphi afwisselden: 'Dionysos van
Delphi was een God van dood en
winter. Niets is zekerder over hem bekend dan dat hij in
Delphi aanbeden
werd gedurende de drie wintermaanden, als
Apollo afwezig was. De Pyanepsia
is echter nog niet het moment dat Apollo de heerschappij aan Dionysos
overdraagt en vertrekt naar zijn winterverblijf in Hyperboreas. De druiven
zijn geoogst, maar de transformatie tot wijn heeft nog niet plaatsgevonden.
De Vegetatiegod moet sterven om als Wijngod herboren te worden. De Pyanepsia
is dan ook een plechtig en ingetogen ritueel, geen feest met veel wijn en
extatische priesteressen, zoals dat in de wintermaanden wel plaatsvond.
Nadat de druiventrossen in processie van de tempel van Dionysos naar de
tempel van
Athena in
Skiros waren gedragen werd daar een
plengoffer gebracht,
waarna alle aanwezigen 'Eleleu, lou, lou!' uitriepen. Hierna werden de
wijnstokken teruggebracht naar de tempel van
Dionysos. De uitroep 'Eleleu, lou, lou!'
betekent:'Hoera! Helaas! Helaas!' Vanaf de vijfde eeuw v.Chr. werd dit door
de Grieken verklaard als vreugde over de behouden terugkeer van de Atheense
held
Theseus en rouw over de dood van diens vader, die ten onrechte aannam
dat zijn zoon door de
Minotaurus was verscheurd en zich daarom van de rotsen
wierp. Waarschijnlijk is het ritueel veel ouder dan deze
mythe en te
verklaren als vreugde over de druivenoogst die de Wijngod herboren zal doen
worden, gemengd met treurnis over de dood van de Vegetatiegod in de vorm van
de druiven die uitgeperst zullen worden.


 De Griekse wijnfeesten die in de winter werden gehouden ter ere van Dionysos
waren drinkgelagen waar dronkenschap en extase de boventoon voerden. Rond
200 v.Chr. waren dergelijke feesten ook in Rome gebruikelijk, ter ere van
Bacchus, de Romeinse vorm van de
Lydische wijngod Bakchos, die vermoedelijk
ook model gestaan heeft voor de Griekse
Dionysos. Dergelijke uitspattingen
pasten echter niet bij de ingetogen aard van de Romeinse samenleving.
Bovendien nam de cultus rond Dionysos steeds meer de vorm van een
mysterie-religie aan, een verschijnsel waar de Romeinse autoriteiten zeer
argwanend tegenover stonden. In 186 v.Chr. werden de
Bacchanalia door de
Romeinse senaat verboden. Vanaf dat moment was het
Jupiter die als wijngod
optrad tijdens de
Vinalia, op 23 april, waarbij de wijn van het vorig jaar
voor het eerst gedronken mocht worden. Op 19 augustus werden de "Vinalia
Rustica" gehouden, eveneens een wijnfeest ter ere van
Jupiter. Hierbij plukte
de
Flamen Dialis, de priester van
Jupiter, de eerste druiven en voerde een
ritueel uit om het
numen van de druiven te activeren en zo de een maand
later te verwachten druivenoogst gunstig te beïnvloeden. Een Herfstfeest op
of rond de equinox hebben de Romeinen nooit gevierd. In de maand september
vonden geen religieuze feesten plaats, alleen van 4 tot 19 september de Ludi
Romani (spelen en wedstrijden) in het
Circus Maximus. Voor de Romeinen was
het Herfstfeest niet de equinox, maar, naast spel en ontspanning, de oogst
van de nieuwe wijn. Tijdens de
Meditrinalia, op 11 oktober, werd de mustum
(most) van de nieuwe wijn met oude wijn gemengd en gedronken na het brengen
van een
plengoffer en het uitspreken van de wens: 'Novum vetus vinum bibo,
novo veteri morbo medeor. (Ik drink oude en nieuwe wijn om mijn oude en
nieuwe kwalen te genezen). Most is vruchtensap dat net is begonnen te gisten
en daarom is
most van druiven voor ons geen druivensap meer en nog geen
wijn. De Romeinen beschouwden most daarentegen als een gezonde en
geneeskrachtige drank waar je niet dronken van wordt. Het woord mustum werd
niet alleen voor most gebruikt. Het betekende ook wijnoogst en herfst. Het
mengen van oude wijn door de
most is ook een manier om het "numen" van de
wijn te activeren en de levenskracht van de vorige wijnoogst op de nieuwe
oogst over te brengen.






 Waarschijnlijk vierden de
Germanen tijdens de volle maan rond de
herfstequinox een feest, harbista of harbusta genaamd, als afsluiting van de
oogsttijd en als rituele voorbereiding op het zaaien van het wintergraan. De
volksvertegenwoordiging, Ding genaamd, waar ook recht (Geding of Gericht)
werd gesproken, kwam in mei samen (Maiending, Maiengeding of Maiengericht)
en in de herfst (Herbstding, Herbstgeding of Herbstgericht). In de
Middeleeuwen werd dit nog steeds Herbstding genoemd en veel volksfeesten
sloten zich hierbij aan. De
jaarmarkt die rond deze tijd werd gehouden kreeg
tijdens de
mis een kerkelijke
wijding. Later ging de naam Messe op de
jaarmarkt zelf over. Tijdens de op de herfstmaan volgende volle maan vierden
de Germanen het Winterfeest,
de terugkeer van de doden. Toen ze overgingen
van een
maankalender op de
Juliaanse kalender wezen de verschillende stammen
verschillende data aan als Winterfeest. De ene Germaanse stam vierde het
begin van de winter op 28 september, andere stammen kozen 1 of 15 oktober.
Herfstfeest en Winterfeest gingen daarbij in elkaar over en werden vaak op
dezelfde dagen gevierd. Het is de vraag in hoeverre het Germaanse
Herfstfeest een eigen identiteit heeft gehad, zelfs toen de maankalender nog
werd gebruikt. In de
Germania, hoofdstuk 26, zegt
Tacitus zelfs dat de
Germanen de herfst niet kenden als jaargetijde omdat ze geen boomgaarden of
wijngaarden hadden en dus niet bekend waren met de vruchten van dat seizoen.
Dat de Germanen wel degelijk feest vierden in de herfst was deze Romeinse
geschiedschrijver evenwel bekend. In zijn Annalen, boek I, deel 50-51,
beschrijft hij hoe de Romeinse veldheer
Germanicus in de herfst van het jaar
14 n.Chr. de Germaanse stam van
de Marsa versloeg door ze te verrassen
tijdens de viering van een groot feest ter ere van
de Godin Tanfana.
Kennelijk zag
Tacitus dit niet als een Herfstfeest en waarschijnlijk was het
dat ook niet. Taalkundigen als
Jacob Grimm en Jan de Vries leiden uit de
naam van de Godin af dat ze vooral verbonden was met de haard en met het
dodenrijk. Het feest voor
Tanfana was vermoedelijk een Winterfeest, geen
Herfstfeest. Wat voor
Tacitus de herfst was, tussen 24 september en 25
december, was in de Germaanse maankalender een mogelijk tijdstip voor het
Winterfeest. In
de vroege Middeleeuwen werden de Germaanse gebieden een voor
een veroverd door
de Franken,
gekerstend en ingelijfd bij wat later het
Heilige Roomse Rijk zou heten. Het veredelen van wilde vruchtbomen kwam rond
deze tijd op gang en onder
Karel de Grote werden wijngaarden aangelegd langs
de Rijn. Hierdoor kreeg het Herbstfest steeds meer het karakter van een
oogstfeest voor wijn en
ooft en maakte het zich, voor het eerst sinds de
maankalender werd afgeschaft, weer los van het Winterfeest. Het Herfstfeest
werd echter niet gekoppeld aan de herfstequinox, maar kristalliseerde zich
uit op verschillende hieronder uitgebreider beschreven heiligendagen rond
deze tijd, zoals Sint Gilles (1 september), Maria Geboorte (8 september),
Sint Lambertus (17 september), Sint Michael (29 september) en Sint Bavo (1
oktober). Het Winterfeest verschoof in de loop der eeuwen met name naar
Allerzielen en
Sint-Maarten. Onze winterfeesten waren en zijn (nog steeds)
Samhain
Yule (Joel)
en
Imbolc.

(29 september)
Door
het
Concilie van
Mainz in
813 werd besloten op 29 september een feestdag
voor de aartsengel Michael en alle andere engelen in te stellen. Voor deze
datum werd gekozen omdat op
29 september
493 een basiliek bij Rome was
gewijd op de plaats waar de aartsengel enkele maanden eerder zou zijn
verschenen. De tijd van het jaar, het begin van de Germaanse winter, zal ook
een rol gespeeld hebben. In
785 had de
Saksische leider
Widukind zich
onderworpen aan Karel de Grote en zich laten dopen. Het Saksische
Winterfeest werd van 1-3 oktober gehouden. In
Augsburg, de hoofdstad van het
in
787 door
Karel de Grote onderworpen en
gekerstende
Beieren, werd het
Winterfeest op 28 september gevierd. Het was een belangrijk feest, waarop recht werd gesproken en op veel
plaatsen een jaarmarkt werd gehouden. Om het heidense Winterfeest in het nog maar net gekerstende Germaanse gebied
een
christelijke wending te geven werd de belangrijkste van alle engelen op
deze strategische datum ingezet. In het
Angelsaksische Engeland werd Michaelmas om dezelfde reden een van de quarterdays.
Deze voorbeelden illustreren dat in die tijd geen duidelijk onderscheid werd
gemaakt tussen het Germaanse Herfst- en Winterfeest. In Duitsland was Michaelstag het
gekerstende Winterfeest; in Engeland was Michaelmas als quarter-day de tegenhanger van Lady Day
(25 maart), het
gekerstende Lentefeest.
Michaël werd gezien als de aanvoerder van de hemelse heerscharen, de
lichtende strijder tegen de Duivel en zijn trawanten. Hij versloeg
Satan in
de vorm van een draak; een rol die
Sint-Joris vele eeuwen later zou
overnemen. Michael was ook de begeleider van de zielen der overledenen in
het hiernamaals. Hij kondigde de
Heilige Maagd haar dood aan en vocht met
Satan om het lichaam van de overleden
Mozes. Hij woog de zielen van de
overledenen en begeleidde de rechtvaardigen naar de hemel, terwijl hij
zondaars in het
vagevuur stortte. Niemand was beter uitgerust om de
heidense dodencultus te
kerstenen dan
Michael. Hoewel hij een
aartsengel en geen
heilige was, moedigde de kerk in alle
opzichten de volkse verering van Sint Michiel aan. In heel Europa werden kerken naar hem genoemd en werd hij vereerd met
kapellen op hoge plaatsen, als symbool voor zijn hoog verheven status en
idealen. In
Utrecht bevindt zich sinds 1328 een Michaelskapel in het destijds hoogste
punt van de
Domtoren. In Duitsland werden de
heiligdommen van
Wodan op
bergtoppen
gekerstend door er Michaelskapellen overheen te bouwen.
Als aanvoerder van
de Wilde Jacht was
Wodan, Heer van de Doden, die onder
zijn leiding in de winter door de lucht vlogen. Ook
Holda of Hella was met
de Germaanse dodencultus verbonden. De overledenen werden door de Godin liefdevol verzorgd en in het dodenrijk
opgenomen. Er was de kerk veel aan gelegen de
heidense dodenverering uit te bannen en Wodan en Holda te vervangen door Michael. Voor een groot gedeelte lukte dit.
De dood wordt in Duitsland aangeduid als St Michaelssc Alaf. Toch wordt de
vrijdag vóór Sint Michiel in
Unterfranken (Beieren) nog steeds Helltag
genoemd en de weg naar veel aan Michael gewijde kerkhoven is een Helweg. Naarmate het Herfstfeest in de Middeleeuwen meer het karakter van een
Oogstfeest kreeg veranderde ook de viering van Sint Michiel. Soms werd deze
dag als laatste oogstdag voor appelen genoemd. In
Zwitserland werd de laatste garve (korenschoof) Michel genoemd. Gewoonlijk werd er een
grote feestmaaltijd gehouden om de goede afloop van de verschillende
herfstoogsten te vieren. In Engeland werd daarbij de Sint Michaelsgans
gegeten. Men zei dat het eten van de
gans het hele jaar voorspoed zou geven.
In de
Niederrhein werd de gans met
kastanjes gevuld. In 1773 werd in
Pruisen
de zondag na Sint Michael officieel uitgeroepen tot Emtefest (Oogstfeest).
Niet lang daarna volgden de andere Duitse staten dit voorbeeld. Nog steeds
wordt deze dag door
katholieken en
protestanten in Duitsland als oogstfeest
gevierd. Op veel plaatsen in Duitsland was het op Sint Michiel verboden graan
te zaaien of op het land te werken. Soms werd de wintertarwe juist wel op
Sint Michiel gezaaid. Gustav Jungbauer, Elard Hugo Meyer en anderen zien
hierin restanten van een oude
Wodanscultus. Tenslotte was
Wodan niet alleen
Heer van het Dodenrijk, maar ook verbonden met het graan en de akkerbouw.
Dit zal de overgang van Dodenfeest naar Oogstfeest gemakkelijker en tegelijk
verwarrender gemaakt hebben. Een eerbetoon aan de doden, die goede gaven
brengen, de vruchtbaarheid van de oogst gedurende de winter bewaken en deze
overdragen op het nieuwe akkerseizoen, wijkt niet principieel af van een
dankfeest voor de oogst. Vaak waren er speciale broden of koeken die met Sint
Michiel gebakken werden. Op de
Hebriden werden voor Michaelmas koeken gebakken,
"struan" genaamd,
gemaakt van verschillende soorten graan, die tijdens een feestmaal werden
gegeten. In alle opzichten is dit te beschouwen als een dankfeest voor de
verschillende graanoogsten. Toch werden de restanten van het maal aan de
armen gegeven, die gewoonlijk tijdens het Winterfeest de arme zielen in het
vagevuur vervangen. Ook werd na de maaltijd een
processie rond het
plaatselijke kerkhof gehouden. In
Vlaanderen legde men een broodje, vollerte genaamd, in de Michielsnacht
onder het hoofdkussen van slapende kinderen, een gebruik dat
Sint Maarten of
Sinterklaas niet zou misstaan. In
Zwitserland vloog Michael tijdens de mis van huis tot huis en liet
geschenken voor de kinderen achter, die ze aantroffen als ze terugkwamen uit
de kerk.

(29 september)
 Gertrudis, ook wel genaamd
Geertrui of Geertgen, was de
abdis van het
klooster van
Nijvel (Nivelles in
Waals Brabant). Ze stierf op 17 maart 659
en wordt vanaf de tiende eeuw in Nederland, België en Duitsland op die datum
herdacht. In
Nijvel zelf wordt ze echter jaarlijks geëerd met een
ommegang van
14 km op 29 september. Tot de dertiende eeuw werd een omgang gehouden voor
Michael, maar het kerkbestuur besloot toen de
aartsengel te vervangen door
de plaatselijke heilige en haar te eren met een Grote Ronde, waarbij een
wagen haar
schrijn en
relikwieën langs de voormalige grenzen van
het klooster zou voeren. Een Grote Ronde (Grand Tour) is een
ommegang die, in
tegenstelling tot een
processie, de grenzen van de
parochie overschrijdt.
Het besluit de Grote Ronde aan Geertrui te wijden is opmerkelijk, temeer
daar deze heilige vele trekken heeft ontleend aan de Germaanse dodencultus.
Net als
Holda had Gertrudis een
spinnewiel als
attribuut. Net als
Holda
geacht werd de doden op te vangen en naar het dodenrijk te begeleiden werd
van Gertrudis gezegd dat ze de zielen van de overledenen opving. In de
Middeleeuwen ging men er algemeen van uit dat de ziel de eerste nacht door Gertrudis wordt begeleid en daarna door
Michael wordt overgenomen. Gertrudis
werd altijd afgebeeld met een of meer muizen naast zich. Volgens het
Germaans geloof, zoals dat in de
Middeleeuwen voortleefde, namen
overledenen vaak de vorm van een muis aan. Holda verzorgde niet alleen de
doden, maar ook de levenden gaf ze voedsel in overvloed. Wie meeloopt in de
Grote Ronde van
Nijvel draagt een geschilde boomtak bij zich, die de avond
tevoren door een priester is gezegend met
wijwater. Gertrudis zal dan de
oogst van dat jaar beschermen tegen ziekten, verderf en knaagdieren. Zoals
Getrudis de zielen begeleidde in het
hiernamaals was ze ook
de
beschermheilige van alle reizigers in dit ondermaanse. Bij het afscheid
nemen dronk men de Gertrudisminne. In
Nijvel brengt men, halverwege de Grote Ronde, in
de hoeve Grand Peine een
heildronk uit. In alle opzichten past Gertrudis beter bij het Herfst- en Winterfeest dan
bij het voorjaar, waarin haar sterfdag wordt gevierd. Vaak worden de
biografische gegevens van een heilige aangepast aan de omstandigheden. De
sterfdag van Gertrudis was echter algemeen bekend en hieraan kon niet
getornd worden. Wel kon haar feestdag verplaatst worden, om deze in
overeenstemming te brengen met onze Goden, die door deze heilige
gekerstend en daardoor vervangen werden.
Bron : De acht
jaarfeesten (Auteurs Ko en Joke Lankester). Isbn 90-325-0623-4




  

 |