Hageland,
bierland met een verleden.


"Deels" uit het 'Hagelands Bierboekje',
verkrijgbaar in de Hagelandse toeristische kantoren,
"Onze bieren zijn bijlange niet meer wat ze 'ooit' waren!!!"
En inderdaad!
De kwaliteit en de service zijn hard verslecht en miskend vanaf de jaren 70tig!
(De prijs is het enige wat gestegen is voor 'erzats'!)
De schuld hiervan? Massaproductie en meer winst.
Écht, ambachtelijk bier wordt haast niet meer gebrouwen.
De meeste huidige bieren zijn "CHEMISCH OPGEPEPT". (Waardeloos).



Oudste Bruine Café 't Drossaerde aan
het stadhuis van Aarschot.
(Het oudste 'originele' café van Noord-Hageland)
(Bij Simone en Rist)

* Een beetje geschiedenis...

~ Vanuit het Oude Egypte via het Romeinse Rijk naar hier.

Onze biercultuur gaat terug tot het oude Mesopotamïe alwaar een stenen plaat werd gevonden van 6000 v. C. met primitieve afbeeldingen van een brouwproces. In 2000 v. C. stelde koning Hammurabi in Babylon reeds bepalingen op i.v.m. het brouwen van bier.
In Egypte waren zelfs de farao’s zelf brouwer. Uit de tijd van Ramses III zijn bierbekers overgebleven die de inhoud van Beierse bierkruiken met een inhoud van 3,5 liters ver overtreffen.
De Romeinen waren vooral wijnbouwers, maar in killere, meer noordelijke streken verbouwden zij meer graan voor onder meer het brouwen van bier. De Romeinse legioenen dronken bier om de dorst te lessen. Bier kwam voor wijn. Dionysus werd pas God van de wijn nadat hij eerst geregeerd had als Sabazios, de God van het bier.
Na de val van het Romeinse Rijk zal de Kerk meer de landerijen gaan controleren en tot in de 11de eeuw zal het bier brouwen verder alleen door de clerus (abdijen) mogen beoefend worden.

~ Vanaf de Middeleeuwen...een doorbraak

Vanaf de Middeleeuwen nam het belang van bier en brouwen in Brabant aanzienlijk toe.
Vooral vanaf de 12de eeuw zal ook buiten de abdijen meer en meer worden gebrouwen. Dit ‘wereldse’ brouwen zal sterk evolueren met nieuwe impulsen als het gebruik van hop, tarwe en gemoute gerst, bier van lage gisting of de pils.
Vanaf midden 16de eeuw kende deze regio een ware bierexplosie in Diest, Aarschot, Tienen, Hoegaarden, Leuven… te danken aan de gunstige omgeving: rijke graanschuur, zuivere en bevaarbare waterlopen voor het vervoer, bossen met het hout voor te stoken…
De middeleeuwers en onze voorouders tot in de 18de eeuw dronken veel bier thuis en met reden: gezouten voeding door het pekelen, ook veel droge voeding en sterk gekruide gerechten.
En dan waren er veel samenkomsten waarop er duchtig kon gedronken worden: vergaderingen van stadsbestuur, rechtbanken, ambachtsgilden, rederijkerskamers, schuttersgilden tot zelfs religieuze broederschappen met uitbundige teerfeesten.

~ Wat kon men toen eigenlijk drinken?
Water was toen zeer onzuiver en werd met armoede geassocieerd en met gevangenisstraf (‘op water en brood zetten’).
Melk was ook niet populair, vrij duur en eerder voor kinderen, ouderlingen en zieken… vrouwen zouden er zwarte tanden van krijgen.
Mede, een uit honing gegiste drank, was te zoet, en werd steeds duurder.
Cider van appelen en peren, al bekend van bij de Karolingers, werd in de Middeleeuwen vooral voor eigen gebruik geproduceerd en was in de 16de eeuw eerder zeldzaam in de herbergen aan te treffen.
De concurrent voor bier was eerder wijn.
In het Hageland, ten noorden van de 45ste breedtegraad, brachten de talrijke wijngaarden nog een min of meer drinkbaar goedje voort.
Maar wijn was een eerder dure drank, dus werd bier de uitverkoren drank.
Vroeger dronk men bier in plaats van water of 'zoete kinderdrankjes'.
Bier was bij de bereiding gekookt, waardoor ziektekiemen grotendeels werden gedood. Bier was voedzaam want op basis van graan gemaakt.
In regeringskringen noemde men bier zelfs ‘het vloeibare brood’.
De consumptie toen schat men op 1 liter per dag per volwassene, maar het bier was wel niet van de sterkste soort. (Fluitjesbier).

~ Zeg niet zomaar bier
Het middeleeuwse gruitbier werd vooral gekenmerkt door de plantaardige samenstelling met in hoofdzaak de zaden van gagel (een moerasplant) waardoor het enige bewaarkracht had.
Er werd tot de 11de-12de eeuw veel thuis gebrouwen, nadien door de grotere bevolkingsconcentraties kwam er specialisatie in het brouwen en verkopen van bier.
Meestal ging het om herbergiers die een deel voor eigen behoeften brouwden en de rest doorverkochten aan ‘tappers’.
Abdijen mochten in de Middeleeuwen geen bier verkopen daar ze geen belastingen betaalden en geen oneerlijke concurrentie mochten voeren.
Vooral vanaf de 15de eeuw was hopbier de vooruitgang waarbij aan het brouwsel hop i.p.v. gruit werd toegevoegd voor de typische smaak van bier en het was ook een steviger bewaarmiddel.
Bier werd meer een handelsproduct dat op langere afstand kon getransporteerd worden. Hopbrouwen werd toen in Zoutleeuw en Leuven al algemeen toegepast.
Tarwe– of kuitbier ontstond uit de daling van de graanprijzen in de 14de en 15de eeuw waardoor voor dezelfde kostprijs sterkere bieren, ook tarwebieren konden geproduceerd worden. Het fenomeen kwam uit Holland en werd hier nagevolgd in Leuven en Hoegaarden met o.a. hun eigen gehopte witbier.
In die periode werden ook "paenhuyzen" of brouwerijen voor burgers ingericht. Particulieren konden ook met hun graan en andere grondstoffen naar een bestaande brouwerij om het daar tot bier te laten brouwen. Dit betekende minder belastingen, besparing op de tapper en bevorderde het thuisdrinken.
Vermeldenswaardig is ook de speciale situatie van Hoegaarden.
Het dorp was een Luikse enclave temidden van Brabant waar de Brabantse wetten als dusdanig niet golden. Wanneer in Brabant verordend werd het bier dunner te maken, dan gold dat niet voor Hoegaarden.
Omgekeerd, wanneer in Luik ordonnanties werden uitgevaardigd, dan zat men in Hoegaarden ver genoeg van Luik verwijderd om te voorkomen dat daar veel controle op kwam. Zo heeft Hoegaarden lang van twee walletjes gegeten en zich een voorsprong op andere biersteden verworven.

In de 16de eeuw ging men dubbel en tripel maken, maar vooral belangrijk was de groei van een echte bierindustrie voor de export. Directe aanleiding was de groei van de Antwerpse haven waar goedkoop Baltisch graan binnenkwam voor de Nederlanden. Dit was een zware concurrentie voor de graanexport naar het noorden o.a. vanuit onze graanstreek.
Het betekende ook dat een aantal steden die tot dan toe als inscheephaven en markt voor dat graan hadden gediend, met hun graan niet meer weg konden. Dit was zo voor Leuven op de Dijle, Tienen op de Gete, Zoutleeuw op de Kleine Gete, Diest op de Demer.
Er bleef niets anders over dan het hier stevig te verbrouwen. Zo verkreeg men op korte tijd een concentratie van vrij belangrijke biercentra in de streek. De geproduceerde bieren waren in elke stad van ongeveer dezelfde kwaliteit. Terwijl men in Vlaanderen gerstebieren produceerde, brouwde men in Brabant meestal troebele tarwebieren die men probeerde te zuiveren door er een varkenspoot in te leggen. Einde 16de eeuw, begin 17de eeuw met de godsdienstoorlogen betekende een zekere terugval voor de bierindustrie.
In de 17de eeuw kwam niet de verwachte heropleving vooral door nieuwe concurrerende dranken zoals thee, koffie, cacao, de doorbraak van brandewijn, graanjenever.
De tweede helft van de 18de eeuw kende de bierindustrie een nieuwe bloei met een concentratie in onze regio. De transportmogelijkheden verbeterden o.a. het kanaal Leuven - Mechelen (ook kanaal van de brouwers genoemd) waarlangs ook bier van Hoegaarden naar het noorden werd geëxporteerd, wat goedkoper was dan langs de Gete via De Demer. Nieuw was ook de verkoop en verhandeling van bier in flessen. Met de Franse Revolutie stagneerde de bierindustrie onder meer ook door het sterker gebruik van koffie. Niet alleen door de vrouwen maar vooral door de mannen die koffie op ‘café’ gingen drinken.
Vanaf 1870 kreeg men dan een enorme import van vreemde bieren, vooral vanuit Duitsland. Door ontdekkingen van vooral Pasteur werd een nieuwe type bier gelanceerd, nl. bier van lage gisting. (Volksbier).

Het lage gistingsbier was (is) ook geschikt voor een industriële productie met haar technische middelen als thermometers en andere apparaten die daarvoor nodig zijn.
De bierconsumptie steeg voor WO I door toegenomen levensstandaard en herbergen namen ook zienderogen in aantal toe.
In 1795 telde men 9 herbergen per 1000 inwoners, in 1852 was dit 20 per 1000 inwoners.
Na WO I begonnen onze brouwerijen zich toe te leggen op pilsbieren, de lage gistingsbieren. De industriële brouwerijen schakelden stilaan de landelijke brouwers uit en monopoliseerden het brouwen in de steden.
Na WO I daalde ook het verbruik weer o.a. als gevolg van de wet Vandervelde en na WO II begon de rage van Coca Cola, fruitsappen, reeks frisdranken en diens meer, voor de melkmuiltjes.
In 1667 - volgens de 'Annuaire Benelux de la Brasserie’ - waren er nog 22 industriële en plattelandsbrouwerijen in het arrondissement Leuven:
"3 in Leuven, 2 in Aarschot, 2 in Diest, 2 in Betekom, 1 in Eliksem, 1 in Hoegaarden, 1 in Lubbeek, 1 in Rotselaar, 1 in Waanrode en 1 in Werchter… maar dit cijfer daalde nog"…
NU is er nog 1 grote in Leuven, en 1 grote in Haacht, die alles opslokken en alles voor quasi 100% op chemische wijze gaan brouwen.
Maar anno 21ste eeuw is er in het ruime Hageland toch nog altijd leven in de brouwerij… .


Rond 1972 zijn vele bierbrouwers ook overgegaan op een versnellingsproces van de gisting van het bier, door overname van het brouwen (Interbrew) en doordat er via de 'originele Natuurlijke manier' niet genoeg kon aan verdiend worden.
(Ook deels door de steeds "hebberigere" taksen van de 'overheid')?
Daartoe behoorden ook de aloude abdijbieren, alsook de trappistenbieren, die nu nog enkel schuim produceren door een kunstmatige chemische toevoeging aan het bier.
De bieren van hogere gisting konden namelijk geen schuim meer produceren door de chemische versnelling van de rijping ervan.
Daar hebben 'bepaalde laboranten' dan ook weer een mouw aan gepast.
Door deze commercialisering hebben veel waardevolle bieren aan smaak en aan natuurlijke kwaliteit moeten inboeten, alsook Belgische pilsbieren.
(Bron van een aantal gepensioneerde
(of overleden) Belgische bierstekers).


Musea - exposities

* Aarschot

~ Museum voor Heemkunde en folklore
Stedelijke Dienst voor Toerisme (Nachtuil regio)!
Elisabethlaan 103

B-3200 Aarschot

Tel. 016-56 97 05
Fax 016-56 97 22

E-mail: diensttoerisme.aarschot@belgacom.net

~ Café-interieur anno 1900
Uit het wandelfoldertje van het museum: “Nu komt u in het interieur van een Aarschots cafeetje (1900) terecht".
Veel industrie was in Aarschot niet tijdens de 19de eeuw. Wel brouwden de plaatselijke brouwers de Aarschotse Bruine, die overvloedig vloeide in de talrijke herbergen. Naast het witbier was dit bruin bier erg populair in de streek. Een volkscafé, estaminet of staminee, moest niet zo groot zijn: een plaatsje achter de winkel of een keukentje waren dikwijls al ruim voldoende. Cafés speelden een belangrijke rol in het sociaal leven van de gewone man.
Tijdens de 19de en begin 20ste eeuw leefden en werkten de arbeiders in trieste omstandigheden, na hun lange en zware dagtaak vonden ze hier hun ontspanning en vergaten ze zo hun doffe ellende. In dit kleine café staan enkele typische herbergspelen van vroeger: het bakspel, het struifspel en de kruisboog. Aan de muur hangt een spaarkastje, met het zuinig gespaarde geld konden de stamgasten hun teerfeest betalen. Vrouwen dronken de Osschotse Bruine het liefst met een klontje suiker erin. Die werd fijn gemaakt met een stamper. Op de toog staat een stekjespikker (lucifers). Er werd niet alleen kwistig bier gedronken, er werd ook veel tabak gerookt, gesnoven en gesikt. Een sluitingsuur voor cafés bestond er niet. Als een klant teveel gedronken had, dan bracht de cafébaas het zagemannetje aan de gang en de klant begreep dan wel dat hij naar huis moest…’

* Tielt-Winge

~ Huize Hageland
Oude Pastoriestraat 22
3390 Tielt-Winge
tel. 016/63.38.48
www.tielt-winge.be
Open:
van mei t/m september elke derde zondag v.d. maand van 14:00u - 17:00u.

~ De heemkundige expositie bevat verschillende elementen die verwijzen naar caféomstandigheden van weleer:
* Oude herbergtoog, bierkannen, oude bierglazen, nog ‘gevulde’ flesjes originele Aarschotse Bruine van Tielemans, flesjes van Forto en andere lokale brouwerijen.
* Reclamebord van Aarschotse Bruine, paneel van brouwerij Morelle van Waanrode, mozaïekvloersteen van brouwerij Geniets, uithangbord met opschrift: ‘In denatenpoel’ - Ed. Vandael - Herberg.
* Herinneringen van activiteiten: gildes vergaderden er: brak van kolveniersgilde; fanfaremateriaal; duivenspel - regulateur; hanenkorf van het hanenvechten…maar dit is hier zeker verleden tijd… .



Brouwerijbezoeken

* Brouwerij van Hoegaarden
De originele uitbaters zijn momenteel de geslaagde uitbaters van brouwerij "CELIS" in "AMERIKA" doordat, hier, hun brouwerij hen werd ontnomen. (Gewettigde diefstal van eigendom en broodwinning).
Stoopkensstraat 24, 3320 Hoegaarden (nog steeds bestaand adres met het 'originele
???' Hoegaarden bier)...
tel. 016/76.98.23
Website van de nieuwe "eigenaar": www.interbrew.com
Het bezoek duurt ongeveer 1.30u waarbij op een originele manier wordt kennis gemaakt met de (gestolen) geschiedenis van de brouwerij.
Een multimediale en interactieve voorstelling toont het brouwen en bottelen van de Hoegaardse bieren. Men leert ook hoe "tegenwoordig" een Witte van Hoegaarden te tappen en men mag het degusteren. Bovendien krijgt iedere bezoeker nog een typisch Hoegaarden geschenk.
Toegangsprijs voor studenten 4 € p.p., niet-studenten 5 € p.p.
Individuele bezoekers en kleine groepjes kunnen zonder reservatie de brouwerij bezoeken:
Zaterdag: om 13:30u, 15:00u, 16:30u.
Zondag: om 10:30u, 13:30u, 15:00u en 16:30u.

* Brouwerij De Loterbol
(Huisbrouwerij vanaf 1995)
Michel Theysstraat 58, 3290 Diest
tel. 013/77.10.07
op afspraak.
Brouwerij De Loterbol


Verenigingen en folklore

* Regio Aarschot

~ De Aarschotse Bierwegers
Is een lokale afdeling van de ‘Objectieve Bierproevers’ en wil vooral kleinschalige ambachtelijk gebrouwen bieren en alternatieven promoten.
Aarschotse Bierwegers

* Regio Diest

~ Confrérie van het Gildenbier
Afdeling van de gilde van Tielebuis (stadskarnaval)
Promoten het Gildenbier door met een oude bierkar, getrokken door 2 Brabantse trekpaarden, activiteiten, vooral in Diest, op te luisteren.
De leden zijn uitgedost in het uniform van brouwersgasten.
Gilde van Tielebuis

* Regio Tienen

~ De grietmuilviering werd door de Wijkraad van Bost (Tienen) sinds 1982 terug tot leven gebracht door een stoop Hoegaards bier in te graven en een jaar te laten rusten…
Het gebruik zou aansluiten bij een soort biercultus, waarvan de oorsprong is verloren gegaan in de 19de eeuw.
Grietmuil wijst op een ‘zuur gezicht’ en verwees naar de uitdrukking op het gezicht na het drinken, vanwege de min of meer zerpe smaak indertijd van de eerste teug Hoegaards bier.
Het moest in juni, voor de ‘kriekentijd’ gebeuren want in die periode ‘draaiden’ dergelijke bieren gemakkelijk om in een soort azijn.
Het gebruik zou zijn oorsprong kunnen vinden in een ritueel ter verdrijving van heksen of aardgeesten die het in de ‘kriekentijd’ op het bier gemunt hadden...
De grietmuilviering