Satan of de duivel, werden niet uitgevonden door de christenen.
Het idee van de duivel, Satan, of kwade demon stamt uit het Oude Egypte.
De Oude Egyptenaren hadden reeds zo'n godheid, "Apophis of Apepi", de boosaardige slangengod van duister en kwaad.

Apophis of Apepi is in de Egyptische mythologie een reusachtige slangendemon. Hij is het meest algemeen bekend onder de Griekse naam Apophis. Apophis gold als tegenspeler van de zonnegoden Aton en Ra, en was als zodanig symbool van de donkere machten. Apophis probeerde bij zonsopkomst en zonsondergang de zonnegod op te slokken als die 's nachts door de onderwereld reisde. Als Apophis daar in zou slagen kwam de zon niet meer op en dan zou de wereld levenloos worden. Gelukkig beschermde Seth de zonnegod en verjoeg het monster. Het bloed van de gewonde demon kleurde de hemel rood als bewijs van de overwinning van Aton.

De god is voor het eerst gezien op wanden in het Middenrijk. De god werd als vruchtbaarheidsgodheid aanbeden in tijden van paniek en armoe (als de Nijl niet stroomde). In het Nieuwe Rijk wordt deze godheid het meeste uitgebeeld op wanden bij farao's.
Apophis wordt afgebeeld als een grote, kronkelende slang. Het kronkelen zou benadrukken dat de slang zeer groot was. Verschillende soorten slangen hebben model gestaan voor deze god. Altijd is Apophis afgebeeld in een verwarde toestand en vechtend met Ra of een andere god, waarbij hij dan meerdere messen in zijn lijf heeft.
De antigod werd niet vereerd in tempels in een stad, maar werd wel afgebeeld in tempels, waar hij bestreden werd door verschillende goden. De god heeft een eigen boek, het "boek van Apophis", waarin verschillende magische spreuken stonden die Apophis konden vernietigen.

Ook in het Boek der doden staat een spreuk ter bestrijding van deze god. In de late tijd werden spreuken in tempels opgenoemd om de wereld (Egypte) te beschermen.
(Uit "Wikipedia).

Daaruit kopieerden de christenen later de Satanmythe of de Duivelmythe.
Bijna heel hun bijbel is gekopieerd uit de Oude Egyptische mythologie.
Zo ook het idee van de "wederopstanding".
Het idee van de westerse goden ontstond in Anatolië en niet in Jeruzalem.



Beknopt voorwoord:
Ter inleiding, de satansmythe is ontstaan door het verhaal van Adam en Eva in het aartsparadijs. Het zou dus, in normale menselijke termen, over liefde moeten gaan. Maar is dat wel zo? Dát gaan we ontdekken via deze twee pagina’s.
Laten we dus eerst best aanvangen bij het begin.
* Hier gaan we dan...
“Hij schiep hen als man en vrouw; en Hij zegende hen, en noemde hun naam Adam, op de dag dat ze werden geschapen” (Genesis 5:2)".
Dat zegt het boek Genesis, maar als we dit lezen worden we ogenblikkelijk geconfronteerd met iets dat strijdig is met onze traditionele indoctrinatie: “mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen … en noemde hun naam Adam”.
We worden afzonderlijk geïnformeerd (Genesis 3:20) dat de man “zijn vrouw Eva noemde, omdat ze de moeder was van alle levenden”, maar we blijven zitten met het feit dat Adam geen eigennaam was.
In de praktijk was adam niet eens een echt naamwoord - het was een geslachtsuitdrukking die gebruikt werd op mannen zowel als op vrouwen.
Men geloofd gewoonlijk dat de christelijke uitdrukking “erfzonde” iets te maken had met het seksuele gedrag van Adam en Eva, maar dit is door de Kerk gepropageerde absurditeit.
Tot het moment waarop Adam wordt verbannen uit de hof, is er hoe dan ook geen vermelding van enig fysiek contact tussen hem en Eva.
De uiteindelijk vastgestelde “zonde” was dat Eva (‘maar een vrouw’ in de ogen van de Kerk) een eigen besluit had genomen: een besluit om Enlil
ongehoorzaam te zijn ten gunste van Enki, een besluit waarin Adam meeging en dat een correct besluit bleek te zijn.
Praktisch gesproken had Eva helemaal geen zonde begaan, omdat het verbod betreffende de boom der kennis aan Adam was opgelegd, wat de reden is waarom alleen hij verbannen werd.
Pas in het volgende hoofdstuk van Genesis ontdekken we dat Eva volgde in de voetstappen van Adam en dat ze, volgens het boek Jubeljaren (3:28), “woonden in het land Elda”.
Daar vervulde ze haar plichten als echtgenote, maar dan wordt duidelijk dat de eerste zoon van Eva niet het kind van Adam was, en hierdoor ontdekken we waarom Eva uiteindelijk een zondares werd genoemd door de orthodoxe religieuze bewegingen uit latere tijden.
Lang vóór Eva was "Godin Lilith" de gemalin van Adam.
Zij verliet hem omdat hij haar wou overheersen.
Lilith werd daarna vervangen door "Eva", om het sterke "Godinnen~aspect" verder te kunnen onderdrukken.
Eva kreeg hier zéker geen aangename rol in toebedeeld, met haar begon stilaan de totale onderdrukking van het vrouwelijke aspect, in de nieuwe vervalste en heraangepaste godsdiensten alom!
Al deze vervalste omschakelingen, die door de roomse Kerk gestart werden, gebeurden allemaal maar met 1 doel:
"GELD EN ABSOLUTE MACHT". Ook andere volgden graag deze 'weg'!



De mythe van satan:
Voordat we de hof van Eden verlaten (‘Edem’ en ‘Paradijs’ genoemd in de Griekse vertaling), moeten we onze geest bevrijden van het angstaanjagende satanische dogma dat de christelijke Kerk aan het voorval van Eva en de slang gekoppeld heeft.
Nergens in het verslag van Genesis is er enige spraken van een vermelding, direct of indirect, van betrokkenheid van satan, en toch is het een gebruikelijke praktijk geworden voor de Kerk om de slang af te schilderen als een afgezant van satan, of zelfs als satan zelf.
Dit is gedaan in een poging om het door de Kerk eigenhandig bedachte idee van de erfzonde van Eva te ondersteunen - een concept (ontwikkeld en geprogrammeerd door de heilige Augustinus) dat, zoals zoveel doctrines van vroege bisschoppen voortkwam uit ongezonde seksuele paranoia.
Niet alleen maakten de christelijke bisschoppen een nieuwe interpretatie van het verhaal van Adam en Eva, maar ze lieten het ook herschrijven zodat een paar verzen van Genesis geweldige biografische boeken werden, en het is uit deze bedrieglijke werken van de fantasie dat de vertrouwde taferelen van satanisch ingrijpen te voorschijn zijn gekomen.
In de Hebreeuwse bijbel, zoals in de hoofdstroom van het huidige judaïsme, verschijnt satan nooit zoals het westers christendom hem heeft leren kennen.
De christelijke opvatting van satan is een slechte imperialist wiens afschuwelijke horde oorlog voert tegen God en de mensheid, maar dit satanskarakter was een uitvinding van de tijd ná Jezus, een fabelachtige mythe met niet meer historische waarde dan een willekeurig verzinsel uit een goedkope griezelroman.



In het Oude Testament worden ‘satans’ (hoewel ze zelden worden genoemd) weergegeven als gehoorzame dienaren of zonen van de goden (de bene ha-elohim) die specifieke daden tegenstander, vijand of aanklager aanduidt, terwijl het Griekse equivalent diabolos (waarvandaan ‘diabolisch’ en ‘duivel’) verwijst naar een dwarsligger of een lasteraar.
Tot aan de christelijke tijd had het woord ‘satan’ geen enkele sinistere connotatie en in de oude overlevering zouden de leden van een normale politieke oppositiepartij ‘satans’ genoemd zijn.
In het boek Job (1:6-12, 2:1-7) wordt er tweemaal een satan gezonden door
God om Job te kwellen en te frustreren, maar met de duidelijke opdracht dat hij de man niet ernstig mag kwetsen - een opdracht die naar behoren wordt uitgevoerd.


Een satan.

In het boek Numeri, wanneer Balaäm besluit om zijn ezel mee te nemen waar God het hem had verboden om te gaan, ‘werd Gods woede opgewekt … en de engel van de Heer stond in de weg als een tegenstander (een satan: le-satan/lo) voor hem’ (Numeri 22:22).
In dit geval trad de satan op voor Balaäm 's eigen bestwil in opdracht van God, hoewel in een koppige rol als fysieke hinderpaal.
Ten tijde van het voorlaatste boek van het Oude Testament, Zacharia (3:1-2), wordt de benoemde satan (een oppermagistraat) geportretteerd met een vrije wil, want we zien hem hier in conflict met God in een sociale kwestie.
In dit geval probeerden de joden die terugkeerden uit Babylonische ballingschap om in Jeruzalem de posities van hun familie terug te krijgen, maar toen ze arriveerden, ontdekten ze dat er al een hogepriester en een
regerende gevestigde orde in functie was.
God koos de kant van de zittende elite in dit dispuut, maar de satan koos de zijde van de misnoegde joden.
Niettemin is er ondanks de politieke impasse geen aanwijzing voor iets dat ook maar enigszins duister is in het karakter van de satan.


Balaäm wordt gestopt door een "satan".