|


























 |




(Ostaravuren - Oostervuren - Osterfeuer
- Easter Bonfires)
Paasvuren
gaan eeuwen mee:
Het verschijnsel paasvuur is eeuwenoud en hypermodern tegelijk. Dat
biedt een garantie voor het voortbestaan, want een traditie die zich
niet aanpassen of vernieuwen kan, sterft uit. Paasvuren niet, al
werden ze begin negentiger jaren stevig bestreden. Maar net als in
de 17de eeuw overleefde de traditie in de 20ste eeuw de aanvallen
ook. Paasvuren zijn eeuwenoud èn geheel bij de tijd, want in 1999
zaten ze al in kleur op Internet. Daar stond zowel de uitslag van de
Holtense paasvuurcompetitie, als het beeldend verhaal hoe de klompen
van Henny Kuijers in de fik vlogen tijdens het opruimen van de
smeulende resten van het paasvuur te Azelo. Dat het oude gebruik
levend blijft, zie je bij de poging van Plaatselijk Belang Haarle om
weer een paasvuur te krijgen. Dat gebeurt elders ook, want men mist
het paasvuur toch wel als het eenmaal verdwenen is. We weten dat
door twee onderzoeken over paasvuren als 'levend erfgoed'
Paasvuren
onderzocht:
Het eerste onderzoek was begin jaren negentig, toen Ton Dekkers
Twentse paasvuren (Holten e.o.) onderzocht. Hij publiceerde in het
Volkskundig Bulletin (1993, pp78-104) daarover: 'Paasvuren, een
veranderlijke traditie tussen toerisme en lokale identiteit'.
Paasvuren bleken goede kanten te hebben. Het mooist was de conclusie
dat ze een geaccepteerde culturele waarde hebben, die in de
paasvuurgebieden geen nadere uitleg behoeft. Het tweede onderzoek is
in 1999 begonnen met een enquête onder alle gemeenten in de
provincies Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland en de
Stellingwerver gemeenten in Friesland. Gevraagd werd naar het
voorkomen van paasvuren met vergunning (dan wel ontheffing van
verbodsbepalingen), alsmede 'illegale' paasvuren. Ook is de
gemeenten verzocht te melden of er problemen waren en welk type
aanvragers paasvuren wilden branden. Tot ieders verbazing reageerden
binnen twee maanden zo'n 120 gemeenten door het antwoordformulier
per post of per e-mail in te sturen. Paasvuren genieten warme
belangstelling. Dankzij de begeleidende publiciteit reageerden ook
belangstellende particulieren met aanvullende informatie. Zo stuurde
een in 1920 geboren mevrouw haar jeugdervaringen op: 'Als meisje was
het helemaal niet leuk, want je werd altijd zwartgemaakt'. De
schrijver H. van Goor van het boek 'Vlucht uit het dodendal van de
Neckar' (het verhaal van een dwangarbeider tijdens de Tweede
Wereldoorlog) reageerde ook. In het eerste hoofdstuk staan zijn
jeugdherinneringen aan het paasfeest met de paasvuren in Twente! De
onderzoeken en het aanvullend materiaal geven een goed beeld hoe het
er nu voorstaat met dat oude gebruik en waar het nog knelt bij de
bestuurders, 'boakenbouwers' en milieuhandhavers.
Sociaal
vuur:
Dat oude gebruik is bekend bij mensen die zijn grootgebracht in de
paasvuurgebieden. 'Vreemdelingen' staan nog wel eens vreemd ten
opzichte van dat heftige vuurgebruik in het openbaar. Zij klagen ook
eerder over rook- of roetoverlast. Voor hen heeft het gedoe van
takkebossen en stro slepen en stapelen, gevolgd door het opbranden
van een gigantische bult snoeihout nog niet de 'geaccepteerde
culturele waarde' die de inboorlingen er vanouds wel aan geven. Het
'geheim van het paasvuur' moet hen uitgelegd worden; later gaan ze
de lol er vanzelf wel van inzien. Een van die leuke dingen is het
sociale karakter, een paasvuur verbindt de omstanders. Je praat
makkelijker met elkaar, ook met vreemden bijvoorbeeld. En een groot
paasvuur trekt duizenden mensen (de meeste files in Twente zie je
ook met Pasen). Betreft het een buurtpaasvuur, dan worden oud en
jong getrakteerd. Is er een optocht met fakkels aan verbonden, dan
kan in principe iedereen met kinderen meedoen. Je hoeft maar een
fakkel bij de organisatoren te kopen en je doet gewoon mee, je hoort
erbij. Kinderen vergeten zo'n sfeervolle ervaring nooit meer. (Heel
bijzonder was 1997, toen de komeet Hale-Bopp boven het paasvuur
helder aan de avondhemel stond. In 1999 bij het paasvuur te Azelo
vroeg een kind dus: Meneer, komt die komeet er ook weer bij? Over
herinneringen gesproken) Paasvuurgebied Hoe ver strekt het z.g.
paasvuurgebied zich uit? Oostelijk Nederland ligt aan de rand van
het Europees paasvuurgebied. Paasvuren branden globaal in een gebied
dat zich uitstrekt van Denemarken tot in Oostenrijk en van
Oost-Nederland tot achter de Harz. Uit de enquête onder de gemeenten
kwam naar voren dat het paasvuurgebied van Groningen tot onderin
Gelderland loopt en van midden Gelderland oostwaarts verder
Duitsland in (volgens de antwoorden tot medio juli 1999). Het
noordelijkste paasvuur van 1999 was in Kloosterburen, met iets
zuidelijker drie paasvuren te Werkhuizen, Westeremden en
Oosterwijtwerd. Het meest westelijke paasvuur in Overijssel was te
Kamperzeedijk. Ook in Basse (bij Steenwijk) brandde een paasvuur. In
Gelderland lagen de meest westelijk gelegen paasvuren in de gemeente
Kesteren (Betuwe) en in Otterloo (gemeente Ede), Vaassen en Wissel
(gemeente Epe) op de Veluwe. Het zuidelijkste paasvuur stond in
Nijmegen. Enkele gemeenten in de Kop van Overijssel en op de
Noord-Veluwe hebben het gebruik om paasvuren te stichten de kop
ingedrukt wegens overlast en misbruik in het verleden. In principe
hoort dit gebied evenals het Friese randgebied tot het Europese
paasvuurareaal. In Nijeholtpade is de vereniging 'de Takkebienders'
onlangs gestopt met paasbulten bouwen. Oud gebruik De paasvuren
behoren tot de z.g. traditionele 'jaarvuren', die in bepaalde
jaargetijden ontstoken werden en worden. Het paasvuur hoort met de
meivuren (Waddeneilanden) tot de voorjaarsvuren. Het St. Johannes-
of midzomervuur ('Johannisfeuer') dat in Zuid-Duitsland, Oostenrijk
en Zwitserland gebrand wordt, valt op of omstreeks 22 juni. (Het
weekend ervoor of erna mag ook, al naar het uitkomt). Zo zijn er in
Europa ook Martinusvuren op Sint Maarten (11 november). In
Noord-Nederland is het 'lichielopen' daar nog familie van. Het
midwintervuur zit min of meer verdoken in oudejaarsvuren en de
kaarsjes met Kerstmis. In alle gevallen komt zo'n vuurtraditie voort
uit het verlangen naar zon en vruchtbaarheid en vreugde om
(terugkeer van) de zon. Volgens de overlevering zouden het
lichtschijnsel, vonken en rook een weldadige uitwerking hebben op de
vruchtbaarheid van de velden. In Duitsland, in Lügde in het
Weserbergland, hebben ze een variant op de paasbult. Daar wordt een
metershoog rad omwikkeld met brandbaar spul, dat brandend een
helling afdavert. De rondsproeiende vonken brengen vruchtbaarheid
aan het land. Een aardige variant is (was?) het gebruik in Roomse
streken om zwartgeblakerde takjes, 'poasholtjes', van het paasvuur
door misdiennaars rond te laten brengen. Het leverde 'de jongs' een
zakcentje op en de bezitter van de 'poasholtjes' bescherming tegen
ongeluk, ziekte van het vee en misgewas. Het wordt nattevingerwerk
om de ouderdom van deze vuurtradities te schatten, maar zeker is dat
in de 17de eeuw zulke vuren al verboden werden. Het begeleidende
gehos, gezuip, liederlijk gezang en ander vermaak stoorden het
gezag. Nochtans leeft zo'n oude traditie voort, ook toen eind 20ste
eeuw strenge milieuregels de paasvuren in een kwaad daglicht
plaatsten. Alle paasbulten heetten ineens afval, waarvoor aparte
vergunningen nodig waren. Ook als je al dertig jaar een paasvuur op
eigen land had. Het werd soms ook te gek. In bepaalde streken vonden
in plaats van paasvuren een soort openbare, stinkende
vuilverbrandingen plaats. Gelukkig zijn dit soort uitwassen vrijwel
verdwenen, mede door de controle van de boakenbouwers zelf, en van
de milieupolitie. Wat is 'ècht'? Uit de enquete bleek dat
verscheidene bestuurders en beleidsambtenaren moeite hebben met de
definitie van een echt paasvuur. De zelfgemaakte normen lopen sterk
uiteen, afhankelijk van de plaats en hoe sterk daar de traditie nog
is. Er valt te proeven dat men naar enkele grote paasvuren toe wil,
met alles d'r op en d'r aan en die kleine vuren eigenlijk wel kwijt
wil. 'Echt' heet dan groot, met muziek, optocht en 'iets voor
kinderen' . Het kan ook inhouden dat alleen bepaalde organisaties
een paasvuur mogen stichten. Of dat er slechts paasvuren worden
toegestaan op vastgestelde plaatsen, waar ze al vele jaren staan.
Als uitsterfconstructie, eigenlijk. Elders wil men de vele
particuliere vuurtjes juist in ere houden, want dàt is
volkstraditie. Eén gemeente denkt er over, om aanvragen te gaan
selecteren op het sociale aspect bij de paasvuren. Achter op eigen
erf een paasvuurtje bouwen wordt dan onmogelijk. In elk geval is dit
'levend erfgoed' moeilijk in een strak keurslijf te proppen. Er zijn
meer echte paasvuren in de beleving van 'het volk', dan in de ogen
van bestuurders en controleurs. Een positieve ontwikkeling is dat
van enkele gemeenten de vraag kwam om steun bij het bepalen van een
helder beleid. De milieuregels respecteren, maar vooral de
paasvuurtraditie goed in ere houden.
  
  



Op
tweede paasdag worden in een groot deel van Europa paasvuren
aangestoken. Hiervoor wordt - vaak weken tevoren - veel hout
verzameld en op een grote bult gelegd die soms tientallen meters
hoog is.

  


Pasen is
ontstaan uit een feest ter ere van de godin van de sensuele liefde
of vruchtbaarheid: Astoreth/Astarte/Isjtar. Met grote orgieën werd
gevierd dat de zon terugkwam en de natuur ontwaakte uit de winterse
dood. Vroeger vond dit feest plaats rond 1 mei (Beltane). De
symbolen van deze godin waren de haas en het ei. Een andere
verklaring is dat Pasen afstamt van een feestdag ter ere van de
godin van de dageraad: Eostre, of van een lentefeest ter ere van de
Teutoonse godin van licht en lente: Eastre. Het feest was bedoeld om
de demonen van de winter te verjagen. Vaak werden hierbij Belvuren
aangestoken op heuveltoppen. Al deze godinnennamen hebben als
oorsprong Isjtar ofwel Ishtar. Akkadische godin, vereerd in
Mesopotamië. Zij was de moeder van de maan Sin, met Ellil als vader.
Ellil, Akkadische god van de lucht en de aarde, zoon van het
godenpaar Ansar en Kisar en vader van de maangod Sin. Hij vormt met
Anu en Ea een machtige godentriade van de oude Assyriërs. Hij wordt
voorgesteld met een met horens versierde hoofdtooi. In de
Soemerische traditie is hij de oppergod Enlil.
Isjtar wordt vaak de dochter genoemd van Anu, de god van de hemel of
van de lucht. Haar geliefde is de jaarlijks stervende en herrijzende
herdersgod Tammoetz of Adon Tammoetz; Adon betekent Heer.
Isjtar werd ook geassocieerd met de ogengodin, of met het oog dat
altijd op de mensen toezag. In haar tempel in Tell Barak in Syrië,
daterend van ca. 3000 jaar v.o.j., zijn vele kleine beeldjes
gevonden waarvan de hoofden waren teruggebracht tot starende ogen.
Isjtar ligt aan de grondslag van de west-Semitische Astarte, en aan
vele Griekse godinnen zoals Athene of Aphrodite. Ook wordt haar naam
in verband gebracht met de Germaanse Ostara, de naamgeefster van het
paasfeest in Duitsland en Engeland (Ostern of Easter). Het verhaal
van Esther en haar oom Meredoch in de bijbel is een verbasterde
weergave van Isjtar en de Babylonische oppergod Mardoek. Wat betreft
Isjtars aspect als hemelgodin en verzorgster van de levensboom, en
motieven als de dierenriem en de waterkruik met het levenswater
vertoont Isjtar overeenkomsten met de Egyptische godin Noet (Noeït).
  
Godin Ishtar (Babylon -
Mesopotamië)

  
In het
oosten van het land worden nog al eens paasvuren ontstoken, waarbij
men de oude spullen verbrandt. Vrijwel alle gebruiken en gewoonten
kenmerken zich door verwijzingen naar oeroude symbolen van
vruchtbaarheid en nieuw leven.

Voor onze
voorouders waren de lentefeesten, waarvan christenen nadien het
Paasfeest maakten, van levensbelang. Zij vonden dat de sobere,
schaarse periode rond en na Nieuwjaar op een bepaald moment echt
lang genoeg had geduurd.
Net als de hele boel uitzichtloos leek dood te bloeden, hielp het
vooruitzicht op een groot feest nog even vol te houden.
Dat groot feest was dan ook niet zomaar een feest. Neen, tijdens dat
grote feest vereerden ze meteen al hun goden en godinnen. Zij
smeekten op die uitgelezen gelegenheid voor hen te zorgen. Ze
offerden in ruil voor een vruchtbaar jaar.
Maar helaas, ook dit feest moest bij de komst van het christendom
bezwijken.
Het oorspronkelijke lentefeest van 21 maart en het Beltanefeest op 1
mei verdwenen door het christendom.
Er kwam bij de christenen een heel nieuw feest voor in de plaats,
“Pasen”.
Dat vieren we nu op de zondag na de eerste volle maan.
Van heidens vuur tot
paaskaars en paasvuur:
In het begin
van de lente staken de Kelten, de Germanen en de Romeinen heuse
Lentevuren aan. Ze wierpen om ter verst met brandende vuurschijven.
Ze organiseerden grote ommegangen. Ze hielden competities met
balspelen, waarbij de bal de zon symboliseerde.
Onze voorvaderen wilden op één of andere manier de zon imiteren, om
zo het nieuwe jaargetijde, waarnaar ze zo ongeduldig zaten te
hunkeren, uit zijn kooi te lokken.
Met het vuurrad symboliseerden zij de zonnewarmte. De vuren
betekenden: “Kom op zon, laat je niet pramen. Geef er verdorie een
lap op en pits die winterdemonen in hun kont”.
Het vuurlicht symboliseerde in de nog redelijk donkere periode, het
lengen van de dagen. Als de dagen dan uiteindelijk toch langer
werden, kregen de dieren en de mensen vlinders in de buik. En dat
betekende dan weer vruchtbaarheid. Voedsel, kracht en kinderen. De
zomer won het elk jaar dan toch van de ijskoude onvruchtbare winter.
Op dat ogenblik doofden onze voorouders het haardvuur in hun hoeve.
Ze gingen naar het lentefeest om de zonnegod met heilige vuren te
vereren. Daarna namen ze een smeulend hout van het Belvuur mee naar
huis om daarmee hun haard opnieuw aan te steken.
Dat Belvuur maakten ze door twee stenen tegen elkaar te kletsen. De
vonken lieten ze op een zwam of een stukje stof dat gemakkelijk
brandde, terecht komen. Hiermee staken ze dan het eigenlijke
brandhout aan, waarmee ze de haard opnieuw aan gang brachten.
Onze voorouders vonden vuur dat door wrijving was ontstaan wel iets
maagdelijks hebben. Dat vuur reinigde en weerde boze geesten. Het
had ook een stralende kracht.
Dat oorspronkelijk stuk heilig, heidens brandhout spaarden ze
zorgvuldig door het uit de haard te nemen zodra het vuur werkelijk
ontbrandde. Als er dan in de loop van het jaar onheil dreigde, legde
een voorouderlijke hand die stukjes brandhout in de haard. Haardvuur
en hemelvuur waren dan verenigd en beschermden hen.
Ook in latere tijden, toen onze voorouders modernere manieren van
vuur maken leerden, hielden ze nog vast aan gewreven vuur. Niemand
mocht namelijk ook maar iets wijzigen aan het bestaande vastgelegde,
magische ritueel.


  

  

Het christendom
was niet erg te spreken over dat heidens vuur. Het
Concilium
Germanicum van 742 veroordeelde deze manier van vuur maken. Dat vuur
had voor onze voorouders een bijzondere uitwerking en daar geloofden
blijkbaar zelfs de christenen in. Onze voorouders waren nogal
hardleers. Ze wilden niet van hun gewoonte afstappen. De
geestelijken moesten dus iets uitvinden. En na een tijdje hadden die
kerkvaderen er het volgende op gevonden. Als die vervelende mensen
dan persé vuur wilden, kregen ze dat toch. Maar dan wel het vuur van
de paaskaars.
En verder kregen ze het hele jaar vuur in de godslamp. Daar konden
ze dan het Allerheiligste mee vereren. Alleen op Goede Vrijdag was
het Allerheiligste niet aanwezig. Dan was de Godslamp gedoofd.
Daarna stak de priester de godslamp, de paaskaars en de andere
kaarsen weer aan met nieuw vuur. Heel raar maar waar : dat nieuw
vuur creëerde de priester zelf. Dat deed hij door met een stuk staal
op een vuursteen te slaan. Een stukje linnen dat vlug vuur vatte
zorgde voor een vlam waarmee de priester een schilfer hout aanstak.
Het Nieuwe Vuur ! (Lekker Heidens!).
Omdat er toch nog een stelletje ongeregelde keikoppen vuurtjes
wilden stoken, gaven de geestelijken aan die lentevuren maar meteen
een christelijke label. Je mocht om een aantal heiligen te eren op
christelijke feestdagen ineens vuren maken.
En zo ontstonden het Sint-Pietervuur, de vastenavond-, de mei- en de
paasvuren.

  
Paasvuur te
Onstwedde (NL) op 2e Paasdag 2004:

Als het duister invalt
wordt het geheel aangestoken. Het spektakel trekt vaak veel
toeschouwers en meestal is het een echt dorpsgebeuren.
De noordgrens van het gebied waarin dit volksgebruik plaats vindt
loopt door Denemarken en de zuidgrens door Zwitserland en
Oostenrijk. Het oosten van Nederland is de westgrens en de oostgrens
loopt oostelijk van de Harz.
In Nederland zijn de meeste vuren in Drenthe, Groningen, Overijssel
en Gelderland. Maar ook in Friesland (met name in de Stellingwerven)
en in Noord-Brabant komen paasvuren voor.
De Stellingwerven zijn een gebied in het zuidoosten van Friesland,
globaal ten zuiden van het riviertje de Tjonger gelegen, dat zich
van de rest van de provincie onderscheidt doordat er voor het
grootste deel geen Fries, maar een Nedersaksisch dialect (het
Stellingwerfs) wordt gesproken.
Bestuurlijk omvat het de beide gemeenten Ooststellingwerf en
Weststellingwerf. Landschappelijk vormt het met een aantal
omliggende gebieden de Friese Wouden. In het grensgebied van Drenthe
en Friesland ligt hier het Nationaal Park Drents-Friese Wold.
Politiek is het gebied iets sterker naar links/PvdA geneigd dan het
landelijk gemiddelde. Afkomstig uit deze streek is Jeltje van
Nieuwenhoven (PvdA). Al eerder kende Nederland een nationaal
politicus uit deze streek namelijk Anne Vondeling, afkomstig uit
Appelscha.
De belangrijkste plaatsen in de Stellingwerven zijn Wolvega,
Oosterwolde, Appelscha, Noordwolde en Haulerwijk.

  




Waar de
Stellingwervers oorspronkelijk vandaan komen is helaas niet met
zekerheid te zeggen. Er bestaat alleen een verhaal dat men voor één
van de kleinzonen van Karel de Grote naar deze streek gevlucht zou
zijn vanuit een streek ten zuiden van Hannover in Duitsland.
De naam Stellingwerf wordt voor het eerst vermeld in 1309. Werf
betekent: plaats waar recht wordt gesproken. En stelling betekent:
bestuurder. Stellingwerf werd bestuurd door drie stellingen, die
jaarlijks werden gekozen. Van 1309 tot 1504 was Stellingwerf een
onafhankelijke boerenrepubliek, de ‘Vrije Natie der Stellingwerven’.
Daarvoor hoorde het bij Drenthe en was het westelijk georiënteerd op
Steenwijk. In 1504 werd Stellingwerf ingedeeld bij Friesland. In
1517 werd Stellingwerf gesplitst in twee grietenijen:
Oost-Stellingwerf en West-Stellingwerf.
Het betreft hier een oud gebruik met een verre voorchristelijke
oorsprong. In de 17e eeuw werd er vanuit de christelijke kerk
pogingen gedaan om deze traditie beëindigen. Aan het eind van de 20e
eeuw kwam het paasvuur onder druk te staan door strenge
milieuvoorschriften. In de meest plaatsen resulteerde dit in
gemeentelijke bepalingen die onder andere voorschrijven dat alleen
snoeihout op de paasvuurbult gelegd mag worden. ?(?Wie, of wat, zijn
"ZIJ"?)?
Ook op Texel worden in de lente grote vuren ontstoken, alleen dan
niet met Pasen, maar op de vooravond van mei op 30 april. Deze
worden meierblissen genoemd. Noord-Friesland in Duitsland kent op 21
februari een soortgelijk gebruik, het biikebrennen.
Biikebrennen is Fries voor: 'baken branden'.
Traditioneel volksfeest in Noord-Friesland, waarbij op Sint Pieter
(21 februari) grote brandstapels (de biike) worden opgeworpen. Elk
dorp en veel boerderijen en buurtschappen hebben hun eigen biike.
Bij veel biikes vinden nog andere feestelijke activiteiten plaats,
zoals toneel en zingen. Op de eilanden Föhr/Feer, Amrum/Oomram en
Sylt/Sal hebben zich allerlei tradities ontwikkeld, zoals het pogen
om de biikes van de buurdorpen voortijdig te vernielen. Op de vaste
wal is in de eerste helft van de 20e eeuw weinig aan het biikefeest
gedaan, maar na de Tweede Wereldoorlog is de traditie weer in ere
hersteld.
Over de oorsprong van het biikebrennen bestaan verschillende
theorieën. Met de biike zou het komende voorjaar worden verwelkomd.
De stropop die in sommige dorpen op de brandstapel staat zou dan de
winter voorstellen die door de warmte wordt verteerd. Er wordt ook
wel gedacht aan de biike als symbolische vuurtoren, wellicht zelfs
als opvolger van de primitieve lichtbakens die in de 17e en 18e eeuw
werden opgezet voor de zeevaarders en met name de vele mannen die
mee waren op walvisvaart. Dat zou de naam van het feest 'baken
branden' verklaren.
In sommige delen van Europa brandt het paasvuur niet op tweede
paasdag, maar op de eerste paasdag of op de zaterdag ervoor.


    


De
traditie, het oude gebruik kennen en begrijpen of dat
duidelijk maken: traditioneel lentevreugdevuur (Belvuur),
aangestoken op één van de paasdagen. Behorend in het systeem
van z.g. jaarvuren die in heel Europa voorkomen in diverse
seizoenen. Een paasvuur heeft een openbaar en sociaal
karakter.
Zorg
voor een goede organisatie (zoals paasvuurcomité, stichting
paasvuur, bestaande vereniging), die als organiserende
partij vergunningen en locatie regelt. Zij zorgen ook voor
de opbouw van de paasbult en voor veiligheid & orde bij het
paasvuur zelf.
Vergunningen
met de gemeente regelen: milieuvoorwaarden, brandveiligheid,
controle. Zorg voor onderling overleg. Respecteer elkaar en
de regels, zodat milieucontroles van het type
'overvalcommando' vermeden worden.
Plek
aanvragen c.q. aanwijzen voor paasbult, incl. verzamelen van
aangevoerd materiaal. Paasvuur moet minstens 50m van de
bebouwing verwijderd zijn en geen brandgevaar voor de buurt
(rieten daken) opleveren. Soms is de eis 100 m afstand tot
brandbare objecten.
Op
de paasvuurlocatie ruimte bepalen voor eerste opslag bij
aanbreng hout. De locatie van de paasbult moet afsluitbaar,
d.w.z. controleerbaar zijn. Met Pasen 2000 had het
paasvuurcomité te Eelde (a/d Koedijk) de toegang tot de
locatie buiten de openingsuren gebarricadeerd met een
schaftkeet en afrastering. Omwonenden hielden mogelijke
illegale stort in de gaten en meldden verdachte
aanhangkarretjes bij het comité. Bij 'onraad' gingen er
direct mensen op af. Dit betrof het eerste paasvuur op deze
nieuwe locatie en het ging goed.
Controle
op brandmateriaal. Let op de voorwaarden in de vergunning.
Alle aangevoerde materiaal moet puur zijn: onbewerkt hout
zonder lijm, metaal- of kunststofdelen, 't liefst gewoon
snoeihout, riet, stro, oude manden e.d. Alles wat niet
verbrandt, moet later weer opgeruimd worden (spijkers en
andere ijzerwaar). Mogelijk kan men voor het gebrachte
snoeihout dezelfde vergoeding vragen die de gemeente rekent,
om de kosten te dekken.
Opbouw
van de paasbult geschiedt door eigen vrijwilligers. Maak
afspraken wie de leiding heeft. Let op veiligheid. Vermijdt
ongelukken door vallen van ladders, klem geraken door zware
houtpartijen, door schuiven van de houtbult of door
uitstekende en zwiepende takken e.d. Is de WA-verzekering
geregeld?
Houdt
de paasbult in de dagen voor Pasen in de gaten. De ervaring
leert dat onverlaten alsnog ('s nachts) rommel en troep op
de paasbult kwijt willen, of dat dommeriken voortijdig de
paasbult in de hens jagen. In Rolde stopten idioten medio
jaren negentig in de laatste nacht nog asbestafval midden in
de bult…
Het
aansteken van het paasvuur is een plechtige gebeurtenis:
"Een paasvuur is niet zomaar een vuurtje’. Gebruikelijk is
dat een autoriteit of iemand uit de gemeenschap 'die het
verdient' het paasvuur mag ontsteken. Wat ook gebeurt is dat
kinderen met een fakkeloptocht het terrein oplopen, achter
de muziek aan, en zich rondom de paasbult opstellen. Op een
teken mogen zij (met hun ouders) het vuur aansteken (in het
stro rondom de houtbult).
Afhankelijk
van de streektraditie wordt de paasbult tegen het donker
worden op de avond van de 1e of de 2e paasdag ontstoken.
Globaal is in Oost-Nederland gebruik, dat in regio's met een
RK- of NH-signatuur de vuren op de avond van de 1e paasdag
branden.
In gebieden met meer gereformeerde kerkgenootschappen
branden de paasvuren op de avond van 2e paasdag. In Drenthe
is er weinig verschil, daar is de 2e paasdag algemeen
gebruikelijk.
Een
paasvuur is een openbaar vuur, óók op particulier terrein.
Publiek moet er in principe vrij naar toe kunnen. Een
paasvuur is ook een sociaal vuur, vandaar het ritueel van
het ontsteken, de kinderoptocht met fakkels, de muziekkapel
en soms de traktatie of de verkoop van koek en
versnaperingen (warme chocolademelk?). Bij 'eigen
buurtvuren' wordt voor de volwassen buurtbewoners soms een
neutje geschonken. Soms wordt er een snackwagen ingehuurd,
waar buurtkinderen gratis frietjes kunnen afhalen. Het
algemene publiek is dan gewoon 'klant'. Alle varianten zijn
denkbaar. Ook mechanische muziek (geluidswagen) komt voor.
Als
de paasvuren branden, komen er van heinde en verre mensen op
af. Het verkeer is dan tijdelijk een zootje in het donker,
maar dat probleem lost zich vrijwel altijd vanzelf weer op.
In Oost-Nederland kent men 'paasvuurroutes'. Steeds vaker
komen gasten uit andere delen van het land met Pasen naar
het oosten afgezakt. Zorg (als organisatie, VVV of gemeente)
dat er bij de VVV-kantoren, hotels en bungalowparken e.d.
enige beknopte informatie over paasvuren aanwezig is.
Tradities moet je ook leren kennen 'als vreemdeling'.
In
twee gevallen (op 125 gemeenten) is drankgebruik als
probleem gemeld. Er zijn echter ook vanouds bekende
paasvuren, met kratten bier en 'opgeschoten jeugd', maar
zonder problemen. In 99,8% van de gevallen is het een groot
feest. Kijk maar naar de kindertjes die een paasvuur
meemaken!
De
dag(en) na het paasvuur moet het terrein weer schoon gemaakt
worden. Resten opruimen en afvoeren volgens de regels in de
vergunning. Let op de nog nagloeiende asresten!
In 1999 vlogen de houten klompen van een opruimer in de fik.
Dus, wel weten en zien waarmee je bezig bent!!!
  

  

  
 |