De Farao is niemand minder dan de koning van Egypte. In ruim 2700 jaar heeft Egypte
ongeveer 260 farao's gekend. De Farao's zijn onderverdeeld in dertig dynastieėn, of
regerende families en hebben elkaar opgevolgd vanaf rond 3100 v. Cbr. - het begin van de
geschiedenis van het oude Egypte - tot de verovering van het land door de Grieken in 332 v. Cbr.
Farao is de titel die wordt gebruikt om koningen (met goddelijke status) van Opper- en
Neder-Egypte aan te duiden.
De term is afgeleid van de woorden per-aa, hetgeen Groot Huis ofwel paleis betekent.
De Egyptenaren noemden hun koning of koningin meestal n.sut (nesoet vert. koning).
In de late tijd werd het woord paleis (per 'aa) soms overdrachtelijk gebruikt, zoals men ook nu bvb. het Witte Huis zegt als men de Amerikaanse president (en zijn staf) bedoelt.
Het werd in het algemeen niet door Egyptenaren zelf gebruikt.
Het gebruik van het woord in de Bijbel, en met name in het Boek Exodus, wordt door veel moderne geschiedkundigen overgenomen.
Voor de Egyptenaren was het ‘koningschap’ een onsterfelijke onaantastbare instelling die ook religieuze betekenis had. De goden hadden het ambt ingesteld en het was dus onderdeel van de ma'at, de goddelijke orde. Ze hadden grote eerbied voor hun vorst. Van oudsher werd aan de toekomstige koningen geleerd bepaalde principes te erkennen; ze moesten streven naar het voldoen aan het Egyptische idee van een goede koning. De farao werd geacht zorg te dragen voor hen die hulp behoefden, omkoperij en onderdrukking uit te bannen, alle mensen gelijk te behandelen, het begrip gerechtigheid te eerbiedigen en geen kwaad te verrichten.
Men geloofde dat iemands naam voorspelde wat hij of zij in leven ging betekenen.
In Afrika (tot Zuid-Afrika toe) is dat tot op de dag van vandaag een veel voorkomende gedachte.
In Egypte ging het geloof in naam-magie erg ver. Een goed voorbeeld daarvan is de mythe van Ra en Isis waarin Isis Ra volledig in haar macht krijgt door hem zijn ware naam te ontfutselen.
Het verhaal in de huidige christelijke bijbel is daar trouwens een (bijna) regelrechte kopie van.
De Horusnaam (Hor) is het oudste van alle namen van de farao. Het bestond uit een afbeelding van een buitenkant of faēade van een paleis (serech / serekh) met daarboven de valkengod Horus. In het paleis stond de naam van de koning. De god Horus had hierbij een beschermende functie, namelijk de naam van de koning beschermen. Een andere betekenis kan zijn dat de koning zo in verband gebracht kon worden met de hemel waar Horus de god van was. De eerste koningen
(0e, 1e, 2e en 3e dynastie) maakten er veel gebruik van, ze waren niet anders te herkennen.
Niet alle Farao's zijn zo beroemd geworden als Ramses II.
Van sommigen is zelfs de naam niet bekend.
De koning is te herkennen aan zijn kronen, zijn rechte baard en ook aan zijn scepters:
"De gesel en de kromstaf".





De farao woont in een prachtig paleis dat per-aa ('groot huis' of 'paleis') wordt genoemd.
In de late tijd werd het woord paleis (per 'aa) soms overdrachtelijk gebruikt, zoals men ook nu bv. het Witte Huis zegt als men de Amerikaanse president en zijn 'staf' bedoelt.
Hier is ook het woord "Farao" van afgeleid.
De Egyptenaren noemden hun koning of koningin meestal n'sut (nesoet of nesut).
Rond 3100 jaar voor Christus werden Opper- en Neder-Egypte bij elkaar gedaan door koning Menes, die kwam uit het Opper-Egypte.
Menes plaatste de hoofdstad op de grens van de twee landen. Deze koning werd de eerste farao.
Later liet hij "Het paleis van de witte muur" bouwen.
De Egyptenaren noemden het paleis later "Per-aa". (Paleis of groot huis).
Daarvan werd het moderne woord farao uit afgeleid.
Uiteindelijk zou rondom het paleis een stad komen die Memphis zou moeten heten.
Egypte telde toen 38 districten of "gouwen". Dat was net zoiets als nu onze provincies.





Vanaf zijn troonsbestijging was de koning de schakel tussen het volk en de goden en zorgde hij voor vrede, welvaart en eeuwig leven.
Voor de troonsopvolging was er de prins.
Ze kregen een gedegen opleiding. Ze leerden lezen en schijven en ze werden getraind in oorlogsvoering, sport, de jacht en religie. Af en toe kwam het voor dat de prins al mocht regeren met zijn vader als regent.
Dit mederegentschap moest ervoor zorgen dat de ene
regeringsperiode soepel in de volgende overging.
De Farao staat aan het hoofd van de regering, van de rechtspraak, van de religie en is in oorlogstijd ook opperbevelhebber van het leger.
In zijn taken wordt hij bijgestaan door hoogwaardigheidsbekleders, zoals de vizier, of eerste minister, de schatkistbeheerder en de hogepriesteressen met hun hogepriesters.
Ook huurt de Farao veel schrijvers in die alles observeren en op schrift vastleggen.
Dankzij deze sterk hiėrarchische organisatie kende Egypte een grote welvaart die ten zeerste benijd werd.
De farao zorgde voor de Egyptenaren en in naam was hij alleenheerser.
In de praktijk lag de macht echter vaak bij de priesters.
In sommige periodes -de 20e en 21e dynastie- was de koning niet meer dan hun marionet.
Door de steeds ingewikkeldere organisatie van het land werden veel taken uitbesteed aan ambtenaren. De Egyptische koning bleef nog wel de opperrechter met de macht over vrijspraak of bevestiging van doodvonnissen, hij was handhaver van de waarheid, gerechtigheid en de kosmische orde.

De farao had verschillende taken:


 

 

 

 

 

 

 

Hij was opperbevelhebber van het leger,
Hoofd van de administratie en financiėn,
Hogepriester van iedere tempel en opperrechter.

De absolute macht en verheerlijking van de farao werd van oudsher vereeuwigd in (muur)tekeningen, beelden en andere monumenten. Deze vertellen over het leven in Egypte en over de taken en daden van de farao.
Hij werd altijd even groot afgebeeld als de goden met als betekenis dat hij gelijk is aan een god.

Al vroeg tijdens zijn regering moest de farao zorgen voor zijn graf. In de 4e dynastie (± 2500 v.Chr.) werden er piramides gebouwd waarin de Egyptische koningen werden bijgezet na hun overlijden. Later werden de vorsten en mensen met hoge aanzien bijgezet in grafkamers in de rotsen naast het Nijldal. (Het gewone volk werd begraven in de zandgrond).
De farao bezocht regelmatig het bouwterrein waar zijn tombe (piramide) werd gebouwd.
En uiteindelijk stierf hij en werd hij bijgezet in zijn uitvoerig ingerichte graf.
Hij werd bijna altijd opgevolgd door zijn oudste zoon (het is ook een paar keer gebeurd dat een
vrouw de troon besteeg) en de kroning was altijd een enorm groot feest.







De Farao zowel een mens is als een God.
Hij ontleent zijn status van God echter alleen aan zijn functie van koning en is de plaatsvervanger van God op aarde.
De koning weet dat hij geen God is! Hij kan net als ieder ander ziek worden en weet dat hij geen wonderen kan verrichten. Na zijn dood wordt de koning pas als een God vereerd.
De oude Egyptenaren wisten dus over wie ze het hadden, wanneer ze "God" vernoemden.
Vanaf ± 2040 v.Chr. stond de farao dichter bij het volk en steunde hij voor een deel op de
priesterschap, met name die van Amon. Hij had nog wel de status van een godheid, maar hij werd toch eerder gezien als redder van de bevolking. De organisatie van de staat werd ingewikkelder met name door de uitbreiding van het Egyptisch gezag over de buurlanden.
Taken moesten daarom overgeheveld worden naar ambtenaren en dit liep grotendeels via de tempels. Zo moesten zij toezien op de leveranties van goederen en de afdracht van belastingen aan de tempels en aan het paleis. Zij oefenden tevens het toezicht uit op bepaalde herendiensten (zoals de bouw van de piramiden en later van paleizen en grensversterkingen) die de boerenbevolking moest verrichten als de Nijl was overstroomd en ze dus niet op het land konden werken.
De ambtenaren werden beloond met landschenkingen. Mettertijd leidde dit echter tot ondermijning van het koninklijk gezag doordat bepaalde machtige ambtenaren uiteindelijk veel bezit hadden en zo op lokaal niveau zich als zelfstandige vorsten konden gedragen.
Dit had verzwakking van het centraal gezag tot gevolg. Achnaton kwam tegen deze geleidelijk uitholling van de Koninklijke macht in opstand en trachtte de tempels en hun priester voorgoed uit te schakelen. Uiteindelijk liep dit op een grote mislukking uit en met Horemheb werden de meeste hervormingen teruggedraaid. Sindsdien moesten de koningen de priesters met het betalen van grote schenkingen te vriend houden.
Tot en met Ramses II lukte dat aardig omdat Egypte over aanzienlijk buitenlands bezit beschikte. Na Ramses III verloor het dat en de latere Ramsessiden hadden niet veel meer te vertellen.

Door de eeuwen heen zijn er periodes geweest van centralisatie afgewisseld met tijden van
verdeeldheid. Tijdens dat laatste kon het zijn dat twee of meer koningen naast elkaar regeerden met burgeroorlogen als gevolg. En om de chaos compleet te maken vielen er regelmatig andere volken Egypte binnen. Meestal kon een van de lokale vorsten met geweld zijn mededingers onderwerpen en de eenheid onder een nieuwe dynastie herstellen.
Op deze wijze wisselden perioden van bloei en eenheid af met tussenperioden van verval.
De farao bleef in theorie de zoon van god. De vorst kreeg zijn gezag van de goden.
Die macht was onbeperkt zolang de vorst zicht wist te handhaven.
Werd hij van de troon gestoten door bijvoorbeeld een concurrerende vorst dan bewees deze daarmee dat de verstotende ‘het mandaat des Hemels’ niet waardig was en de goddelijke volmacht ging vervolgens over op de nieuwe koning.

Later hebben vreemde heersers, die Egypte hadden veroverd of waren binnengedrongen het gezag van het Egyptische koningschap gebruikt om het land onder de duim te houden.
De priesterschap collaboreerde in het algemeen met de vreemde heersers zolang dezen hun positie maar niet al te zeer aantastten. Eerst kwamen de Libiėrs, daarna de Nubiėrs, de Assyriėrs, de Perzen en de Grieken en tot slot de Romeinen. Zelfs de Romeinse keizers vonden het nog opportuun zichzelf zoon van Ra en Nesut (Ra = zonnegod & Nesut = koning) te noemen en hun naam in een cartouche te schrijven om zo religieuze legitimiteit voor hun gezag op te eisen.
De bevolking verarmde in die perioden zienderogen.
Deze maskarades duurden, buiten een paar onderbrekingen, ongeveer een millennium lang.
De intrede van het christendom heeft hieraan een einde gebracht, maar geen verbetering.
De bevolking bleef echter verarmd verder leven, zonder uitzicht op verbetering.
Met de, nog latere, intrede van de islamieten is hierin nóg minder verbetering gekomen.
De islam deed zijn intrede 600 jaren na de opkomst van het christendom en is grotendeels uit dat reeds bedrieglijke christendom samengevat en ontstaan, om zo zichzelf verder als "grootmacht" en als "dictatuur" te ontplooien, eveneens door "verbod", "verplichtingen" en "onderdrukking".
Vele inwoners wijken uit naar vreemde landen, om daar verder hun "geluk" te beproeven.
Het enige wat nog overblijft aan hun (roem)rijke verleden zijn de kunstschatten van de farao's.
De geschiedenis en de ruļnes vertellen de rest... .