|
  

  






Het Oude Testament beschrijft behalve de militaire wapenfeiten van
de Hebreeërs en Israëlieten ook de ontwikkeling van het joodse
geloof vanaf de tijd van Abraham. Het is niet het verhaal van een
volk dat één werd en zich wijdde aan de god Jehova, maar van een
hardnekkige sekte die tegen wil en dank tot de voornaamste religie
in Israël uitgroeide.
Jehova werd gezien als een mannelijke God - een principe dat tot
aanzienlijke problemen leidde.
Men ging er toen algemeen vanuit dat het leven was ontstaan uit een
mannelijke én een vrouwelijke bron. Andere religies - in Egypte,
Mesopotamië of elders - kenden dan ook godheden van beide seksen. De
voornaamste mannelijke god werd over het algemeen geassocieerd met
de zon of de hemel, terwijl de voornaamste godin haar wortels had in
de kosmos, de aarde, de zee en waaruit het leven ontstond; een zeer
natuurlijke en logische interpretatie, zoniet de beste en de meest
aanvaardbare.

In het licht
van zulke theïstische ideeën is Salomo, de zoon van koning David -
niet alleen geëerd vanwege de grootsheid en pracht van zijn bewind,
maar ook vanwege zijn persoonlijke wijsheid - één van de flexibeler
figuren uit de bijbel. Zijn erfgoed zou later heel belangrijk worden
voor de opkomende Graalleer, omdat Salomo een oprecht voorvechter
was van religieuze tolerantie. Salomo was al koning lang voor de
Babylonische ballingschap van de Israëlieten en behoorde nog geheel
tot het oude milieu.
In Salomo ’s tijd was Jehova heel belangrijk maar werden ook nog
andere goden erkend.
Het was een spiritueel onzekere tijd waarin het voor individuen niet
ongewoon was om zich in te dekken met de hulp van alternatieve
godheden. Gezien de overvloed aan verschillende goden en godinnen
die in dat gebied werden vereerd, zou het immers kortzichtig zijn
geweest om er slechts één in ere te houden. Wie kon immers bewijzen
dat de gelovige Hebreeërs het bij het rechte eind hadden?

Salomo ‘s
vermaarde wijsheid was in dit opzicht dus gebaseerd op een goed
afgewogen oordeel. Hoewel hij zelf Jehova, de God van een
minderheid, aanbad, had hij geen reden om zijn onderdanen hun eigen
goden te ontzeggen. Hij bewaarde ook zijn eigen geloof in de
goddelijke krachten van de natuur, ongeacht wie of wat daarvan aan
het hoofd stond.
Al lange tijd werd in Kanaän een oergodin aanbeden. Zij nam hier de
gedaante aan van Astoreth en was het equivalent van Ishtar, de
voornaamste godin van de Mesopotamiërs, wier Sumerische tempel in
Uruk (het bijbelse Erech, het moderne Warka) stond. In het naburige
Syrië en Fenicië werd een soortgelijke godin Astarte genoemd.

Het heilige der
heiligen (het binnenste heiligdom in Salomo ‘s tempel) werd gezien
als de baarmoeder van Astoreth –of Asherah, zoals ze een aantal
keren in het Oude Testament wordt genoemd.
Tot ze de zesde eeuw v.Chr. werd Astoreth nog openlijk aanbeden door
de Israëlieten.
Als Vrouwe Asherah was ze de hemelse vrouw van El, de opperste
mannelijke godheid, en samen vormden zij het ‘Goddelijke Paar’. Hun
dochter was Anath, koningin van de hemel, en hun zoon, de koning van
de hemel, werd He genoemd.
Later werden de afzonderlijke karakters van El en He samengevoegd
tot Jehova. Asherah en Anath werden op dezelfde wijze samengevoegd
tot Jehova’s gemalin, de Shekinah of Matroniet.
 
De naam Jehova
is een late en enigszins Angelsaksische transcriptie van Jahweh,
oorspronkelijk uit de vier medeklinkers bestaande Hebreeuwse stam
JHWH, waarin twee klinkers, al dan niet terecht, zijn tussengevoegd.
Oorspronkelijk vertegenwoordigen deze vier medeklinkers (die pas
later een soort acroniem werden voor de Enige God) de vier leden van
de Hemelse Familie: J stond voor El, de ‘Vader’; H stond voor
Asherah, de ‘Moeder’; W correspondeerde met He, de ‘Zoon’; en H was
de ‘Dochter’, Anath. In overeenstemming met de Koninklijke tradities
van die tijd en plaats werd de mysterieuze bruid van God, de
Matroniet, ook gezien als zijn zuster. In de joodse kabbala cultuur
(een esoterische discipline die haar hoogtepunt bereikte in de
middeleeuwen) werd het dualistische man-vrouw-beeld van God
voortgezet.
Anders gezinden zagen de Sherikah of Matroniet als de vrouwelijke
vertegenwoordiging van God op aarde.
De goddelijke bruidskamer was het heiligdom van de tempel in
Jeruzalem, maar toen die was verwoest, moest de Matroniet op aarde
ronddwalen, terwijl het mannelijke deel van Jehova alleen in de
hemel mocht heersen.
Praktisch gezien kwam het Hebreeuwse ideaal van de Enige
(mannelijke) God pas na de zeventig jaar durende Babylonische
ballingschap (c.a. 536 v.Chr.) tot stand. Toen de Israëlieten de
eerste keer door Nebukadnezar in ballingschap werden meegevoerd,
waren ze nog twee afzonderlijke stammen die tot tenminste twee grote
etnische stromingen behoorden (Israël en Judea) - maar ze keerden
verenigd terug naar het Beloofde Land, als Jehova’s “uitverkoren
volk”.

Babylon.
Het grootste
deel van wat wij nu kennen als het Oude Testament (de joodse bijbel)
werd in Babylon op schrift gesteld. Het wekt daarom weinig verbazing
dat allerlei Sumerische en Mesopotamische verhalen waren geënt op de
vroege joodse culturele traditie - evenals verhalen over de Hof van
Eden (het Paradijs van Eridu), de zondvloed en de toren van Babel.
De aartsvader Abraham verhuisde zelf van het Chaldese Ur (in
Mesopotamië) naar Kanaän, dus deze culturele beïnvloeding was te
rechtvaardigen, en verhalen zoals over Adam en Eva bleven daarom
niet beperkt tot de joodse traditie.
Alternatieve overleveringen over de Adam en Eva uit Genesis zijn te
vinden in geschriften van de Grieken, Syriërs, Egyptenaren,
Sumeriërs en Abessiniërs (of Ethiopiërs). In de ene versie hadden
Kaïn en Abel twee zussen, de tweeling Luluwa en Aklemia. In een
andere had Seth een zuster die Noraia heette.
Andere verhalen vertellen over Adam’s eerste gemalin Lilith, voordat
hij door Eva werd verleid. Lilith was een dienstmaagd van de
Matroniet en zij verliet Adam omdat hij haar trachtte te
overheersen.
Tijdens haar vlucht naar de Rode Zee riep ze uit: “Waarom zou ik
onder jou liggen? Ik ben jouw gelijke!”. Een Sumerische teraacotta
uit ca. 2000 v.Chr. beeldt Lilith af als een naakte, gevleugelde
vrouw, die op de ruggen van twee leeuwen staat. Hoewel ze niet een
godin was in traditionele zin, komen we haar vleesgeworden geest
weer tegen als Salomo’s beroemdste minnares: de koningin van Sheba.
Lilith wordt beschreven in het boek van de esoterische Mandeeërs uit
Irak als de “Dochter van de Onderwereld”.
Tot op de dag van vandaag vertegenwoordigt zij de fundamentele
ethiek van de vrouwelijke mogelijkheden.

Toen de
Israëlieten van Babylon naar Jeruzalem terugkeerden, werden de
eerste vijf boeken van Mozes verzameld in de joodse Tora (de Wet).
De rest van het Oude Testament (de joodse bijbel) werd echter apart
gehouden. Gedurende enkele eeuwen werden deze teksten zowel vereerd
als gewantrouwd, maar ten slotte speelden met name de zestien
profetische boeken van het Oude Testament een sleutelrol in de
stabilisering van het joodse erfgoed. De voornaamste reden voor de
twijfel was dat, hoewel de joden als God’s Uitverkoren Volk werden
beschouwd, Jehova hen niet bepaald vriendelijk bejegend had.
Hij was hun stam de almachtige Heer en had de aartsvader Abraham
beloofd hun volk boven alle andere te verheffen, wat nooit of nimmer
gebeurd is.
Desondanks hadden ze alleen maar oorlogen, hongersnood, deportatie
en bekrachtigden de profetische boeken Jehova’s belofte door de
komst van de Messias aan te kondigen, een priesterkoning die het
volk zou dienen door het te verlossen. (Dat is tot nu toe nog niet
gebeurd, waar dan ook!).
Deze profetie was voldoende reden voor de herbouw van Salomo’s
tempel en de ringmuur van Jeruzalem… maar er verscheen geen
messiaanse redder.
Hier eindigt het Oude Testament, in de vierde eeuw voor Christus.
Ondertussen ging de stamboom van David door, ook al was zijn
geslacht niet aan het bewind.
Meer dan driehonderd jaar begon een geheel nieuw soeverein
hoofdstuk, toen de revolutionaire erfgenaam van Judea stoutmoedig in
de openbaarheid trad.
Hij was Jezus van Nazareth, de wettige koning van Jeruzalem.

 





Het Nieuwe
Testament pakt het verhaal weer op in de laatste jaren voor
Christus. Maar de onbeschreven tussenliggende periode was van immens
belang, omdat die het politieke kader bepaalde waarin de verwachte
Messias zijn intrede zou doen.
Dit tijdperk begon met het bewind van Alexander de Grote, de koning
van Macedonië, die de Perzische keizer Darius in 333 v.Chr.
versloeg. Hij verwoestte de stad Tyrius in Fenicië en trok naar
Egypte, waar hij de stad Alexandrië liet bouwen. Met het enorme
Perzische rijk onder zijn heerschappij trok Alexander door naar
Babylonië en nog verder oostwaarts, totdat hij uiteindelijk de
Punjab veroverde.
Toen hij op jonge leeftijd in 323 v.Chr. stierf, namen zijn
generaals het bewind over.
Prolemaeus Sotor werd gouverneur van Egypte, Seleucus kreeg de macht
in Babylonië en Antigonus in Macedonië en Griekenland. Omstreeks de
eeuwwisseling lag ook Palestina binnen Alexander’s rijk.

Alexander de Grote
In die tijd
kwam er een nieuwe macht op in Europa: de Romeinse Republiek. In 264
v.Chr. verjoegen de Romeinen de Carthaagse heersers van Sicilië.
Tevens bezetten ze Corsica en Sardinië. De grote Carthaagse generaal
Hannibal sloeg terug door het Spaanse Seguntum in te nemen en trok
daarna met zijn troepen de Alpen over; bij Zama werd hij echter door
de Romeinen verslagen. Ondertussen was Antiochus III - een
afstammeling van de Macedonische generaal Seleucus - koning van
Sirië geworden. In 198 v.Chr. had hij zich aan de Egyptische invloed
ontworsteld en werd hij heerser over Palestina. Zijn zoon, Antiochus
IV Epiphanes, bezette Jeruzalem, een actie die prompt leidde tot een
joodse opstand, onder aanvoering van de Hesmonese Judas Maccabaeus.
Hij werd tijdens een veldslag gedood, maar de Maccabeeën wisten in
142 v.Chr. wel de joodse onafhankelijkheid te bewerkstelligen.
In een daaropvolgende oorlog vernietigden de Romeinse legers
Carthago en stichtten de nieuwe provincie Romeins Noord-Afrika.
Andere veldtochten brachten ook Macedonië, Griekenland en Klein-Azië
onder Romeins bewind. Maar in Rome zelf woedden twisten omdat de
Italiaanse boeren door de Carthaagse (of Punische) oorlogen waren
geruïneerd, terwijl de adel zich hierdoor juist had verrijkt en met
behulp van slaven grote landgoederen had laten aanleggen. De
Democratische leiden Tiberius Gracchus kwam in 133 v.Chr. met
voorstellen tot een landbouwhervorming, maar hij werd door de
Senaatparij vermoord. Zij broer nam het op voor de boeren, maar ook
hij werd vermoord, waarna het Democratische leiderschap overging in
handen van de militaire bevelhebber Gaius Marius.
In 107 v.Chr. was Gaius Marius Romeins consul van Rome. De senaat
schoof Lucius Cornelius Sulla naar voren, die uiteindelijk Marius
afzette en in 82 v.Chr. alleenheerser werd. Een afschuwelijk
terreurbewind was het gevolg, totdat de Democratische staatsman en
generaal Gaius Julius Caesar populair werd en al snel, in 63 v.Chr.,
tot het hoogste ambt werd geroepen.
In datzelfde jaar marcheerden Romeinse legers het Heilige Land
binnen, dat toen al in een staat van sektarische onrust verkeerde.
De Farizeeën, die volgens de tamelijk strenge, oude joodse wetten
leefden, waren in opstand gekomen tegen de liberale Griekse cultuur.
Daardoor kwamen ze ook in conflict met de priesterlijke kaste van de
Sadduceeën. Deze roerige omgeving was rijp voor een invasie. De
Romeinen zagen hun kans schoon en onder leiding van Gnaeus Pompeius
Magnus (Pompeius de Grote) onderwierpen ze Judea en namen Jeruzalem
in, nadat ze Syrië en de rest van Palestina hadden geannexeerd.

Ondertussen kende de Romeinse hiërarchie ook grote problemen. Julius
Caesar, Pompeius en Crassus vormden het eerste driemanschap in Rome,
maar hun gezamenlijke regering mislukte toen Caesar naar Gallië werd
geroepen en Crassus zaken moest regelen in Jeruzalem. Tijdens hun
afwezigheid liep Pompeius van het Democratische kamp over naar de
Republikeinse aristocraten. Toen Caesar terugkeerde, brak er een
burgeroorlog uit. Caesar won de beslissende slag bij het Griekse
Farsalus en werd na Pompeius’ vlucht alleenheerser over alle
provinciën van het rijk.
Tot dan had koningin Cleopatra VII samen met haar broer Prolemaeus
XIII over Egypte geregeerd. Caesar bezocht Alexandrië en kreeg een
verhouding met Cleopatra, die haar broer liet vermoorden en de
alleenheerschappij opeiste. Caesar ondernam veldtochten in
Klein-Azië en Noord-Afrika, maar toen hij in 44 v.Chr, in Rome
terugkeerde, werd hij op de idus van maart door de Republikeinen
vermoord.
Zijn neef Gaius Octavius (Octavianus) formeerde een tweede
driemanschap met generaal Marcus Antonius en de staatsman Marcus
Lepidus. Octavianus en Marcus Antonius versloegen Caesar’s
voornaamste moordenaars, Brutus en Cassius, bij Filippi in
Macedonië, maar vervolgens verliet Antonius zijn vrouw Octavia (de
zuster van Octavianus) voor Cleopatra. Hierop verklaarde Octavianus
de oorlog aan Egypte en zegevierde in de slag bij Actium, waarna
Antonius en Cleopatra zelfmoord pleegden.

Palestina
omvatte in die tijd drie afzonderlijke provincies: Galilea in het
noorden, Judea en het zuiden en Samaria in het midden. Julius Caesar
had Antipas de Idumaeër aangesteld als keizerlijk administrateur van
Judea en zijn zoon Herodes als onderkoning van Galilea. Kort hierna
werd Antipas vermoord, waarop Herodes naar Rome werd geroepen en tot
koning van Judea gekroond.
Voor de meeste van zijn onderdanen was Herodes een Arabische
indringer die zich de troon had toegeëigend. Hij had zich bekeerd
tot een vorm van het joodse geloof, maar hij stamde niet van David
af. In praktijk beperkte Herodes’ macht zich tot Galilea; Judea werd
eigenlijk geregeerd door de Romeinse administrateur in Caesarea. Dit
tweetal voerde een extreem streng bewind en liet meer dan
drieduizend tegenstanders kruisigen om de bevolking te onderwerpen.
Er werden hoge belastingen geheven, burgers werden gemarteld en het
aantal joodse zelfmoorden steeg alarmerend.
Dit nu was de gewelddadige omgeving waarin Jezus werd geboren: een
sfeer van onderdrukking door een marionettenmonarchie, gesteund door
een zeer goed georganiseerde militaire bezettingsmacht. De joden
wachtten nog steeds wanhopig op hun Messias (“de gezalfde”, van het
Hebreeuwse ‘maisach’ of “zalven”), die zij overigens niet voor
goddelijk hielden. De mensen wilden een sterke figuur die hen van de
Romeinse overheersing kon bevrijden. Eén van de Dode-Zeerollen, het
‘Oorlogsreglement’, beschrijft een strategie voor de “slag der
slagen” en noemt de Messias als militaire opperbevelhebber van
Israël.
  


De Dode-Zeerollen zijn op dit moment het beste hulpmiddel voor een
beter begrip van de cultuur van Judea uit de tijd vóór de
evangeliën. Ze werden echter pas in 1947 bij toeval ontdekt. Een
jonge bedoeïense schaapherder, Mohammed ed-Di’b, was op zoek naar
een verdwaalde geit in de grotten in de rotsachtige heuvels van
Qumran bij Jericho, toen hij een aantal langwerpige, aardewerken
potten aantrof. Archeologen werden bij de zaak betrokken en begonnen
met opgravingen - niet alleen in Qumran maar ook bij Murabba’at en
Mird in de wildernis van Judea. Er werden nog veel meer potten
aangetroffen, in elf verschillende grotten. In totaal bevatten de
potten zo’n vijfhonderd Hebreeuwse en Aramese manuscripten,
waaronder geschriften uit het Oude Testament en talloze documenten
over de gemeenschap van Qumran, waarvan sommige teruggingen tot
circa 250 v.Chr. De rollen waren daar verstopt tijdens de joodse
opstand tegen de Romeinen tussen 66 en 70 n.Chr, en daarna nooit
meer teruggevonden. Het boek Jeremia uit het Oude Testament (32:14)
vertelt profetisch: “Zo zegt de Here der heerscharen… Neem deze
brieven… en leg ze in een aarden vat, opdat zij lange tijd bewaard
blijven”.
Tot de belangrijkste manuscripten behoort de ‘Koperen rol’, een
soort inventaris die de locaties van de schatten in Jeruzalem en de
begraafplaats in het dal van Kedron noemt. De ‘Oorlogsrol’ bevat een
volledige beschrijving van de militaire tactiek en strategie. Het
‘Handboek van tucht’ beschrijft nauwkeurig de juridische praktijk en
de gebruikelijke rituelen, en tevens het belang van een gekozen Raad
van Twaalf om het geloof te beschermen. De fascinerende ‘Habakkuk
Pesher’ geeft commentaar op de figuren en belangrijke gebeurtenissen
uit dat tijdperk. Tot de verzameling behoort ook een complete versie
van Jesaja - met zijn lente van negen meter de langste rol, en
tevens ouder dan alle andere bekende versies van dit boek uit het
Oude Testament.
Naast deze ontdekkingen was er twee jaar eerder in Egypte al een
andere belangrijke vondst gedaan die betrekking had op de tijd na de
evangeliën.
Toen in december 1945 twee jonge boeren, Mohammed en Khalifah Ali,
naar mest groeven op een begraafplaats bij de stad Nag Hammadi,
stuitten ze op de grote, afgesloten pot die dertien in leer gebonden
boeken bevatte. De papyrusbladen van het boek bleken een verzameling
geschriften te zijn uit de traditie die later de ‘gnostiek’ (het
esoterisch inzicht) zou worden genoemd.
Het betrof hier christelijke werken met een duidelijk joodse
ondertoon, die spoedig bekend werden als de bibliotheek van Nag
Hammadi.
De boeken waren geschreven in de oude Koptische taal van Egypte en
dateerden uit een vroeg-christelijke tijd. Het Koptisch Museum in
Caïro bevestigde dat het kopieën waren van veel oudere werken, die
oorspronkelijk uit Griekenland kwamen. Sommige teksten bleken van
zeer vroegen oorsprong en bevatten beschrijvingen van vóór het jaar
50 n.Chr. In de tweeënvijftig afzonderlijke traktaten komen
verschillende religieuze teksten en een aantal tot dan toe onbekende
evangeliën voor. Ze geven een heel ander beeld dan wij nu kennen uit
de bijbel. De steden Sodom en Gomorra worden bijvoorbeeld niet
voorgesteld als poelen van verderf, maar als centra van grote
wijsheid en kennis.
En wat voor ons van groot belang is: ze doen verslag van een wereld
waarin Jezus zijn eigen kruisiging beschrijft en waarin zijn relatie
met Maria Magdalena een verhelderende, nieuwe dimensie krijgt.
Informatiebron:
"De erfopvolgers van de Graal"
Sir Laurence Gardner.



    
  |