







































 |







De nachten
worden kil. De dagen grauw en grijs. De herfst heeft zijn
intrede gedaan. Toch heeft elk seizoen iets speciaal en zijn
eigen charme. Het loof in het bos verandert in een kleurpalet
van groen over geel naar rood en bruin. Door de mistslierten
merkt men opgeschrikt wild. In de verte klinkt het schallen van
de jachthoorns en het knallen van de geweren.
* Blazen in de hut
Tien jaar geleden, toen de jagers nog de kop van jut waren, werd
door toedoen van dokter Van Olmen uit
Herent een eeuwenoude traditie
opnieuw tot leven geroepen en in ere hersteld: het
jachthoornblazen. In een jachthut in het
Meerdaelwoud in
Oud-Heverlee bliezen ze met
zijn vijven hun eerst noten. Vandaar hun naamkeuze:
‘Jachthoorngezellen van
Meerdaelwoud’. Gezellen omdat
ze ervan overtuigd zijn dat er altijd wat te leren valt.
‘Meerdaelwoud’ omdat ze in dat prachtige woud hun eerste noten
hebben geblazen met als doel het jachtgebeuren en zijn heerlijke
producten te promoten.
Thans telt de groep zeventien leden die allen met hart en ziel
nauw betrokken zijn bij het oude jachtgebeuren dat, zoals in
alle perioden van de geschiedenis, aangepast is door wetten en
aan onze leefgewoonten en ethiek. De leden Louis, Dirk, Bruno,
Noël, Hans, Bert, John, Willy, Greta, Benny, Vera, Jan, Wim,
Eddy, Marc, Guy en Paul werden pas na één jaar stage in algemene
overeenstemming aangenomen.
“Tot onze doelstelling behoort het bevorderen van de weidelijke
jacht en evenzeer brengen we eer aan het wild”, zegt Paul Van
Bruystegem, kapelmeester en medestichter van de gezellen.
“Daarnaast luisteren we een aantal gebeurtenissen op die met
jacht te maken hebben, onder meer Sint-Hubertus vieringen,
jachtdiners, festiviteiten rond paarden en honden en natuurlijk
het jachtgebeuren zelf”, vertelt de kapelmeester.
* Wild in bloei brengen
Het verdrukken van minderheden zoals jagers, vissers, ruiters,
boeren e.a. is een laakbaar feit en toch hedendaags. Neem de
jagers, bijvoorbeeld. Vóór je kunt jagen, moet je wel eerst
zorgen dat er wild is.
Als je 'ma en pa konijn' doodschiet, is het gedaan met jagen.
Als jager moet je ook het wild in ‘bloei’ brengen. Zo zal je
geen enkele natuurgebruiker vinden die het wild liever ziet dan
de jager.
Hij is zoals de schaapherder die zijn dieren beschermt en
verzorgt tot de dag van het slachten en het afscheid aanbreekt.
Een levenswijsheid van de boer namelijk ‘Wie ploegt, zaait en
wiedt zal gezonde vruchten oogsten’, geldt ook voor de jager.
Zonder de boer zou er hongersnood zijn en zonder de jager komt
er weinig of geen wild op tafel.
De plaats van het gebeuren is voor beiden gelijk, namelijk veld,
bos, weide, natuur”, aldus de kapelmeester.
Het instrument dat de ‘Jachthoorngezellen van Meerdaelwoud’
bespelen is zeer oud. In de 17de eeuw werd de jachthoorn aan het
Franse hof rond de hals gedragen door jagers te paard. Hij
diende om signalen te geven en de smaakvolle afwisselende
wildbanketten op te luisteren. Hij is de voorloper van de
huidige Franse jachthoorn, maar wel met een totaal andere
klankkleur en timbre. Voor het spelen van muziekstukjes beschikt
men over slechts vijf natuurtonen die met de lippen gevormd
worden. Vandaar soms ook de naam ‘natuurhoorn’.
“Onze jachthoorns begeleiden het gebeuren van de jager.
Hij geeft signalen tijdens de jacht zodat die goed kan verlopen.
Hij brengt ook eer aan het wild, zodat dit met het nodige
respect wordt behandeld.
In de natuur zijn leven en dood sterk in elkaar verweven en, of
wij het willen of niet, wij moeten het beleven”, besluit Paul
Van Bruystegem.
(Naar een
artikel van Frans Vandewijngaerden)





De jacht is
weer open en dus kan men weer zowat overal in ons land terecht
voor één of andere viering van de
patroonheilige van de jagers,
boogschutters ,de jacht en jachthoornblazers maar ook van
bontwerkers, bosarbeiders, metaalarbeiders, machinisten,
rekenkundige, de landmeters, de slagers en zelfs van de
opticiens.
In Vlaanderen is nauwelijks een parochie te vinden waar de
populaire Sint-Hubertus niet in hoog aanzien staat.
Wie was die man en hoe zat dat nu ook alweer met dat hert met
een lichtgevend kruis in het gewei?
* Flierefluiter
Over de historie Hubertus bestaan nogal wat twijfels. Zijn
levensverhaal werd immers pas 800 jaar ná zijn dood
‘gereconstrueerd’ door een zekere pater Zeebots (1665).
Aangenomen wordt dat hij rond 656 in
Maastricht is geboren uit een
zeer adellijk geslacht, dat van
koning Clovis. In zijn jeugd
moet hij een gevierd flierefluiter geweest zijn, uitermate
geliefd bij vorsten en meer nog bij het jonge vrouwenvolk.
Om politieke redenen moest hij Frankrijk verlaten en verhuizen
naar het hof van
Pepijn van Herstal, waar hij
hofmeier wordt. Die Pepijn is de grondlegger van het
Karolingische Rijk.
In 682 trouwt Hubertus met Floribanne, de enige erfdochter van
Dagobert, graaf van
Leuven. Bij de geboorte van hun
zoon Floribertus sterft Floribanne en daarop geeft Hubertus al
zijn titels en wereldse bezittingen op. Zijn plotse ‘bekering’
heeft er dus voor gezorgd dat hij niet voorkomt in het rijtje
van het Leuvense gravenhuis.
* Heidense oorsprong
Nu was Hubertus een fervente jager en hier ontstaat dan de
legende van
het
lichtende kruis tussen het gewei van een hert. Die legende wordt
pas in de 15de eeuw, dus bijna achthonderd jaar ná zijn dood,
aan zijn persoon gekoppeld. Nu was Hubertus niet de enige
heilige met een dergelijk verhaaltje achter zich. Ook
Sint-Eustatius, aartsdiaken
Meinolfus van
Paderborn, de heremiet
Felix van Valois en de
Zwitserse heilige
Ida von Toggenburg zouden ooit
zo’n eigenaardig lichtgevend hert tegen het lijf zijn gelopen.
Feit is dat die legende een voorchristelijke oorsprong heeft en
teruggrijpt naar
Cernunnos, onze Keltische God
die in heel
Gallië werd, en terug wordt,
vereerd. Deze Grote God wordt afgebeeld met een imposant gewei
en zijn naam betekende ‘de Gehoornde’. Hij is de Grote God van
het woud, de wilde dieren en van de overvloed. Hij is ook de God
van het Licht. Hij staat voor kracht, potentie en voortbestaan.
De Romeinen stelden hem gelijk aan hun boodschappergod
Mercurius.
Onze Keltische Godheid "Cernunnos"
heeft nog een oudere stamvader.
In de derde eeuw voor Christus regeerde de Singalese vorst
Devanampiya Tissa
over Sri Lanka. Jok was de stichter van
Anuradha-pura, een bij
toeristen goed gekende stad. Deze vorst zou ook een hert met een
oplichtend gewei hebben ontmoet en heeft zich daarop bekeerd tot
het boeddhisme. Waarschijnlijk is het verhaal via India en
Mesopotamië bij de Kelten
terecht gekomen.
Zelfs zijn feestdag (3 november) heeft een heidense oorsprong.
In de Ardennen was het eeuwen lang de gewoonte dat de jagers op
1 november het eerste jachtwild offerden aan de goden van het
woud. Oorspronkelijk liet de Roomse kerk de feestdag van
Hubertus dus ook op die dag plaatsvinden. Pas achteraf kwamen de
feestdagen Allerheiligen en Allerzielen erbij en daarmee moest
Hubertus opschuiven naar 3 november. De oorspronkelijke benaming
en dag van dat feest is Samhain, op 31 oktober, het aloude
Keltische Nieuwjaar en het hedendaagse heksennieuwjaar, heden
alom gekend als ‘Halloween’ (zie Samhain).
* Bisschop en
heilige
Na de ontvangst van de gehoornde boodschap, werd Hubertus
priester gewijd door Lambertus, bisschop van Maastricht.
Toen die vermoord werd, volgde Hubertus hem op. In 1710 stichtte
hij het klooster Andage in de
Ardennen. Hij stierf in
Tervuren in 727, werd, in
Luik begraven en op 30
september 825 ‘herbegraven’ in zijn klooster in Andage, dat van
toen de naam Saint-Hubert kreeg.
Hubertus kreeg meteen na zijn dood een stapel mirakels op zijn
naam (zomaar ineens). Eeuwen lang werd hij (door de katholieken)
aangeroepen tegen
hondsdolheid. Zeer effectief
trouwens, tot
Louis
Pasteur ontdekte hoe
rabiës echt verspreid wordt.
Dat belette niet dat de onderpastoor van Sint-Jacob in Leuven
nog in augustus 1888 een gebeten man, met zijn zegen, op
bedevaart stuurde naar de abdij in Saint-Hubert. Drie maanden
later, op 6 november 1888 stuurde hij een zekere Petrus Depain
voor alle zekerheid toch maar naar het
Pasteur-instituut in
Parijs.
Wie zijn huisdier wil laten ‘zegenen’, moet zeer binnenkort
beslist naar de
Sint-Hubertusviering in
Tervuren. Misschien bespaar je
hierdoor een bezoekje aan de dierenarts?... Of niet?...
 


Een overvloed aan everzwijnen
in de Ardennen.



Nooit
eerder zwierven er zoveel everzwijnen door de Ardense bossen. De
populatie is de laatste jaren verdrievoudigd en dat tot grote
ergernis van de plaatselijke boeren. De wilde dieren berokkenen
immers heel wat schade aan de landbouwgewassen, maar ze slaan
ook meer en meer toe in gewone tuinen. Om de plaag in te dijken
is recent het jachtseizoen met zes maanden verlengd.
* Botsingen
Uit cijfers van de dienst Jacht en Visvangst van het ministerie
van het Waals Gewest blijkt dat er in
Wallonië meer dan 20.000
everzwijnen rond lopen. Sinds het einde van de
Tweede Wereldoorlog zijn er dan
nog nooit zoveel geweest. Tellingen zijn erg moeilijk, maar
gemeten aan de schade die de dieren veroorzaken, is het
duidelijk dat het aantal de laatste jaren flink is toegenomen.
De everzwijnen hebben altijd al velden geplunderd, maar nu
duiken ze ook steeds meer in tuinen van voorsteden op. Ook het
aantal meldingen van auto’s die met een everzwijn in botsing
komen, stijgt. In de
regio Luik zijn in een jaar
tijd meer dan honderd incidenten geteld. Volgens studies bestaat
een gezonde populatie uit twintig dieren per duizend hectare. Nu
wordt geschat dat er vaak 30 tot 35 zijn.
Die concentraties verhogen het risico op varkenspest en
bovendien betekenen ze een bedreiging voor sommige plant– en
diersoorten. Everzwijnen zijn dol op maïs, graan en aardappelen
en kunnen soms enorme schade aanrichten.
* Drijven of
boeren
Merkwaardig genoeg moeten de jagers uit de aanpalende bossen
voor die schade opdraaien, omdat zij de taak hebben om de
populatie van het grof wild te beheersen. Maar de voorbije jaren
was het jachtseizoen beperkt tot enkele maanden per jaar. Dat is
opnieuw veranderd. De jagers zijn dan ook maar wat blij met die
aanpassing. De jacht wordt opgesplitst in drijfjacht en
loerjacht. Bij drijfjacht wordt het wild opgedreven door mensen
of dieren in de richting van de jagers. Loerjacht is stilletjes
het wild observeren vanuit een jachttoren of besluipen van over
de grond. Deze laatste vorm was vroeger het hele jaar
toegelaten, maar enkele jaren geleden werd de periode
teruggeschroefd van tien tot drie maanden, net als de
drijfjacht. In het voorjaar werd er dus niet meer geschoten. Zo
bleef er meer wild over voor de drijfjagers, maar deze vorm van
jagen blijkt minder efficiënt dan de loerjacht, wardoor de
populatie aan everzwijnen is toegenomen. In september 2004 heeft
de nieuwe minister van jacht
Benoit Lutgen (cdH) als één van
zijn eerste beleidsdaden de periode van de loerjacht weer
drastisch verlengd.
* Winterdieet
Individueel op everzwijnen jagen kan nu opnieuw vanaf 15
september tot eind juni. Omdat de jachtperiode de laatste jaren
beperkt was tot enkele maanden, waren er ook minder jagers.
Die strooiden in het verleden kilo’s maïs uit om hun prooien in
het bos te houden, waardoor de dieren niet op zoek moesten naar
voedsel buiten hun territorium en dus minder problemen
veroorzaakten.
Voor de toename zijn er nog andere verklaringen. Omdat meer en
meer landbouwers overschakelen van veeteelt naar maïs– of
graangewassen, vinden de everzwijnen ook in de winter
makkelijker voedsel op de velden en kunnen ze beter de winter
doorkomen. Bovendien zijn die winters minder streng dan vroeger.
De natuurlijke selectie speelt dus minder een rol. Als gevolg
van de opwarming van de aarde werpen eiken en beuken nu bijna
jaarlijks vruchten af en dát is nu net de favoriete maaltijd van
de everzwijnen.
Wie gaat wandelen in de Ardennen, let dus maar beter op.
Niet alleen voor de everzwijnen, maar ook voor de jagers.
Ook hier in het Hageland wordt op wild gejaagd, op herten,
fesanten, hazen, konijnen en ander 'klein wild'.
Hou er dus, bij wandelingen, rekening mee dat ook hier jagers op
het pad zijn, en pas op met de wagen voor vluchtend wild over de
wegen!
  


    

 |