
“Tamera”,
zo heette ooit de Demer, en volgens naamkundigen zou dat niets
anders betekenen dan “zwart water” in de
Oude Keltische taal.
Zwart is het water van de Demer inderdaad gekleurd, vroeger van
de turf, vandaag helaas ook nog van sommige afvalwaters die
langs haar loop en die van haar bijrivieren geloosd worden.
De Demer ontspringt te
Ketsingen bij
Tongeren op het
Haspengouwse
leemplateau en mondt uit te
Werchter,
in samenloop met de Dijle.
Ze is 95 km lang en heeft als voornaamste bijrivieren de
Herk, de
Gete, de
Zwarte Beek en de
Velp.
Vanaf
Schulen, ten oosten van
Diest, tot aan haar monding
stroomt de rivier in talrijke
meanders door de brede vallei
waar ze ook nog het water opvangt van o.a. de Motte en de Winge.
Zij vormt er de grens tussen het Hageland en de Kempen (zie
Hageland).
De loop van de huidige Demer kwam in dit gebied tot stand na
verschillende ingrepen op de oorspronkelijke rivierbedding.
De sterk meanderende rivier werd namelijk op vele plaatsen recht
getrokken. Vooral tussen de monding te
Werchter en het vier kilometer
hogerop gelegen Blaasbroek komen vele afgesneden meanders voor.
Voor de beslissing, dat de
Demer in de
Dijle vloeide in Werchter (wat
duidelijk niet ECHT het geval is) was het de Demer die uitmondde in
de
Rupel.
De Dijle werd hier later voor aangeduid doordat die meer
debiet zou hebben. Nochtans lijkt de Dijle meer op een beek dan op een rivier, waar ze
zich in de veel bredere Demer stort (Werchter).
Ook in de stad
Leuven heeft de Dijle meer het
karakter van een gracht, een laak of een beek, dan dat van een
bevaarbare rivier.

De Demer vandaag (anno
2004).
Aanleiding
tot de rechttrekkingen waren het terugdringen van het
overstromingsgevaar en het vergemakkelijken van de scheepvaart.
Tijdens de middeleeuwen zouden overstromingen in de Demervallei
eerder zeldzaam geweest zijn, maar op het einde van de 15de eeuw
kwam hierin verandering. Eén van de oorzaken was de aanslibbing,
waardoor de bedding hoger kwam te liggen en zich soms ook
verlegde. Vooral tijdens de opstand tegen
Maximiliaan van Oostenrijk
(1488-1492), toen de Demerdijken slecht onderhouden werden,
kwamen overstromingen steeds veelvuldiger voor. In 1491 kwamen
de notabelen uit de streek samen om zich over de toestand te
beraden. Op aandringen van
Willem van Croy, heer van
Aarschot, werd een jaar later
door aartshertog Maximiliaan een aantal maatregelen getroffen
die het overstromingsgevaar moesten indijken. Letterlijk dan.
Demer en Dijle zouden tussen
Zichem en
Mechelen geruimd en verbreed
worden, dijken opgehoogd en sluizen geplaatst bij de monding van
de zijbeken.
In welke mate deze plannen uitgevoerd werden, is echter niet
bekend.
Wel was het zo dat de toestand niet veranderde en het
overstromingsgevaar in de 16de eeuw zelfs toenam.

's Hertogenmolens
Aarschot.
Tussen 1664
en 1666 werd stroomopwaarts van
Diest gedeeltelijk een nieuwe
bedding gegraven, maar het zou tot in 1753 duren vooraleer de
problemen groots werden aangepakt. Tussen
Zichem en
Mechelen werden toen zestien
bochten afgesneden en in 1772 volgden nog twaalf
meanders.
Zoals reeds vermeld, lag ook de verbetering van de scheepvaart
aan de basis van bovengenoemd beleid.
Tot in het midden van de 17de eeuw was de Demer één van de
belangrijkste verbindingswegen tussen het Hageland en
het land van Loon. Via de
Gete, die te
Halen in de Demer uitmondt, gaf
ze ook aansluiting met
Zoutleeuw en
Tienen. Steden als
Aarschot en
Diest hadden er dan ook een
behoorlijk deel van hun middeleeuwse bloei aan te danken. Reeds
tijdens de regering van
Karel V (1515-1555) bestonden
er grootse plannen om via de Demer een
Schelde-Maasverbinding tot
stand te brengen. Ze kregen nog meer vorm na de sluiting van
de Schelde in 1585, maar
budgettaire en politieke moeilijkheden maakten dat ze nooit
gerealiseerd werden.

Demersluis Aarschot,
begin XXe eeuw.
De Demer
verloor steeds meer zijn economisch belang, vooral na de aanleg
van de
Leuvense Vaart naar de
Rupel (1750-1763) en van
interstedelijke wegverbindingen. In 1786-87 kwamen er te
Zichem nog amper 78 schepen
voorbij in een periode van elf maanden.
Toch zou de oude droom van de Schelde-Maasverbinding levendig
blijven tot in de 19de eeuw en het idee werd pas definitief
verlaten na de aanleg van het
Albertkanaal in 1930-39.

* PROJECT
DEMERBROEKEN
Tussen
Langdorp,
Testelt en
Zichem ligt een groot
overstromingsgebied van de Demer, bekend als de Demerbroeken.
Ten noorden van de Demer en haar bijrivier de
Velp spreekt men van het
Vierkensbroek, ten zuiden ervan van het Doodbroek en de
Kloosterbeemden. Alles bij elkaar beslaan de Demerbroeken zo’n
400 hectaren natuurgebied. Tot rond de tweede wereldoorlog was
het grootste deel van het gebied nog één immense vlakte hooiland
met moerassen en open
turfputten.

De Demerbroeken vormden vroeger
een uitgestrekt
hooilandgebied. Populierenaanplantingen, waterpartijen en
ruigten met riet, grote
zeggen en vele andere soorten zijn
de laatste tientallen jaren in de plaats gekomen.
Maar de
tijden zijn veranderd. In de decennia na de tweede wereldoorlog
voltrok zich een landbouwomwenteling. Hooilanden verloren hun
economische waarde.
Grote oppervlakten werden door de landbouwers verlaten en
veranderden eerst in ruigten of rietvlakten en uiteindelijk in
broekbos.
Tientallen hectaren werden beplant met
populieren.
Hier en daar werden buitenverblijfjes opgetrokken en werden
percelen vergraven tot visvijvertjes. De waterkwaliteit van de
Demer en haar bijrivieren is er sterk op achteruit gegaan. Ook
werden beken, sloten en grachten verdiept, soms tot twee meter
onder het maaiveld.
De hele zomer komen bepaalde vochtige en moerassige delen van de
Demerbroeken
droog te staan.
Vooral in de Kloosterbeemden is die verdroging problematisch.

Het broek is nog steeds
het broedgebied van de
blauwborst,
rietgors,
kleine karekiet,
klapekster,
bruine kiekendief en van vele
andere soorten.
(Foto van blauwborst).
In 1987
kocht de
vzw Natuurreservaten voor het
eerst terrein aan in het Vierkensbroek. Enkele jaren later kocht
het Vlaams Gewest terreinen in het Kloosterbroek en in het
Doodbroek. Alles bij elkaar zijn nu zo’n 100 hectaren verworven.
De bedoeling is om met vereende krachten een Vlaams
natuurreservaat uit te bouwen.

Het Vierkensbroek in
Testelt
Het is
onbegonnen werk - en ook niet meer wenselijk - om de honderden
hectaren voormalige hooilandglorie volledig te herstellen. Er
moeten daarom keuzes gemaakt worden. Alle mogelijkheden die de
natuur in dit gebied in petto heeft, moeten tegen elkaar
afgewogen worden.
Op lange termijn zal naar afwisseling in vegetatietypen
gestreefd worden.

De bruine
kiekendief.

* KANAAL MET
COUPURES
De
geschiedenis van de Demer is een bewogen verhaal.
Honderden jaren lang is de Demer in het vroegere
hertogdom Brabant en latere in
de
Zuidelijke Nederlanden, een
belangrijke route geweest voor het vrachtverkeer tussen de
Brabantse steden
Zoutleeuw,
Tienen,
Diest,
Aarschot en
Antwerpen. Gaandeweg verloor de
Demer haar rol in het vrachtverkeer. Hoewel de scheepvaart op de
Demer omstreeks
de eerste wereldoorlog
definitief stilviel, is ze officieel nog steeds een bevaarbare
waterloop.

Aarschot:
Stoombrouwerij "Het Drossaerde" en Demerschuit.
(Een verdwenen stadsgezicht).
Momenteel
valt ze onder de bevoegdheid van de afdeling
Zeeschelde van het ministerie
van de
Vlaamse Gemeenschap. Het
vroegere belang van de Demer voor de scheepvaart, verklaart
waarom al in een ver verleden voortdurend kanalisatiewerken
werden uitgevoerd.
Alleen dank zij een ingenieus stuwsysteem was de scheepvaart
mogelijk. De stuw van Werchter op de Dijle maakte scheepvaart
mogelijk tot Aarschot. De stuwen aan de
‘s Hertogenmolens van Aarschot
en de molens van Testelt en Zichem maakten het de schepen
mogelijk Diest te bereiken. Vooral in de zomermaanden was het
belangrijk dat het water zoveel mogelijk vastgehouden werd.
Dat was nodig om de watermolens te laten draaien en om problemen
te vermijden met de diepgang van de schepen. Een positief gevolg
van het opstuwen was dat de beemden in de zomer nooit droog
kwamen te staan. Ook de talrijke coupures (afgesneden meanders)
bleven altijd met water gevuld.

Demermeander.
Ten gevolge
van de normalisatiewerken en het afschaffen van het stuwsysteem,
daalde tussen 1975 en 1982 het Demerpeil aan de limnigraaf
(toestel dat constant het peil van een rivier meet en
registreert) stroomafwaarts Aarschot zo’n 90 centimeter. Als
gevolg daarvan staan de meeste coupures in de zomer droog.
Coupures bleken ook uitgelezen plaatsen om afval in kwijt te
raken. Sommige werden volledig opgevuld met puin of grond, of
werden zelfs als gemeentelijke stortplaats gebruikt.
Rond sommige coupures verschenen weekendverblijven. In andere
werd een onnatuurlijk visbestand uitgezet. Recente inventarissen
van fauna en flora in de nog waterhoudende coupures tonen dan
ook een sterk verarmde toestand aan.
De redenen daarvan zijn de geringe diepte, de hoge
bemestingsgraad en het uitzetten van uitheemse soorten voor de
hengelsport.
Ondanks de verwaarlozing, bieden de talrijke coupures tot op
heden een unieke kans voor natuurherstel.
Het Vlaams Gewest doet dan ook
een inspanning om een deel ervan aan te kopen. In sommige
coupures zal de aangeslibde bodem moeten worden verdiept. Andere
coupures hebben dan weer een schoonmaakbeurt nodig. In alle
gevallen zal rond de coupure een buffer moeten worden aangelegd
om verstoring tegen te gaan of negatieve invloeden op de
waterkwaliteit te vermijden.

*
OVERSTROMINGEN - EEN ONNATUURLIJK OVERWICHT

De eerste
landbouwers in onze gewesten zijn zo’n zesduizend jaar geleden
begonnen met ontbossen. Die ontbossingen bestreken steeds
grotere oppervlakten. Onder
de Romeinse overheersing was
ongeveer een derde van de totale oppervlakte ontbost. Na de
Romeinse periode konden de bossen zich gedurende een paar eeuwen
opnieuw spontaan uitbreiden, maar in de tweede helft van
de Middeleeuwen werden ze
nagenoeg volledig gerooid.
Die grootschalige ontbossingen hebben ingrijpende gevolgen gehad
voor onze beken en rivieren. Aaneengesloten woud heeft immers
een stabiliserende werking op de hele waterkringloop. In ons
klimaat dringt slechts een derde van het regenwater dat op een
gevarieerd loofbos valt, naar diepere grondlagen door. Bij
akkers en graslanden is dat veel meer. Bos verhindert
daarenboven dat water en grond oppervlakkig afspoelen.
Het resultaat van de ontbossingen, vooral sinds
de late Middeleeuwen, is dat de
rivieren een onregelmatig regime gekregen hebben, met hoge
winterafvoeren waarbij veel afgespoelde grond uit de
landbouwgebieden wordt meegevoerd. Dit verklaart de typische
winteroverstromingen, waarbij elke keer een laagje
sediment in de vallei
achterblijft.
Daarbij komt nog dat door de toenemende bestrating en riolering
steeds meer regenwater niet eens meer in de grond kan dringen,
maar rechtstreeks naar het oppervlaktewater wordt geleid.
Ook de hoge piekdebieten van onze rivieren na elke zware
regenbui, zijn dus het gevolg van menselijk handelen.

De Demer in
Zichem. (De Maagdentoren
Zichem).
Dat de
rivier jaar na jaar een laagje slib in de vallei achterlaat,
heeft ook bepaalde gevolgen.
Zandkorrels zijn het zwaarst en bezinken bij elke overstroming
onmiddellijk naast de rivier.
De fijnste leem– en kleideeltjes worden met het water verder de
vallei ingevoerd. Daardoor ontstaat naast de rivier een iets
hoger gelagen zandige oeverwal. Verder van de rivier ontstaat
een lager gelegen
komgrond. Zowel de vallei als
de rivier komen door dit proces in de loop van de eeuwen steeds
hoger te liggen.
De
Dijle en de Dijlevallei ten
noorden van
Leuven zijn als gevolg van het
grotere sediment transport sterker opgehoogd dan
de Demer. Dat zou tot gevolg
hebben gehad dat de Winge niet meer in de Dijle kon uitmonden en
daardoor naar het noorden werd afgebogen.
Ook voor de Demer heeft de ophoging van de Dijle gevolgen gehad.
Het verval van de Demer tussen Aarschot en Werchter nam af, wat
de sterke
meandering van de Demer zou
verklaren. Terwijl in de Dijlevallei ten noorden van Leuven zeer
goede landbouwgronden ontstonden, konden de valleigebieden van
de benedenstroomse Demer en de Laak enkel als natte beemden
gebruikt worden.

De stuwdam in Diest.

* IEDER
NATJE ZIJN DROOGJE
Vanaf de
“Golden Sixties” veranderde het landschap in de Demervallei
grondig. Scheepvaart was er al lang niet meer. De Demer werd
verder rechtgetrokken, verdiept en tussen hogere dijken gelegd.
De winterse overstromingen die sinds mensen’s heugenis de
beemden blank zetten, werden niet meer getolereerd. De relatie
tussen de rivier en haar vallei werd verbroken. De stuwen
verloren één na één hun functie en raakten in verval. De stuw
van Werchter werd zelfs volledig verwijderd. Daardoor wordt het
water in de zomer niet meer opgehouden en zakt het Demerpeil
enkele meters onder het maaiveld. Het hele onderwatersysteem van
de vallei is verdiept, zodat nu het grondwater tijdens de zomer
op veel plaatsen te laag staat. Natuur en landbouw lijden onder
die verdroging.

Op
initiatief van de afdeling Water van
AMINAL werd begin 1996 het
Integraal Waterbeheersproject (IWP)
voor de Demer opstart.
Tegen het einde van 1998 moesten voorstellen op tafel liggen
voor een nieuw beheer van de Demer.
Uitgangspunten zijn dat vooral in de zomer het Demerpeil hoger
moet komen, dat bij hoge waterstanden de natuurlijke
bergingscapaciteit van de vallei maximaal aangesproken wordt en
dat de veiligheid niet in het gedrang mag komen.

De stuwdam in Hoeselt
(Limburg).

* OPNIEUW
EEN LEVENDE DEMER?

In de
bovenloop van de Demer worden nog steeds grote hoeveelheden
ongezuiverd huishoudelijk afvalwater geloosd.
Stroomafwaarts van
Diest, richting
Aarschot, is er evenwel een
duidelijke kentering ten goede merkbaar. Toch is er nog een
lange weg af te leggen. In vergelijking met nog geen eeuw
geleden missen we van het toenmalige natuurlijke visbestand nog
steeds elf soorten in het Demerbekken.
Er is dan ook veel meer nodig dan een verdere verbetering van de
waterkwaliteit. In de Demer zelf moeten opnieuw ondiepe en diepe
plaatsen, plekken met snelstromend en met stilstaand water,
beschaduwde en zonbeschenen stukken voorkomen. Waar hindernissen
aanwezig zijn, moeten watertrappen gebouwd worden of lange
omleidingen gemaakt worden, zodat de waterdieren toch
stroomopwaarts geraken.
 
Klik op het logo of in de
afbeelding voor meer info ...

Zo werd in
het voorjaar van 2008 het natuurrichtplan voor de Demervallei
tussen Diest en Aarschot goedgekeurd. Ook daar is een website
beschikbaar, via "www.mina.be/natuurrichtplan.html".
Dit natuurrichtplan geeft aan welk type natuur op welk perceel
wordt nagestreefd; grasland, moeras, open water, wilgenstruweel,
elzenbroekbos, ... en houdt zeker en vast niet alleen verbods-
en gebodenregeltjes in. Je krijgt ook subsidies als je zelf een
leuk idee tot uitvoering kunt brengen voor een meer natuurlijke
Demervallei.
* Bijvoorbeeld:
~ Meer
natuurvriendelijk boeren (met extra mogelijkheden voor
beheerovereenkomsten botanisch beheer).
~ Als particulier, als groep aangrenzende eigenaars of als
vereniging een natuurproject(je) in de vallei uitwerken
(bvb. een grasland meer natuurvriendelijk onderhouden, een
haag aanplanten, ...).
~ Als boseigenaar een populierenaanplant omzetten naar een
meer ecologisch interessant bosbestand.
Of
misschien heb jij een idee dat helemaal niets hoeft te
kosten, maar dat je gewoon niet alleen kan realiseren?
Zo help ook jij mee aan een nieuw kleedje voor de
Demervallei om volgende zomers mee te genieten van een nóg
mooiere vallei.
Voor je
ideeën en (of) voor meer info en hulp bij de uitwerking van jouw
idee kun je mailen naar:
jeroen.jansen@rlnh.be of
telefoneer naar het volgend nummer:
+32 016 / 61.92.29.

De Laak in Aarschot. (Klik in
de afbeelding voor meer info).
Tot ongeveer midden de jaren 1900 werd de laak gedeeltelijk
gebruikt als zwembad en zomers recreatieoord.
Iets wat we ons niet meer kunnen voorstellen.
Andere zijrivieren werden gewoonweg dichtgegooid.
Het Laaksluizeke werd terug in ere hersteld.
(Zijrivier van de Demer)

    

 |