HAGELAND, BOSLAND

In 1849 publiceerde de Leuvenaar Eugéne Gens (1814-1881), geschiedenisleraar aan het atheneum van Antwerpen, een boekje met als titel: “Ruines et paysages de Belgique”. In een met romantiek doordrenkte stijl beschreef hij daarin een reis die hem langsheen een aantal pittoreske landschappen en mysterieuze monumenten voerde. Als eerste streek doorkruiste Gens de oostelijke omgeving van Leuven. Zijn romantische tocht leidde hem langsheen de abdij van Vlierbeek (Kessel-Lo), het kasteel van Horst te Sint-Pieters-Rode, de Wijngaardberg te Wezemaal en de voormalige abdij Vrouwenpark te Rotselaar. Op weg van Vlierbeek naar Horst trok de auteur, eens de dorpskom van Linden voorbij, het Hageland in. Daar trof hem het contrast met het voorbijgaande, open landschap: “Wij begonnen opnieuw de heuvels te beklimmen langs een holle weg, diep als een ravijn. Maar wij waren nu aangekomen in de streek van de naaldbomen: geen uitzichtpunten meer, geen verre horizonten.
Niets dan oneindige pijnbossen, doorsneden met liniaalrechte dreven.
Deze pijnbossen hebben het dichte struikgewas vervangen dat in de middeleeuwen heel deze streek bedekte en waaraan ze de naam te danken heeft waarmee de landlieden haar nog steeds aanduiden: Haegeland, “C’est le bocage brançon”, schreef Gens. Hij vergeleek het Hageland met de “bocage”, het met dicht kreupelhout begroeide binnenland van Normandië en de Vendée in Frankrijk, een ruig en moeilijk toegankelijk gebied, waar bannelingen meermaals een laatste toevluchtsoord vonden. Volgens Gens was dat ook in het Hageland het geval geweest tijdens de Boerenkrijg (1798), toen “brigands” er zich schuilhielden.
De Franse bewindslieden zouden de naam van deze streek met huiver hebben uitgesproken. Onze gids kon het weten, want toen hij als jonge knaap het Hageland verkende, was hij bevriend geraakt met een oude aanvoerder van de Boerenkrijg, die in het bos als houthakker een eenzaam bestaan leidde
. (Jan Van Haesendonck uit Aarschot).
Gens had het bij het rechte eind wanneer hij aan de naam Hageland de betekenis toekende van “bosland”. Meer genuanceerd betekent de naam eigenlijk: “land, begroeid met dicht kreupelhout, schaarhout of hage”.
De naam werd gegeven na de grote ontginning in de middeleeuwen, toen in Brabant het Hageland als bosrijk gebied was overgebleven.
Haar beboste karakter onderscheidde de streek tot diep in de 19de eeuw van de omliggende gebieden Haspengouw en Kempen, waar het open landschap van akkergebieden of uitgestrekte boomloze heide domineerde.

DE PLOOIVAL VAN HET LAND,
EEN GESCHENK VAN DE ZEE.

Niemand is er al in geslaagd de grenzen van het Hageland eenduidig af te bakenen. Dat is ook niet zo verwonderlijk, want in feite is deze streek een overgangsgebied tussen het zachtglooiende, vruchtbare leemplateau van Haspengouw in het zuiden en de schrale zandgronden van de Kempen in het noorden.
Meestal wordt het Hageland gesitueerd binnen de vijfhoek gevormd door de steden Aarschot, Tienen, Zoutleeuw, Diest en Scherpenheuvel-Zichem. De brede vallei van de Grote Gete vormt alzo min of meer de zuidoostelijke grens van dit gebied, terwijl de Demervallei fungeert als noordergrens tussen het Hageland en de Zuiderkempen. Toch zijn er ook aan de overkant van de Demervallei kenmerken terug te vinden van het Noord-Hagelandse landschap, met name enkele heuvels van roestbruine ijzerzandsteen. Het karakter van overgangsgebied blijkt duidelijk uit zowel de bodemgesteldheid als het reliëf. Wanneer men van zuid naar noord doorheen het Hageland trekt treft men steeds minder vruchtbare bodems aan: van leem tot zandleem in het zuiden en het centrum tot lemig zand en zand in het noorden met, rond Aarschot en in de Hagelandse Demervallei, zware plakkerige kleigronden. Het reliëf van deze overgangszone is sterker geaccentueerd in het noordelijke deel van het Hageland. Daar treft men de ijzerzandstenen heuvels aan in hun meest uitgesproken gedaante. Het reliëf van de Wingevallei ziet er uit als een fraaie plooienval, waarin langgerekte, ongeveer even hoge heuvelruggen en glooiende valleien elkaar in een elegant ritme afwisselen.
De heuvels strekken zich alle van westzuidwestelijke naar oostnoordoostelijke richting uit. Dezelfde oriëntatie vindt men in België nog op andere plaatsen. Zo strekken de heuvels van de Condroz, maar ook de zandbanken voor de Vlaamse kust, zich in dezelfde richting uit.
Hendrik Conscience, die het Hageland bezocht, zal er zich wel geen rekenschap van gegeven hebben hoe dicht hij de waarheid was genaderd toen hij in zijn roman “De plaeg der dorpen” (1855) schreef:
“Ik was er nu, in dit schoone land, waer met plaetsen de grond bewogen is door heuvelen en diepten als waren daer eens, gedurende een tempeest, de golven der onstuimige zee plots met verstening verrast geworden …”

 

 


Het is inderdaad zo dat tijdens het Tertiair, een geologisch tijdperk dat gesitueerd is tussen 70 miljoen en 1 miljoen jaar geleden, ons land verscheidene fasen van transagressies en regressies van de zee heeft gekend.
Ook de Wingevallei kwam geregeld onder water te liggen.

Op het einde van dit Tertiair, nu zo’n 15 miljoen jaren geleden, kwam de zee een laatste maal over de streek. In deze zee ontstonden sterke getijdenstromingen en werden zeer dikke lagen glauconiethoudende zanden afgezet, terwijl ook diepe geulen geslagen werden in de oudere afzettingslagen. Het glauconiet bevatte veel ijzer. Toen de Diestiaanzee zich zowat 7 miljoen jaar geleden begon terug te trekken, traden de zandbanken in contact met de lucht. Zij begonnen te verharden en door oxidatie van het ijzer kregen deze zandbanken hun typische roestbruine kleur. Naarmate de zee zich verder terugtrok, werden de geulen tussen de zandbanken steeds dieper uitgespoeld. Uiteindelijk bleef een oeroud zandbankenlandschap achter op het drooggekomen land.

Tijdens de laatste ijstijd voerden windstormen zand en leem aan en bedekten ze daarmee de heuvels. Dit materiaal gleed door de werking van de vorst en regen echter van steile heuvelhellingen af, waardoor op de toppen de tertiaire steenlaag weer aan de oppervlakte verscheen.
Zo vormde zich de bodemverscheidenheid van het noordelijke deel van het Hageland: schrale, stenige heuvels, waar het tertiaire gesteente dagzoomt, lemig zand aan de voet van de heuvelhellingen en jongere kleiafzettingen in de rivierdalen. De geologische benaming “Diestiaan” die men aan de ijzerzandsteen gegeven heeft, is afgeleid van het stadje Diest, dat ten midden van dergelijke ijzerzandstenen - opduikingen gelegen is.
Deze ijzerzandsteen is generaties lang gebruikt voor de belangrijke bouwwerken in het Hageland en een flink deel van de Zuiderkempen.
Hij vormt één van de unieke kenmerken van de zogenaamde Demergotiek, een variant van de Brabantse gotiek, doorheen het Hageland.

DE HISTORISCHE BEGROEÏNG EN
DE OUDSTE NEDERZETTINGEN.

De meest spectaculaire sporen van de oudste aanwezigheid van de mens in de Hagelandse heuvelstreek werden vrij recent ontdekt. Bij grootscheepse baggerwerken voor de aanleg van de E.314-autoweg, heeft men op het einde van de jaren 1970 te Rotselaar massa’s artefacten opgedolven uit de Oude Steentijd (Midden-Paleolithicum, ca. 100.000 - 35.000 vóór onze jaartelling), naast tientallen fossiele resten van mammoeten, wolharige neushoorns en andere dieren, die hier ronddwaalden tijdens de laatste ijstijd. Men neemt aan dat de toenmalige jagers de heuvelruggen benutten als uitzichtpunten, vanwaar de rondtrekkende kudden wilde dieren gemakkelijk gezien konden worden.

Na deze periode valt er een groot hiaat in de bewoningsgeschiedenis en pas in het Mesolithicum (Midden-Steentijd, ca. 8.000 - 5.400 vóór onze jaartelling) duikt de mens weer op in het Hageland. Uit deze periode vond men bewoningssporen op kleine zandige verhevenheden in of aan de rand van de brede alluviale valleien, zoals deze van de Winge te Holsbeek (ca. 7.000 vóór onze jaartelling). Tijdens het daaropvolgende Neolithicum ging de mens een sedentair bestaan leiden en verschenen de eerste landbouwers. Te Assent bij Diest heeft men sporen gevonden van de Michelsbergcultuur (ca. 3.400 - 2.800 vóór onze jaartelling).
De Keltische aanwezigheid blijkt uit een grafveld uit de Halstattperiode (ca. 700 - 450 vóór onze jaartelling).

De Keltische aanwezigheid blijkt uit een grafveld uit de Halstattperiode (ca. 700 - 450 vóór onze jaartelling) te Schaffen, grafvelden te Langdorp (Aarschot) en een versterkte vluchtnederzetting op de Kesselberg (regio Leuven), waarvan de aarden wal nog gedeeltelijk zichtbaar is.
Beide laatste relicten dateren uit de La Tène-periode, die gesitueerd wordt tussen 450 en 57 vóór onze jaartelling.
Dit laatste jaartal markeert de komst van de Romeinen in onze gewesten.
In het noorden van het Hageland heeft men echter zeer weinig sporen van Romeinse bewoning gevonden, dit in schril contrast met de vruchtbare streek rond Tienen. In het Hageland domineerde een gesloten bosmassief tot in de 11de eeuw het landschap. Het Hagelandse “oerwoud” was oorspronkelijk een onderdeel van het immense Kolenwoud, dat zich in de Romeinse periode uitstrekte van het noorden van Henegouwen tot aan de Demer en de Gete. Hedendaagse restanten van dit woud zijn in Vlaams - Brabant het Walenbos, Troostembergbos, Heverleebos, het Meerdaalwoud, het Zoniënwoud en het Hallerbos.
Aan dat oerbos herinneren in het Hageland nog plaatsnamen als Stok, Horst, Linden, Schoonderbuken, Boekhout, Berkt, Elst, Eekt en Boekt en oude bosnamen uitgaand op –hout, -lo, -bos, -haag en –hees. Ook de talrijke voorkomende rooïngsnamen, zoals rode en rot, verwijzen naar de oorspronkelijke begroeing.
Toen de Franken zich vanaf de 4de - 5de eeuw in onze gewesten "kwamen vestigen", zochten zij de vruchtbaarste gebieden op met lichte, gemakkelijk te bewerken gronden. Vandaar dat hun keuze viel op het zandleem en leemgebied van Haspengouw, dat reeds intens door de Romeinen in cultuur was gebracht. Er ontstonden opvallend veel nederzettingen rond Tienen en Landen.


DE GROTE ONTGINNINGSBEWEGING EN
HET ONTSTAAN VAN HET DORP.
(10de - 13de eeuw)

De Wingevallei was door de Frankische landinname weinig beroerd en had daardoor zijn bebost karakter behouden. Vanaf de 10de eeuw kwam in gans West-Europa door de toenemende bevolkingsdruk echter een massale ontginningsbeweging op gang en die zou ook in het Hageland diepe sporen nalaten. Deze ontginningsbeweging liep door tot diep in de 13de eeuw en werd doorheen haar verschillende fasen steeds grootschaliger.

Het precieze verloop van deze ontginningsgolf in het Hageland is nog niet onderzocht. Haar weerslag is er echter onmiskenbaar en het landschap dat toen gevormd werd, bleef bestaan tot diep in de 19de eeuw en vormt nog steeds het grondpatroon van het hedendaagse uitzicht van de streek. Typisch voor deze periode zijn de talrijke rode-toponiemen.
Rode is afgeleid van het werkwoord “rooien”, ontginning door rooiing van het bos. De meeste Hagelandse rode-namen zouden uit de 11de en 12de eeuw dateren. Sommige rode-namen moeten echter ouder zijn dan het jaar 1000. De naam “Rotselaar”, een gerooide piek in het bos, dateert bijvoorbeeld van vóór 1044. Misschien is ook Rode, later voorafgegaan door de naam van de parochiepatroon Sint-Pieter, een vrij oude rode-naam. Uit de 11de of de 12de eeuw lijken ook dorpsnamen te stammen zoals Houwaart (hold-ruth = hout-rode = bos-rode), Nieuwrode, Gelrode, gehuchtnamen zoals Robbesrode en Reinrode en een groot aantal veldnamen waar in het bestanddeel “rot” zit.


Nieuwrode.
Deze oude dorpskern ligt aan de
helling van een heuvel. (De Kraaikant).

De weerslag van de ontginningsbeweging was enorm op het ganse territorium van de Wingevallei in het Hageland. De streek bleef weliswaar haar aloude aanblik van bosland behouden, maar in het bos waren door de ontginningen evenwel cultuureilanden geschapen, waardoor het zijn aaneengesloten karakter verloren had. De bossen werden verder ook onderbroken door de drassige hooi– en moeraslanden in de brede valleien. Alleen waar de heuvelhellingen het steilst en de gronden het schraalst waren, bleef een uitgestrekt bosmassief over dat zich aan de zuidkant van de Demervallei uitstrekte tussen de Dijle en de Gete.
In deze Hagelandse Wingevallei verscheen een nieuwe nederzettingsvorm: “het driesdorp” en het “driesgehucht”.
De dries was een min of meer ruim plein, waarrond zich op een zekere afstand van elkaar de landbouwerswoningen schikten. De meest voorkomende vorm van de dries was in het Hageland de rechthoek, maar er waren ook driehoekige of onregelmatige driesen en soms was het niet meer dan een verbreding van de centrale dorpsweg. Dit dorpsplein was gemeenschappelijk bezit van de omwonende landbouwersgemeenschap. De boeren gebruikten de dries in de eerste plaats als verzamelweide voor de dorpskudde. Overdag hoedde de dorpsherder het vee op het braakland of op de gemeenschappelijke weiden. ‘s Avonds werd de kudde terug naar het plein gedreven, waarna elk dier op stal ging. Vaak was er op de dries een gemeenschappelijke drinkplaats - een put of een vijver - voor mens en dier. Overigens werd de dries meestal aangelegd langsheen of in de onmiddellijke nabijheid van een waterloop.
Later ging de dries ook andere gemeenschappelijke functies vervullen.
Vaak werd de kerk gebouwd op of aan de rand van de dries, waarrond dan het kerkhof werd aangelegd. De schepenbank sprak er recht en in sommige dorpen was een deel van het plein voorbehouden aan de schuttersgilden, die er tussen twee bomenrijen hun doelen opstelden.
Het moet intussen duidelijk geworden zijn dat niet alleen de stad maar ook het dorp, en zeker het Hagelandse “nieuwe” dorp, een creatie is van de Middeleeuwen.


Sint-Pieters-Rode.

Naast de driesdorpen en de driesgehuchten ontstonden ook de grote, geïsoleerde hoeven. Ze lagen verspreid in het landschap en werden gebouwd door grootgrondbezitters, autochtone herenboeren, kapittels, abdijen of rijke poorters uit de steden, die kapitaalkrachtig genoeg waren om een groot stuk woeste grond in cultuur te brengen.
Deze grote hofsteden werden vaak de zetel van een plaatselijk riddergeslacht en hun bezitters vervulden als lokale notabelen in ieder dorp de hoge bestuurlijke en juridische ambten.
Sommige dorpen waren tenslotte sinds de 12de of de 13de eeuw de zetel van een voornaam adellijk geslacht, waarvan sommigen verregaande bestuurlijke en rechterlijke autonomie genoten binnen hun domein of “heerlijkheid”.
Opvallend is dat, in tegenstelling tot het zuiden van het Hageland, de Wingevallei bestond uit een langgerekte band van grote heerlijkheden, met name: Wezemaal en het “Land” van Rotselaar naast Aarschot, Zichem en Diest. Deze “Landen” omvatten meerdere dorpen en in de drie laatstgenoemde gevallen zelfs een “heerlijke” stad.
De heren resideerden in een adellijk kasteel dat oorspronkelijk twee delen omvatte: een opperhof, bestaande uit een aarden heuvel of motte met daarop een donjon of woontoren en een neerhof met de hoevegebouwen. Ook de vele kleinere riddergeslachten uit de streek bouwden als teken van hun prestige en sociaal aanzien op hun hoevedomein een woontoren, meestal van kleinere afmetingen dan die van de adel.
In de middeleeuwse Wingevallei moet de donjon, net zoals de kerktoren, een vertrouwd beeld geweest zijn in het landschap.
Enkele mooie voorbeelden uit de late middeleeuwen - midden 14de tot 15de eeuw - zijn bewaard gebleven: de toren Ter Heide te Rotselaar en de donjon van het kasteel van Horst te Sint-Pieters-Rode.
De laatste jaren is het Hageland terug in heropleving door toedoen van zijn gevarieerde toeristische waarden en de herontginning van de Hagelandse wijnen, samen met uiteenlopende Hagelandse specialiteiten op gebied van gastronomie.
* Meer gepubliceerde informatie kun je verkrijgen bij de infokantoren in het Hageland.



De Kranenveldhoeve (Werchter)