De Romeinen verdeelden het jaar in de vier seizoenen die we ook nu nog onderscheiden: winter, lente, zomer en herfst. In de meeste heidense beschavingen werd het jaar ingedeeld in een winterhelft en een zomerhelft. Tussen winter en zomer werd door vrijwel alle Indo-Europese stammen een Lentefeest gevierd. Een Herfstfeest is minder algemeen gangbaar geweest en vaak is moeilijk het Herfstfeest, als dat al gevierd werd, van het Winterfeest te scheiden.



 

 

Het Herfstfeest is een dankfeest voor de oogsten die op dat moment zijn binnengehaald. Het gaat daarbij, naast het afronden van de verschillende graanoogsten, vooral om vruchtbomen, noten, bessen, bramen, etc... .
Het Oogstfeest rond de eerste augustus stond in het teken van de geofferde Vegetatiegod. Alleen in de Griekse Herfstfeesten sterft de Vegetatiegod om als Wijngod herboren te worden. In Noord-Europa is het Herfstfeest wat gemoedelijker.
Jaarmarkten, kermissen en Gildefeesten zijn vanouds met dit jaargetijde verbonden.
De oogst is binnen en de winter is nog ver; dit lijkt het thema van veel hedendaagse Herfstfeesten te zijn.


Het woord herfst heeft een historie van vele duizenden jaren achter zich en is te herleiden tot de Indo-Europese wortel 'karp', waarmee de oogsttijd werd aangeduid. Het Griekse karpós (vrucht) en het Latijnse carpere (plukken) zijn hiervan afgeleid. De Latijnse term werd ook in overdrachtelijke zin gebruikt, zoals in carpere oscula (kusjes stelen) en carpe diem (pluk de dag). Taalkundigen nemen aan dat het woord herfst is ontstaan in een cultuurperiode toen de mens leefde van het verzamelen der wild groeiende vruchten, of misschien eerder nog, op een tijd toen het graan nog niet met de sikkel gesneden, maar aargewijs geplukt werd. (J. de Vries: Etymologisch woordenboek, p. 168). Ons woord herfst is afgeleid van de Germaanse wortel "harbista", via het Oudhoogduitse herbist, het Middelhoogduitse herbest en het Middelnederlandse hervest. De Angelsaksische vorm hseifest stond model voor het Engelse harvest, dat tot de zestiende eeuw uitsluitend werd gebruikt voor de oogsttijd. Toen ontstond de gewoonte ook de oogst zelf als harvest aan te duiden, waarna de oudere betekenis in de loop van de achttiende eeuw verdween. Het Duitse Herbst heeft, net als de Nederlandse vorm, de betekenis van jaargetijde behouden. Hetzelfde geldt voor de afgeleide vormen in de andere Germaanse talen, zoals haust (Oudnoors en IJslands), host (Noors) en host (Zweeds). Het Deense hest (oogst, herfst) is vrijwel verdrongen door efteraar (najaar).


De Romeinen gebruikten de naam autumnus, een vermoedelijk Etruskisch woord, waarvan de oorsprong en de betekenis niet meer te achterhalen zijn. De verschillende Romaanse talen hadden oorspronkelijk eigen woorden om de herfst mee aan te duiden. Als regel waren dit woorden die een bepaalde handeling beschreven, zoals het naar de stal brengen van de koeien, of het binnenhalen van een bepaalde oogst, bijvoorbeeld die van de appels, olijven of druiven. In de twaalfde en dertiende eeuw werden in de verschillende Romaanse talen verbasteringen van het Latijnse autumnus overgenomen, als een overkoepelende literaire term voor de herfsttijd. Al snel verdrongen deze vormen de oudere aanduidingen en zijn in verschillende moderne Romaanse talen nog steeds gangbaar, zoals autunno (It), otoño (Sp), autono (Portugees) en automne (Fr).
Omstreeks 1380 vertaalde Geoffrey Chaucer De Consolatione Philosophiae van Boëthius in het Engels. Daarbij vertaalde hij autumnus niet met het toen algemeen gangbare herfest, maar koos ervoor de gekunstelde Oudfranse vorm autompne te verengelsen tot autumpne. Uit deze literaire kunstgreep ontstond het Engelse autumn, dat in de achttiende eeuw het oudere Aa/vest volledig had verdrongen. Het Engelse fall, dat in de Verenigde Staten algemeen gangbaar is, ontstond in de zeventiende eeuw. In 1545 werden de vier seizoenen, door Roger Ascham in Toxophilus, voor het eerst omschreven als: 'Spring tyme, Somer, faule of the leafe, and winter. John Evelyn was de eerste die, in zijn boek Sylva (1664), dit 'fall of the leaf' afkortte tot fall.
De term najaar in de betekenis van herfst ontstond in de zestiende eeuw, waarschijnlijk als tegenhanger van het in die tijd gevormde begrip voorjaar. Voordien sloeg naejaer, net als het Duitse Nachjahr, alleen op de vergoeding die aan erfgenamen en wezen werd uitbetaald na een sterfgeval. In het Ierse Gaelic worden zowel de herfst als de oogst aangeduid als fómhar. September wordt mean fómhar (herfstmaand) genoemd. In het Schotse Gaelic worden herfst en oogst loghar genoemd, in het Welsh cynhaeaf en in het Cornish, kynyaf. Al deze woorden interpreteert C.D. Buck als 'vóór de winter'. In het Bretons werd de herfst aangeduid als diskar-amzer (tijd van verval) of als dilost-hanv (eind van de zomer). Kennelijk werd de herfst door de verschillende Keltische volkeren gezien als de tijd dat de laatste oogst werd binnengehaald, voordat de winter inviel. Door sommige Wiccans wordt het Herfstfeest aangeduid als Mabon. Jan de Zutter neemt in "Abracadabra - lexicon van de moderne hekserij" deze gewoonte over, maar voegt eraan toe: 'Het gebruik van het woord Mabon is van recente datum. Onze voorouders vierden nooit een feest dat bekendstond als Mabon.. Er is inderdaad geen enkele aanwijzing dat de naam van de Keltische God Mabon ooit aan het Herfstfeest of enig ander jaarfeest is gehecht.
Mabon kreeg zijn naam van Alex Sanders, bekend van zijn alexandriaanse wicca traditie.
Vóór deze betiteling, in 1960, was Mabon gewoon bekend onder de benaming van "herfstequinox" en stelde niet echt veel voor. De Kelten en Germanen kenden enkel Zomer en Winter!!!
De God Mabon, in Gallië Maponos genoemd, werd vooral geassocieerd met jeugdigheid en zonlicht. Zijn naam betekent 'Zoon van de Moeder'. Door de Romeinen werd hij met Apollo gelijkgesteld. Als jeugdige God zou hij eerder passen bij de lente en de zomer dan bij de herfst, maar ook bij deze feesten ontbreekt zijn naam.


 

 

 

 

 

 

Tot de invoering van de Gregoriaanse kalender werd de herfstequinox op 24 september gerekend. Daarna werd de equinox naar 21 september verplaatst en ten slotte op 23 september vastgesteld. Het Herfstfeest werd echter zelden op de equinox gehouden. De Romeinen gebruikten het aequinoctium autumnale voor astronomische berekeningen, maar vierden geen Herfstfeest op deze datum. De Kelten lijken evenmin een Herfstfeest rond de equinox gekend te hebben. In The festival of Lughnasa geeft Maire MacNeill vele voorbeelden die aannemelijk maken dat de Ierse Kelten Lughnasa of Lammas (1 augustus) als Herfstfeest vierden: 'Lammas was the end of summer and the beginning of autumn". Grieken en Germanen vierden de volle maan rond de herfstequinox en niet de equinox zelf.
Zoals gezegd, werd door de kerk in de vroege Middeleeuwen de herfstequinox aangewezen als Conceptie van Johannes de Doper, waarschijnlijk vooral om de in deze periode gevierde Griekse Herfstfeesten op een christelijke datum vast te zetten en zodoende te kerstenen. In de Grieks-orthodoxe kerk bestaat dit feest nog steeds op 23 september, de vooravond van de oude herfstequinox.
Het Germaanse Herfstfeest is echter niet aan de equinox verbonden gebleven en kristalliseerde zich in Engeland en op het Europese vasteland vooral uit op Sint-Michiel (29 september). De namen herfstequinox, herfstevening en herfstnachtevening werden alleen door wetenschappers gebruikt en speelden in volksgebruiken rond het Herfstfeest geen enkele rol.
Hetzelfde geldt voor het Duitse Herbstnachtgleiche en het Engelse autumn equinox. Het veel gebruikte argument onder moderne heidenen, dat het Herfstfeest een viering is van het evenwicht tussen licht en duister in de natuur, mist elke grond. Dag en nacht zijn even lang tijdens de beide equinoxen, maar tot de vijftiende eeuw duurde elke dag van het jaar van zonsopgang tot zonsondergang en het moment dat dag en nacht precies even lang waren ging kennelijk ongemerkt voorbij. In de zestiende eeuw was de herfstequinox door de fout in de Juliaanse kalender 14 dagen verschoven, van 24 naar 10 september. Toch werd het Herfstfeest in grote delen van Europa nog steeds gevierd op Sint-Michiel, 29 september.
De nacht duurde op dat moment 13 uren, de dag 11, niet bepaald een evenwicht te noemen.




De woorden maan en maand zijn beiden terug te voeren op de Indo-Europese wortel "men" (meten). De maan was de voorloper van de maand als tijdmeter. Jaarfeesten waren in de meeste oude beschavingen gekoppeld aan de maankalender, niet aan het zonnejaar.
Voor de meeste Indo-Europese volkeren gold hetzelfde voordat ze overgingen op de Romeinse kalender. De oudste namen van maanden zijn vrijwel altijd afgeleid van die van de manen in de daarvóór gebruikte maankalender. Het Angelsaksische Heerfestmonath duidde oorspronkelijk de volle maan rond de herfstequinox aan en werd na het invoeren van de jaarkalender gebruikt voor de maand september. In het moderne Engels worden beide begrippen onderscheiden als harvest moon en harvest month. Het Oudhoogduitse "Herbistmanoth" leidde op vergelijkbare wijze tot Herbstmonat (september) en Herbstmond (de maan rond de herfstequinox). In het Middelnederlands was herfstmaent gebruikelijk en nog steeds wordt september herfstmaand genoemd.
Toen het Middelnederlands vaste vormen begon aan te nemen was de herfstmaan kennelijk al uit de spreektaal verdwenen.


 

Opmerkelijk is dat de maand september, naast haervestmonath, in de Angelsaksische kalender werd aangeduid als haligmonath, d.i. heilige maand.
In het overzicht dat Beda geeft van de kalender spreekt hij met betrekking tot september van: "halegmonath; mensis sacrorum". Martin Nilsson (Primitive time-reckoning, p. 296) ziet dit als een verwijzing naar de heiligheid van de oogst voor de heidense Angelsaksers. In de door Karel de Grote ingestelde kalender werd Heilagmanoth verschoven naar december, waarschijnlijk om daarmee de maand waarin het Christuskind geboren is tot heilige maand uit te roepen. In het Middelnederlands was heilichmaent een gebruikelijke aanduiding van december.
"Oorspronkelijk schijnt de naam aan de maand september eigen te zijn geweest", merken 'Verwijs' en 'Verdam' op. "Wellicht ligt hierin een herinnering aan feesten die in deze maand gevierd werden, in de voorchristelijke periode".
In het Duits wordt Heilig-monat nog steeds voor de kerstmaand gebruikt.


In Griekenland stonden de verschillende Herfstfeesten in het teken van de graanoogst, de druivenoogst en de oogst van groenten en fruit.
Het waren dankfeesten voor de oogst en een rituele voorbereiding op het zaaien van de wintertarwe. Bij deze feesten speelde de herfstequinox geen rol.
De Griekse lunisolaire kalender was, in ieder geval in oorsprong, gericht op de maan en niet op het zonnejaar.
De belangrijkste Herfstfeesten in Athene vonden plaats tijdens Pyanepsion, de vierde maand van de lonisch-Attische kalender, die in Athene en de omringende steden werd gevolgd. Deze maand kon vallen tussen eind augustus en eind oktober. Op de vijfde dag van de maand vond het feest Proerosia plaats. De naam betekent 'voorbereiding op het ploegen'. Hierbij werd, met name in Eleusis, een deel van de graanoogst aan Demeter geofferd. Twee dagen later, tijdens de Pyanepsia (letterlijk 'bonen koken'), werden granen, gemengd met bonen en alle groenten van het jaargetijde, in een grote ketel gekookt en tijdens een feestmaaltijd ter ere van Apollon genuttigd. Als onderdeel van het feest werd de eiresione, een met vruchten versierde olijftak, in een plechtige processie rondgedragen. Ook werden vaatjes met olijfolie, honing of wijn en uit brooddeeg gebakken figuurtjes aan de tak gehangen. Gewoonlijk werd de tak na de processie met de olie of de wijn gezegend. Groepen jongeren gingen met deze takken van huis tot huis en werden als dank hiervoor beloond. Vaak werd de tak in huis opgehangen en bleef daar het hele jaar, tot hij door de nieuwe eiresione werd vervangen.
Mannhardt ziet de eiresione als een klassieke voorganger van de oogstmei. Op dezelfde dag werd ook een ander feest, de Oschophoria, ter ere van Dionysos, gevierd. Hierbij droegen twee in vrouwenkleding gestoken jongemannen wijnstokken met grote, er nog aan hangende trossen druiven rond. Ze werden gevolgd door een koor dat gewijde liederen zong. Dat op hetzelfde moment een feest voor Apollon en een feest voor Dionysos plaatsvond is geen toeval. In De kringloop van het leven, p. 28-60, hebben we beschreven hoe de Vegetatiegod vanaf de Steentijd is voorgesteld in de vorm van twee elkaar in de loop van het jaar afwisselende Goden. In Python - a study of Delphic myth and its origins laat filoloog Joseph Fontenrose zien hoe Apollo en Dionysos elkaar in Delphi afwisselden: 'Dionysos van Delphi was een God van dood en winter. Niets is zekerder over hem bekend dan dat hij in Delphi aanbeden werd gedurende de drie wintermaanden, als Apollo afwezig was.
De Pyanepsia is echter nog niet het moment dat Apollo de heerschappij aan Dionysos overdraagt en vertrekt naar zijn winterverblijf in Hyperboreas. De druiven zijn geoogst, maar de transformatie tot wijn heeft nog niet plaatsgevonden. De Vegetatiegod moet sterven om als Wijngod herboren te worden. De Pyanepsia is dan ook een plechtig en ingetogen ritueel, geen feest met veel wijn en extatische priesteressen, zoals dat in de wintermaanden wel plaatsvond. Nadat de druiventrossen in processie van de tempel van Dionysos naar de tempel van Athena in Skiros waren gedragen werd daar een plengoffer gebracht, waarna alle aanwezigen 'Eleleu, lou, lou!' uitriepen. Hierna werden de wijnstokken teruggebracht naar de tempel van Dionysos. De uitroep 'Eleleu, lou, lou!'  betekent:'Hoera! Helaas! Helaas!' Vanaf de vijfde eeuw v.Chr. werd dit door de Grieken verklaard als vreugde over de behouden terugkeer van de Atheense held Theseus en rouw over de dood van diens vader, die ten onrechte aannam dat zijn zoon door de Minotaurus was verscheurd en zich daarom van de rotsen wierp. Waarschijnlijk is het ritueel veel ouder dan deze mythe en te verklaren als vreugde over de druivenoogst die de Wijngod herboren zal doen worden, gemengd met treurnis over de dood van de Vegetatiegod in de vorm van de druiven die uitgeperst zullen worden.



De Griekse wijnfeesten die in de winter werden gehouden ter ere van Dionysos waren drinkgelagen waar dronkenschap en extase de boventoon voerden. Rond 200 v.Chr. waren dergelijke feesten ook in Rome gebruikelijk, ter ere van Bacchus, de Romeinse vorm van de Lydische wijngod Bakchos, die vermoedelijk ook model gestaan heeft voor de Griekse Dionysos. Dergelijke uitspattingen pasten echter niet bij de ingetogen aard van de Romeinse samenleving. Bovendien nam de cultus rond Dionysos steeds meer de vorm van een mysterie-religie aan, een verschijnsel waar de Romeinse autoriteiten zeer argwanend tegenover stonden. In 186 v.Chr. werden de Bacchanalia door de Romeinse senaat verboden. Vanaf dat moment was het Jupiter die als wijngod optrad tijdens de Vinalia, op 23 april, waarbij de wijn van het vorig jaar voor het eerst gedronken mocht worden.
Op 19 augustus werden de "Vinalia Rustica" gehouden, eveneens een wijnfeest ter ere van Jupiter. Hierbij plukte de Flamen Dialis, de priester van Jupiter, de eerste druiven en voerde een ritueel uit om het numen van de druiven te activeren en zo de een maand later te verwachten druivenoogst gunstig te beïnvloeden. Een Herfstfeest op of rond de equinox hebben de Romeinen nooit gevierd.
In de maand september vonden geen religieuze feesten plaats, alleen van 4 tot 19 september de Ludi Romani (spelen en wedstrijden) in het Circus Maximus. Voor de Romeinen was het Herfstfeest niet de equinox, maar, naast spel en ontspanning, de oogst van de nieuwe wijn. Tijdens de Meditrinalia, op 11 oktober, werd de mustum (most) van de nieuwe wijn met oude wijn gemengd en gedronken na het brengen van een plengoffer en het uitspreken van de wens: 'Novum vetus vinum bibo, novo veteri morbo medeor. (Ik drink oude en nieuwe wijn om mijn oude en nieuwe kwalen te genezen). Most is vruchtensap dat net is begonnen te gisten en daarom is most van druiven voor ons geen druivensap meer en nog geen wijn. De Romeinen beschouwden most daarentegen als een gezonde en geneeskrachtige drank waar je niet dronken van wordt. Het woord mustum werd niet alleen voor most gebruikt. Het betekende ook wijnoogst en herfst. Het mengen van oude wijn door de most is ook een manier om het "numen" van de wijn te activeren en de levenskracht van de vorige wijnoogst op de nieuwe oogst over te brengen.






Waarschijnlijk vierden de Germanen tijdens de volle maan rond de herfstequinox een feest, harbista of harbusta genaamd, als afsluiting van de oogsttijd en als rituele voorbereiding op het zaaien van het wintergraan. De volksvertegenwoordiging, Ding genaamd, waar ook recht (Geding of Gericht) werd gesproken, kwam in mei samen (Maiending, Maiengeding of Maiengericht) en in de herfst (Herbstding, Herbstgeding of Herbstgericht). In de Middeleeuwen werd dit nog steeds Herbstding genoemd en veel volksfeesten sloten zich hierbij aan. De jaarmarkt die rond deze tijd werd gehouden kreeg tijdens de mis een kerkelijke wijding. Later ging de naam Messe op de jaarmarkt zelf over. Tijdens de op de herfstmaan volgende volle maan vierden de Germanen het Winterfeest, de terugkeer van de doden. Toen ze overgingen van een maankalender op de Juliaanse kalender wezen de verschillende stammen verschillende data aan als Winterfeest. De ene Germaanse stam vierde het begin van de winter op 28 september, andere stammen kozen 1 of 15 oktober. Herfstfeest en Winterfeest gingen daarbij in elkaar over en werden vaak op dezelfde dagen gevierd. Het is de vraag in hoeverre het Germaanse Herfstfeest een eigen identiteit heeft gehad, zelfs toen de maankalender nog werd gebruikt. In de Germania, hoofdstuk 26, zegt Tacitus zelfs dat de Germanen de herfst niet kenden als jaargetijde omdat ze geen boomgaarden of wijngaarden hadden en dus niet bekend waren met de vruchten van dat seizoen. Dat de Germanen wel degelijk feest vierden in de herfst was deze Romeinse geschiedschrijver evenwel bekend. In zijn Annalen, boek I, deel 50-51, beschrijft hij hoe de Romeinse veldheer Germanicus in de herfst van het jaar 14 n.Chr. de Germaanse stam van de Marsa versloeg door ze te verrassen tijdens de viering van een groot feest ter ere van de Godin Tanfana. Kennelijk zag Tacitus dit niet als een Herfstfeest en waarschijnlijk was het dat ook niet. Taalkundigen als Jacob Grimm en Jan de Vries leiden uit de naam van de Godin af dat ze vooral verbonden was met de haard en met het dodenrijk. Het feest voor Tanfana was vermoedelijk een Winterfeest, geen Herfstfeest. Wat voor Tacitus de herfst was, tussen 24 september en 25 december, was in de Germaanse maankalender een mogelijk tijdstip voor het Winterfeest. In de vroege Middeleeuwen werden de Germaanse gebieden een voor een veroverd door de Franken, gekerstend en ingelijfd bij wat later het Heilige Roomse Rijk zou heten. Het veredelen van wilde vruchtbomen kwam rond deze tijd op gang en onder Karel de Grote werden wijngaarden aangelegd langs de Rijn. Hierdoor kreeg het Herbstfest steeds meer het karakter van een oogstfeest voor wijn en ooft en maakte het zich, voor het eerst sinds de maankalender werd afgeschaft, weer los van het Winterfeest. Het Herfstfeest werd echter niet gekoppeld aan de herfstequinox, maar kristalliseerde zich uit op verschillende hieronder uitgebreider beschreven heiligendagen rond deze tijd, zoals Sint Gilles (1 september), Maria Geboorte (8 september), Sint Lambertus (17 september), Sint Michael (29 september) en Sint Bavo (1 oktober).
Het Winterfeest verschoof in de loop der eeuwen met name naar Allerzielen en Sint-Maarten.
Onze winterfeesten waren en zijn (nog steeds) Samhain  Yule (Joel) en Imbolc.

(29 september)
Door het Concilie van Mainz in 813 werd besloten op 29 september een feestdag voor de aartsengel Michael en alle andere engelen in te stellen. Voor deze datum werd gekozen omdat op 29 september 493 een basiliek bij Rome was gewijd op de plaats waar de aartsengel enkele maanden eerder zou zijn verschenen. De tijd van het jaar, het begin van de Germaanse winter, zal ook een rol gespeeld hebben. In 785 had de Saksische leider Widukind zich onderworpen aan Karel de Grote en zich laten dopen. Het Saksische Winterfeest werd van 1-3 oktober gehouden. In Augsburg, de hoofdstad van het in 787 door Karel de Grote onderworpen en gekerstende Beieren, werd het Winterfeest op 28 september gevierd.
Het was een belangrijk feest, waarop recht werd gesproken en op veel plaatsen een jaarmarkt werd gehouden.
Om het heidense Winterfeest in het nog maar net gekerstende Germaanse gebied een christelijke wending te geven werd de belangrijkste van alle engelen op deze strategische datum ingezet. In het Angelsaksische Engeland werd Michaelmas om dezelfde reden een van de quarterdays.
Deze voorbeelden illustreren dat in die tijd geen duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen het Germaanse Herfst- en Winterfeest.
In Duitsland was Michaelstag het gekerstende Winterfeest; in Engeland was Michaelmas als quarter-day de tegenhanger van Lady Day (25 maart), het gekerstende Lentefeest.
Michaël werd gezien als de aanvoerder van de hemelse heerscharen, de lichtende strijder tegen de Duivel en zijn trawanten. Hij versloeg Satan in de vorm van een draak; een rol die Sint-Joris vele eeuwen later zou overnemen. Michael was ook de begeleider van de zielen der overledenen in het hiernamaals. Hij kondigde de Heilige Maagd haar dood aan en vocht met Satan om het lichaam van de overleden Mozes. Hij woog de zielen van de overledenen en begeleidde de rechtvaardigen naar de hemel, terwijl hij zondaars in het vagevuur stortte.
Niemand was beter uitgerust om de heidense dodencultus te kerstenen dan Michael.
Hoewel hij een aartsengel en geen heilige was, moedigde de kerk in alle opzichten de volkse verering van Sint Michiel aan.
In heel Europa werden kerken naar hem genoemd en werd hij vereerd met kapellen op hoge plaatsen, als symbool voor zijn hoog verheven status en idealen.
In Utrecht bevindt zich sinds 1328 een Michaelskapel in het destijds hoogste punt van de Domtoren. In Duitsland werden de heiligdommen van Wodan op bergtoppen gekerstend door er Michaelskapellen overheen te bouwen.
Als aanvoerder van de Wilde Jacht was Wodan, Heer van de Doden, die onder zijn leiding in de winter door de lucht vlogen. Ook Holda of Hella was met de Germaanse dodencultus verbonden.
De overledenen werden door de Godin liefdevol verzorgd en in het dodenrijk opgenomen.
Er was de kerk veel aan gelegen de heidense dodenverering uit te bannen en Wodan en Holda te vervangen door Michael. Voor een groot gedeelte lukte dit. De dood wordt in Duitsland aangeduid als St Michaelssc Alaf. Toch wordt de vrijdag vóór Sint Michiel in Unterfranken (Beieren) nog steeds Helltag genoemd en de weg naar veel aan Michael gewijde kerkhoven is een Helweg.
Naarmate het Herfstfeest in de Middeleeuwen meer het karakter van een Oogstfeest kreeg veranderde ook de viering van Sint Michiel. Soms werd deze dag als laatste oogstdag voor appelen genoemd.
In Zwitserland werd de laatste garve (korenschoof) Michel genoemd. Gewoonlijk werd er een grote feestmaaltijd gehouden om de goede afloop van de verschillende herfstoogsten te vieren.
In Engeland werd daarbij de Sint Michaelsgans gegeten. Men zei dat het eten van de gans het hele jaar voorspoed zou geven. In de Niederrhein werd de gans met kastanjes gevuld. In 1773 werd in Pruisen de zondag na Sint Michael officieel uitgeroepen tot Emtefest (Oogstfeest). Niet lang daarna volgden de andere Duitse staten dit voorbeeld. Nog steeds wordt deze dag door katholieken en protestanten in Duitsland als oogstfeest gevierd. Op veel plaatsen in Duitsland was het op Sint Michiel verboden graan te zaaien of op het land te werken. Soms werd de wintertarwe juist wel op Sint Michiel gezaaid. Gustav Jungbauer, Elard Hugo Meyer en anderen zien hierin restanten van een oude Wodanscultus. Tenslotte was Wodan niet alleen Heer van het Dodenrijk, maar ook verbonden met het graan en de akkerbouw. Dit zal de overgang van Dodenfeest naar Oogstfeest gemakkelijker en tegelijk verwarrender gemaakt hebben. Een eerbetoon aan de doden, die goede gaven brengen, de vruchtbaarheid van de oogst gedurende de winter bewaken en deze overdragen op het nieuwe akkerseizoen, wijkt niet principieel af van een dankfeest voor de oogst.
Vaak waren er speciale broden of koeken die met Sint Michiel gebakken werden.
Op de Hebriden werden voor Michaelmas koeken gebakken, "struan" genaamd, gemaakt van verschillende soorten graan, die tijdens een feestmaal werden gegeten. In alle opzichten is dit te beschouwen als een dankfeest voor de verschillende graanoogsten. Toch werden de restanten van het maal aan de armen gegeven, die gewoonlijk tijdens het Winterfeest de arme zielen in het vagevuur vervangen. Ook werd na de maaltijd een processie rond het plaatselijke kerkhof gehouden.
In Vlaanderen legde men een broodje, vollerte genaamd, in de Michielsnacht onder het hoofdkussen van slapende kinderen, een gebruik dat Sint Maarten of Sinterklaas niet zou misstaan.
In Zwitserland vloog Michael tijdens de mis van huis tot huis en liet geschenken voor de kinderen achter, die ze aantroffen als ze terugkwamen uit de kerk.

(29 september)

Gertrudis, ook wel genaamd Geertrui of Geertgen, was de abdis van het klooster van Nijvel (Nivelles in Waals Brabant). Ze stierf op 17 maart 659 en wordt vanaf de tiende eeuw in Nederland, België en Duitsland op die datum herdacht. In Nijvel zelf wordt ze echter jaarlijks geëerd met een ommegang van 14 km op 29 september. Tot de dertiende eeuw werd een omgang gehouden voor Michael, maar het kerkbestuur besloot toen de aartsengel te vervangen door de plaatselijke heilige en haar te eren met een Grote Ronde, waarbij een wagen haar schrijn en relikwieën langs de voormalige grenzen van het klooster zou voeren. Een Grote Ronde (Grand Tour) is een ommegang die, in tegenstelling tot een processie, de grenzen van de parochie overschrijdt. Het besluit de Grote Ronde aan Geertrui te wijden is opmerkelijk, temeer daar deze heilige vele trekken heeft ontleend aan de Germaanse dodencultus. Net als Holda had Gertrudis een spinnewiel als attribuut. Net als Holda geacht werd de doden op te vangen en naar het dodenrijk te begeleiden werd van Gertrudis gezegd dat ze de zielen van de overledenen opving. In de Middeleeuwen ging men er algemeen van uit dat de ziel de eerste nacht door Gertrudis wordt begeleid en daarna door Michael wordt overgenomen. Gertrudis werd altijd afgebeeld met een of meer muizen naast zich. Volgens het Germaans geloof, zoals dat in de Middeleeuwen voortleefde, namen overledenen vaak de vorm van een muis aan. Holda verzorgde niet alleen de doden, maar ook de levenden gaf ze voedsel in overvloed. Wie meeloopt in de Grote Ronde van Nijvel draagt een geschilde boomtak bij zich, die de avond tevoren door een priester is gezegend met wijwater. Gertrudis zal dan de oogst van dat jaar beschermen tegen ziekten, verderf en knaagdieren. Zoals Getrudis de zielen begeleidde in het hiernamaals was ze ook de beschermheilige van alle reizigers in dit ondermaanse. Bij het afscheid nemen dronk men de Gertrudisminne.
In Nijvel brengt men, halverwege de Grote Ronde, in de hoeve Grand Peine een heildronk uit.
In alle opzichten past Gertrudis beter bij het Herfst- en Winterfeest dan bij het voorjaar, waarin haar sterfdag wordt gevierd. Vaak worden de biografische gegevens van een heilige aangepast aan de omstandigheden. De sterfdag van Gertrudis was echter algemeen bekend en hieraan kon niet getornd worden. Wel kon haar feestdag verplaatst worden, om deze in overeenstemming te brengen met onze Goden, die door deze heilige gekerstend en daardoor vervangen werden.

Bron : De acht jaarfeesten (Auteurs Ko en Joke Lankester).
Isbn 90-325-0623-4