1) Gebruik een passer om
een cirkel met middelpunt M te trekken.
2) Trek twee lijnen
loodrecht op elkaar door M, snijpunten met de cirkel zijn P, Q en S.
3) Zet de naald van de
passer in Q en rek een deelcirkel door het punt M, dit geeft twee
snijpunten Q1 en Q2.
4) Trek een rechte lijn
tussen Q1 en Q2, het snijpunt met de lijn QS is R.
5) Zet de naald van de
passer in R en trek een deelcirkel door P naar de lijn QS, het
snijpunt met QS is V.
6) Zet de naald in P en
trek een deelcirkel door V die de cirkel snijdt en A en E.
7) Zet de naald en A trek
de deelcirkel door P die de cirkel snijdt in T.
8) Zet de naald in E en
trek een deelcirkel door P die de cirkel snijdt in N.
9) Trek de lijnen PT – TE–
EA – AN – NP.