








































|




*
Een strategische nederzetting
Leden van het geslacht
van Thunen, dat reeds in 12de-eeuwse bronnen
vermeld wordt, vestigden zich vermoedelijk in de tweede helft van de
13de eeuw op deze plek, die toen al Horst heette. Zij noemden zich
dan ook
heren van Horst.
De betekenis van de naam Horst is nog niet ondubbelzinnig duidelijk
‘kreupelbosje’, ‘heuvel’ of ‘nest’. De oudste bekende telg is
Jan
van Horst.
Van zijn woning of vesting is niets bewaard gebleven, maar we weten
dat het ging om een nederzetting met een opper– en een
neerhof en
een bijbehorende molen.
Het geheel aan de strategisch bijbehorende
molen en het geheel aan de strategisch belangrijke Wingevallei maakte
deel uit van de Leuvense verdedigingsgordel.
*
Burcht
Een kleinzoon van
Jan van Horst verkocht de
heerlijkheid aan Amelric
Boote, een rijke
poorter die wisselaar was in Brussel en later
muntmeester in
Vilvoorde.
Uit erkentelijkheid voor de leningen die
aan hertogin
Johanna van Brabant had verstrekt, verwierf hij de
rechtspraak over
Sint-Pieters-Rode. Door aankoop breidde hij
bovendien zijn domein uit. Vermoedelijk liet hij op het einde van de
14de eeuw de burcht (fortallicium) bouwen die de grondslag zou
vormen van het huidige kasteel: een omgrachtind en versterkt verblijf
met kapel, valbrug, neerhof en molen.
Wie vandaag naar het kasteel
kijkt, onderscheidt nog in grote lijnen de structuur van het
middeleeuwse slot met zijn veelhoekige ringmuur en de nog bestaande
woontoren of
donjon.
*
Naar het huidige kasteel:
de Pynnocks
In 1422 kwam de burcht in het bezit van Amelric Pynnock, telg van
een vooraanstaand Leuvens
patriciërsgeslacht, die er met zijn groot
gezin woonde. Veertig jaar later verkocht hij het goed weer aan
Jan
van Bourgondië, een natuurlijke zoon van
Jan zonder Vrees. Maar
nogmaals twintig jaar latere (1482) kocht Lodewijk Pynnock III het
domein terug. Deze markante figuur bekleedde in Leuven een ambt van
meier en moest dus de belangen van de
hertog behartigen.
In 1488,
bij de opstand van ‘zijn’ stad tegen
Maximiliaan van Oostenrijk,
bleef de meier zijn heer trouw. Vanwege die houding werd zijn
kasteel in 1489 door de woedende Leuvenaars platgebrand.
Maximiliaan beslechtte het conflict in zijn voordeel en beloonde
zijn trouwe meier door hem rechtsbevoegdheid te verlenen over Horst,
Sint-Pieters-Rode,
Kortrijk en Dutsel; de heerlijkheden werden
bovendien samengevoegd tot het
leen Nieuwerhorst. Pynnock liet zijn
kasteel heropbouwen.
Hij voegde er een woonvleugel aan toe en liet
de
donjon verhogen.

*
In verschillende adellijke
handen
Kort voor 1500 raakte Pynnock in financiële moeilijkheden, misschien
door onverstandige uitgaven en een buitensporige levensstijl met
prestigieuze feesten en toernooien. Hij moest zijn domein verkopen
aan Iwein van Cortenbach.
Reeds in 1521 kwam het kasteel in handen van de aanzienlijke
Mechelse familie van Busleyden die het echter in 1605 op haar beurt
wegens schulden van de hand moest doen. Het geslacht
van Schoonhoven,
de graven van Aarschot, verwierf de bezittingen en liet aan het
kasteel dat in 1587 door
geuzen was geplunderd, herstellingen
uitvoeren. De vleugels rond het binnenplein werden verder afgewerkt.
In het midden van de 17de eeuw kwam het domein door erfenis onder
het beheer van weduwe Maria-Anna van den Tympel. Deze adellijke
Leuvense dame voerde een verstandig beleid en liet in en om het
kasteel belangrijke verfraaiingswerken uitvoeren, die het tot een
lustslot maakten.
Een mooi bijgebouw met wagenhuis kwam in die tijd
tot stand.
*
Meer dan drie eeuwen sporadische
bewoning
Na haar dood in 1658 werd het gebouw nog slechts onregelmatig
bewoond, maar wel onderhouden. Opeenvolgende eigenaars waren de
families Prinsen "de
Rubempré en
Everberg" en
de Merode, die andere geriefelijker
kastelen bezaten.
Het domein, dat intussen ook
Nieuwrode en
Holsbeek
omvatte, werd wel gebruikt voor de jacht. Bij de
Franse bezetting op
het einde van de 18de eeuw werden echter de
feodale en
heerlijke
rechten afgeschaft en kwam het grondbezit in belangrijke mate in
handen van de gemeentebesturen of raakte het versnipperd onder
privé-eigenaars.
Op het einde van de 19de eeuw diende het kasteel een tijdlang als
meisjesschool. Sinds 1882 behoort het toe aan de familie de Grunne,
die het evenwel niet bewoont en in 1996 in erfpacht gaf aan de
Stichting Vlaams Erfgoed. In de vorige
decennia droeg de v.z.w.:
“Vrienden van Horst” zorg voor het gebouw.

De toegangsbrug en -poort van
het kasteel van Horst.
*
Het gebouw
Dat het kasteel sinds de eerste helft van de 18de eeuw zelden of
nooit door de eigenaars werd betrokken, had als gelukkig gevolg dat
het gebouw veel aspecten van zijn oorspronkelijk uitzicht heeft
bewaard. Zo zijn
neogotische ingrepen in tegenstelling tot vele
andere plaatsen hier achterwege gebleven.
*
Donjon
De forse 14de-eeuwse toren lijkt volledig uit
zandsteen te zijn
opgetrokken, maar dat
is
slechts schijn, hij heeft een bakstenen kern met een parement
(bekleding) van witte
kalkzandsteen uit
Gobertange ten zuiden van
Tienen. De bouwlagen, die van elkaar gescheiden zijn door eenvoudige
horizontale waterlijsten, vertonen slechts één opening aan elke
vrijstaande zijde.
De barst in de zuidelijke gevel - enkel in het parament - is te
wijten aan de drassige ondergrond en aan onvoldoende fundering.
De
fundamenten van het kasteel bestaan uit ijzerzandsteen, materiaal
dat ter plaatse gewonnen werd. De muren van de donjon zijn ruim een
meter dik en de vierkante vertrekken hebben een zijde van ongeveer
vier meter. Het mooiste vertrek is de ontvangkamer van de burchtheer
op de benedenverdieping, bij uitstek een plek om met je status uit
te pakken.
De ruimte is overkluisd met een kruisribbengewelf op
versierde consoles (menselijke figuren en de duivel) en voorzien van
wandschilderingen. Men vindt er ook een smalle
latrine, een
primitieve lavabo en een haard. De ruwe torentrappen zijn niet veel
meer dan een halve meter breed en voor de moderne gebruiker weinig
comfortabel: "Vooral bij het afdalen is voorzichtigheid geboden".

Een gesculpteerde console in
de ontvangkamer van de donjon.
*
Ringmuur en toegangspoort
Deze donjon of woontoren vormde het hoofdbestanddeel van de
middeleeuwse vesting. Een ringmuur op veelhoekig grondplan en
waarbinnen lagere gebouwen bescherming vonden, verbond de toren met
het poortgebouw.
Bij de brandstichting door de Leuvenaars in 1489
bleven minstens de donjon en een gedeelte van het poortgebouw en de
ringmuur behouden.
Een restant van deze laatste staat nog overeind langs de waterkant,
aan de rechterzijde van de poort; de muur wordt geschoord door
steunberen.
De witstenen, rondbogige toegangspoort maakte
aanvankelijk deel uit van een grotere constructie, mogelijk een
poorttoren. Tussen de brede verticale stijlen ziet men de uitsparing
voor de opgehaalde valbrug. Onder de boog is een gleuf voorzien voor
het neerlaten van het stormhek.
*
Mezenkouwen
Nagenoeg onmiddellijk na de
brand liet Lodewijk Pynnock zijn slot weer opbouwen.
Tegen de donjon kwam een
laatgotische woonvleugel aanleunen, met
steile
zadeldaken en aan de grachtzijde kruisvensters. Om de burcht
beter te kunnen verdedigen werd aan de toren een vijfde bouwlaag
toegevoegd in oversteek. Zo ontstonden ‘mezenkouwen’ of machicoulis
werpgaten waardoor van op de gekanteelde weergang de belegeraars met
projectielen of kokende vloeistoffen bestookt konden worden.
De weergang was niet overdekt, zodat de regen door spuwers moest
worden afgevoerd. Het huidige geknikte tentdak met uitkijktorentje
dateert uit de 17de eeuw.


Het Waterkasteel van Horst en terzijde de donjon met
het huidige geknikte tentdak met uitkijktorentje.

*
Buitengevels en binnenplein


In het begin
van de 17de eeuw kregen de buitengevels hun karakteristiek uitzicht:
baksteen afgewisseld met
zandstenen
speklagen. De hoeken zijn
voorzien van zogeheten ‘kettingen’: zandsteenblokken die alternerend
staand en liggend boven elkaar in het metselwerk zijn ingepast. Een
vergelijkbaar effect vindt men in de ‘negblokken’ rond de vensters:
“neg” is een oud woord voor de dagkant van een venster en de blokken
zijn ook daar in afwisselend verband geplaatst. Deze contrasten van
bak– en zandsteen zijn eigenlijk karakteristiek voor de architectuur
van de 16de eeuw, maar behoren hier tot een wat latere bouwcampagne.
Het interieur van de woonvleugel bevat een
renaissance-schoorsteenmantel en restanten van wandschilderingen:
dat alles werd waarschijnlijk in de 16de eeuw aangebracht onder het
beheer van de van Bysleydens.
De ronde toren aan de buitenzijde dateert van 1611 en is het werk
van het geslacht van Schoonhoven. Hun wapenschild treft men enkele
malen aan op het binnenplein: het zit gevat tussen de poten van de
leeuwtjes die de
trapgeveltjes van de dakvensters bekoren. In een
hoek van de binnenkoer werd een rechthoekige traptoren opgericht.

De ronde toren van het kasteel van Horst.
*
De kapel van Maria-Anna
van den Tympel
Hoewel zij het kasteel pas in 1650 verwierf en reeds acht jaar later
overleed, kon Maria-Anna van den Tympel toch enkele belangrijke
werken laten uitvoeren.
Tegen de oostgevel van de donjon werd een
kapel aangebouwd in bak– en zandsteen, met een
lessenaardak en twee
kleine rondboogvensters, in het interieur zijn de wandschilderingen
bewaard. Tot de grootste verdiensten van de laatste kasteelvrouw
behoren echter de rijke plafonds die zij in de voornaamste
vertrekken liet aanbrengen.

DRIE
17DE-EEUWSE PLAFONDS

*
De Maria-Anna van
den Tympelzaal
of Eerste Emblematazaal.
Tussen het trappenhuis op de binnenkoer en de ontvangkamer van de
donjon ligt een ruim vertrek dat thans Maria-Anna van den Tympelzaal
of Eerste Emblematazaal genoemd wordt.
Hier liet weduwe van den Tympel calcksnijer Hans Christiaan Hansche
een barok sierplafond in
stuc uitvoeren. Dat bestaat uit drie
langwerpige vlakken, van elkaar gescheiden door twee versierde
balken en ingevuld met decoratieve medaillons en cartouches. Aan de
zijde van de gotische schouw ziet men het familiewapen van de
weduwe. De overige afbeeldingen zijn gebaseerd op
emblemata,
zinnebeeldige voorstellingen met een opschrift en een bijschrift,
die in de 16de en 17de eeuw geliefd waren. Met name inspireerde Hansche zich op een embleembundel van de Nederlandse graveur
Crispijn van de Passe.
De medaillons op het plafond hebben het in woord
en beeld over wijsheid, deugd en standvastigheid. De aangebrachte
voorstellingen en teksten passen perfect bij de normen en waarden
van de toenmalige
aristocratie.
Over het leven van Hansche is maar weinig bekend. Zijn taalgebruik,
zoals we dit kennen uit enkele overgebleven rekeningen, wijst op een
Zuid-Nederlandse, i.c. Brabantse afkomst. Zijn loopbaan speelde zich
af tussen de jaren 1653 eb 1685.
Zijn gipsen reliëfs zijn zeer
plastisch opgevat - wat toen zeer goed paste binnen de overdadige
binnendecoratie maar wat nu in de kale vertrekken van Horst wat
vreemd aandoet - en tegelijk getuigen ze van een uitzonderlijk
vakmanschap en van grote zin voor het sprekende detail. Hij werkte
onder meer in de Leuvense Parkabdij, de Antwerpse Carolus
Borromeuskerk, het kasteel van Schoonhoven in Aarschot, het
kasteel Baulieu te Mechelen en het kasteel van Modave in de
provincie Luik.
In Horst staan nog twee andere plafonds op zijn naam.

Het stucplafond van Hansche in
de Maria-Anna van den Tympelzaal.
*
De Ovidiuszaal
De Ovidiuszaal is de grootste ruimte van het kasteel. Ze ontleent
haar naam aan de zes plafondcartouches met ovalen medaillons, waarin
scènes afgebeeld worden uit de
Metamorfosen van de Romeinse dichter
Ovidius (43 v.C– ca. 18 n.C), die ten tijde van
keizer Augustus
leefde. In de
renaissance en
barok kreeg zijn werk veel
belangstelling: het werd door dichters druk vertaald en bewerkt; het
inspireerde tal van plastische kunstenaars: Ovidius’
gedaanteverwisselingen werden geïnterpreteerd als stichtende
verhalen met een morele, ‘deugdelijke’ boodschap.
Hansche heeft er vier uitgebeeld. Het bekendste daarvan is het
verhaal van
Narcissus, de jongeman die verliefd werd op zijn eigen
spiegelbeeld.
Dat werd in een heldere bron weerkaatst maar bleef
voor hem als liefdesobject uiteraard onbereikbaar. Uit medelijden om
zijn wanhoop veranderden de goden hem in een bloem, de narcis. Die
gedaanteverandering wordt op het medaillon (in het vierde vak) niet
uitgebeeld, maar men ziet op de achtergrond hoe de ongelukkige in
vertwijfeling zijn handen ten hemel slaat.
Ook deze taferelen gaan
terug op bestaande
gravures uit Hansches tijd.

Detail van het stucwerk in de
Ovidiuszaal:
de dood van Procris.
*
De Tweede Emplematazaal
Een deur rechts naast de schouw van de Ovidiuszaal geeft toegang tot
de kleinere Tweede Emplematazaal. Voor de vier medaillons die hier
het plafond sieren, heeft Hansche opnieuw geput uit de vermelde
bundel van Crispijn de Passe.
Ook in dit geval vormen de
voorstellingen één geheel met de Latijnse bijschriften.
Bij de
afbeelding van een houthakker, een zinnebeeld voor de volharding,
luidt het bijvoorbeeld: "Non uno sternitur ictu".
Vrij vertaald: "Eén
slag volstaat niet om de boom te vellen".




Dit lange,
eerder lage gebouw werd buiten de oude slotgracht opgetrokken in
1657. Het bouwjaar wordt aangegeven door een ingemetselde cartouche
boven de centrale boog. Maria-Anna van den Tympel was de
opdrachtgeefster: vandaar de initialen M.A.V.T. in de ijzeren
muurankers.
De term ‘wagenhuis’ is enigszins misleidend: niet alleen
een wagenschuur maar ook stallingen en andere dienstruimten bevonden
zich onder dit dak.
De architectuur bestaat zoals die van het kasteel uit bak– en
zandsteen.
De drie brede
korfbogen van de eigenlijke wagenschuur
werden echter uitgevoerd in
arduin: ze rusten op
Toscaanse zuilen,
eveneens in
hardsteen.
Het linkergedeelte van het gebouw dateert van
een latere bouwcampagne: naast het rondboogpoortje ziet men een
jaarsteen met de inscriptie Anno 1767.
De achtergevel vertoont als bijzonderheid een grote
korfboog in
zandsteen.
De linkerzijgevel, met schouderstukken, werd in 1996
ingrijpend gerenoveerd ten behoeve van de nieuwe bestemming van het
wagenhuis. Dat is momenteel in gebruik als
Streekgasthof. Rechts van
het eigenlijke wagenhuis zijn een Bezoekerscentrum en de
Erfgoedwinkel ondergebracht.


Streekgasthof Het Wagenhuis.
 




De Horsthoeve.
*
De Horsthoeve
Deze hoeve hoorde
oorspronkelijk bij het kasteeldomein en zorgde voor de dagelijkse
voedselvoorziening van de bewoners en hun gasten. De stallingen en
de schuur brandden af in 1949 en werden toen herbouwd. Hoewel het
woonhuis nog uit de 17de en 18de eeuw dateert, vertoont het een
grotendeels 19de en 20ste-eeuws uitzicht.
*
Het Tunenhof
 
Het Christusmonogram in de
voorgevel van het Thunenhof.
De van Thunens,
aan wie de hoeve haar naam ontleent, waren in de 13de eeuw
waarschijnlijk de stamvaders van de heren van Horst.
De huidige
boerderijgebouwen zijn echter lang niet zo oud en werden pas in 1749
opgericht: een steen met
Christusmonogram in de voorgevel herinnert
daaraan.
Voor het overige heeft de gevel, afgezien van de rij
steigergaten bovenaan, weinig authentieks behouden. Langs het
binnenhof, dat van de straat af niet zichtbaar is, bleven wat meer
elementen van het oude uitzicht bewaard.
*
Beemden
Eén van de opvallende struiken in de beemden is de in het voorjaar
felwit bloeiende (en sterk geurende)
meidoorn. Die is in het najaar
te herkennen aan de overvloed van karmijnrode, nogal melig smakende
bessen, die door vogels in korte tijd tot de laatste worden
opgegeten.
De stekelige meidoorn is hier ten dele een restant van een oude
weideafsluiting uit de tijd voor de
prikkeldraad.
Ook in het voorjaar bloeien laag tegen de grond de
bosanemoon en
iets later de witte sterretjes van de
grote muur.
Op hetzelfde
moment vallen in de weiden de lilawitte
pinksterbloemen op.
Later op het seizoen groeien her en der
moerasspirea -
koningin der
weiden - en de
echte valeriaan. Natuurreservaten v.z.w. vereniging
voor natuurbehoud in Vlaanderen, heeft in deze buurt enkele percelen
van de Wingevallei in bescherming genomen door ze aan te kopen en
gepast te beheren.
Ze blijven gevrijwaard van kunstmatige bemesting,
pesticiden, drainage en andere aantastingen van de natuur. Daardoor
worden overlevingskansen geboden aan zeldzame dieren en planten,
waaronder prachtige
vlindersoorten en zelfs
orchideeën.
  

Hagelandse vallei. (Wijngaard).

De
Hagelandse vallei

*
Turf in het moeras in het
dal
De meer dan één kilometer brede vallei waarin het kasteel ligt, ook
wel ‘de Hagelandse vallei’ of ‘het dal van Houwaart’ genoemd, kan
onmogelijk uitgeschuurd zijn door een beekje van het formaat van de
Winge. Die nestelde zich hier pas toen
de zee deze streek voor het
laatst had overspoeld en een brede geul had uitgesleten zo’n 15
miljoen jaar geleden. De vallei is een ononderbroken vlakte die het heuvelende Hageland doormidden snijd en tot
Leuven reikt.
In een dergelijk vlak dal lagen vroeger veel moerassige gronden. Het
nabijgelegen en bekende Walenbos in
Tielt-Winge en het Dunbergbroek
in
Holsbeek zijn hiervan nog hedendaagse voorbeelden. Op veel van
deze plaatsen kon men
turf delven.
Die was afkomstig van een
opstapeling van niet vergane plantenresten op de bodem van het
moeras.
Turf werd - vooral in de Middeleeuwen - veel gebruikt voor de
verwarming van woningen en van het kasteel.
Het grootste deel van de vallei werd eeuwenlang gemeenschappelijk
gebruikt als
weide of hooiland (broek of beemden). De grasgroei was
er rijkelijk dankzij de jaarlijkse winteroverstromingen van de Winge
die telkens een nieuw laagje vruchtbaar
slib afzetten. Met sluizen -
zoals er achter het wagenhuis nog één te zien is - lokten de
landbouwers soms zelf overstromingen uit. Bij dreigend gevaar zal
dit ook dienstig geweest zijn voor de verdediging van het kasteel.
Dat verklaart trouwens ook de ligging ervan: enerzijds was er
voldoende voedselvoorziening, anderzijds lag het goed beschermd in
de moerassige overstromingsvlakte.

Oeverbegroeiing van de tweede
vijver met
op de achtergrond het kasteel van Horst en
de achtergevel van het wagenhuis.
*
De vijvers en hun ‘bewoners’
Op de laagst gelegen gronden werden zelfs permanent
vijvers
aangelegd die in minder troebele tijden ook zeer nuttig waren voorde
viskweek. De huidige vijvers rondom het kasteel zijn daar nog de
resten van, maar oude kaarten tonen er veel meer. In het thans
beboste gebied in het noorden van het domein getuigen de oude naam
‘de Vijvers’ én een raamwerk van dijken nog van de vroegere
toestand.
Ook de oude beemden zijn nu grotendeels in onbruik geraakt
en werden meestal beplant met
populieren.
Spijtig genoeg is door deze evolutie een groot deel van de rijke
planten– en dierenwereld van vochtige gebieden verdwenen. Aan de
oevers van de vijvers resten er soms nog, zoals de - in het voorjaar
knalgele -
dotterbloem, de
lisdodde, de
gele lis en de
moeraszegge
met sierlijk overhangende
aren. Dit is ook de uitverkoren plek voor
kikkers en salamanders, als de
blauwe reiger ze niet verschalkt…
Midden op de vijvers zijn soms de futen of kuifeenden te zien en
glijden er wel eens massa’s
schaatsenrijders, insecten die als het
ware over het watervlak schaatsen.
Ze zijn niet te verwarren met de
bekende ‘schrijvertjes’, kleine kevertjes die in groep op het water
tollen maar de jongste tijd zeer zeldzaam zijn geworden.
*
Natuur in de buurt
De hagen en houtkanten met hun streekeigen plantensoorten, zoals de
haagbeuk,
mei– en
sleedoorn,
veldesdoorn,
vlier en zelfs
eik, bieden
nestgelegenheid en leveren voedsel aan veel kleine zangvogels en aan
egels. In mei kan men hier soms de naar deze maand genoemde
grote
kever brommend zien opstijgen.
Oude hoogstamfruitbomen leveren in
het najaar uiteraard lekker fruit en pronken in de lente met mooie
bloesems, maar daarnaast zijn ze ook zeer nuttig als uitverkoren
woonplaats van de kleine
steenuil. Die maakt zich verdienstelijk
door het verorberen van tal van voor de landbouw ongewenste
knaagdieren en insecten.
Vooral bij valavond is er kans dat men een
exemplaar waarneemt, hoewel die kans de jongste jaren steeds kleiner
wordt. (Door laagboomfruitteelt).
Natuurminnende verenigingen proberen in samenwerking met de
plaatselijke gemeentebesturen via het project ‘Regionaal Landschap Noord-Hageland’ de landschappelijke aantrekkingskracht en dus de
toeristisch-landschappelijke waarde van de streek weer te
verbeteren.
Daarom worden de afgelopen jaren onder meer initiatieven genomen om
bij de inwoners en landbouwers de groene aankleding van de bebouwing
en hoevegebouwen in het Hagelandse landschap te promoten.

    

De 19de - eeuwse
Sint-Jozefskapel onder de lindeboom,
nabij het Galgenveld.
Aan de linde werd van oudsher het vermogen toegedicht
de voorbijganger te behoeden voor het "boze oog".


  



*
Rond het haardvuur
 
Het geloof aan mythische
heksen, spoken en weerwolven en de schrik door ‘de mare bereden’ te
worden, zat er bij het goedgelovige Hagelandse volk diep in.
Het
kruidde de verhalen tijdens de lange winteravonden rond de haard:
eertijds bij het ‘spinninghe houden’ en later bij het ‘buurten’,
vooral in de huizen waar het ‘zoete inval’ was. Men kwam gaarne
samen om het dorpsnieuws te bespreken en, in het halfdonker rond de
open haard, te luisteren naar de verhalen over bijzondere, vreemde
voorvallen en belevenissen. Op zomerse avonden hurkten de
buurbewoners tegen de poort van de hoeven, tegen de zomerse avonden
hurkten de buurtbewoners tegen de poort van de hoeven, tegen de
gevels van de huizen of zelfs eenvoudig onder de linde of toepten ze
samen op de grachtkant.
Wie bedacht die verhaaltjes, die gretig van mond tot mond dwaalden
en met een ‘couleur locale’ werden ingekleurd? Of werden ze
eenvoudig van vader op zoon doorgegeven en - gewild of ongewild -
steeds wat eigentijds aangepast?
Geboren vertellers zorgden voor de
herkenbare en indringende details. Snoodaards en grappenmakers
deinsden er zelfs niet voor terug de gevreesde, boze gedaanten en de
vreemde, raadselachtige figuren, die door de volksgeest spookten,
een handje toe te steken… Hoe dan ook, heel wat verhalen maken deel
uit van het orale erfgoed.
We plaatsen het in een historische
context: ‘vroeger’… ‘Vroeger bestond dat veel, heksen en spoken’…
Het vertellen van volksverhalen en van als waarachtig beleefde
gebeurtenissen behoort als traditie definitief tot het verleden.
Willen we nog traditionele sagen horen en optekenen, dan kunnen we
alleen nog ons oor te luisteren leggen bij de oudste leeftijdsgroep.
Die mensen kunnen wellicht uit hun geheugen nog verhalen opdiepen
over heksen en weerwolven, over kabouters en tovenaars, over
dwaallichten en spoken.
“Vele autochtonen weten zich slechts met moeite nog enkele verhalen
‘van vroeger’ te herinneren. De moderne samenleving, gericht op
communicatie door radio, televisie en telefoon, heeft de mondelinge
overlevering al onherroepelijk aangetast. Daarbij komt nog het feit
dat omzeggens al onze informanten de door hen vertelde sagen en
volksverhalen catalogiseerden onder de noemer ‘onzin’”. Aldus
Kathleen Vandenbosch in haar ‘woord vooraf’ van haar studie:
‘Volkscultureel erfgoed van
Hoegaarden en
Meldert’ (1991). Vertellen
is er niet meer bij. De onderzoekster komt zelfs tot volgende
vaststelling: "Weinig opa’s zullen nog sagen aan hun kleinkinderen
kunnen vertelen zonder uitgelachen te worden". Anderszijds lokken de
traditionele verhalen vele belangstellenden naar de georganiseerde
vertelavonden.
De sagen en de volksverhalen behoren immers tot ons
cultureel erfgoed.

Traditionele voorstelling van
een heksensabbat. Een houtsnede (1510) van
Hans Baldung Grien (1476-1545), leerling van Albrecht Dürer
(1471-1518).

*
Moderne tijden
Dat nog heel wat mensen inde moderne tijd in de ban geraken van
irrationele krachten bewijzen de jongste onderzoeken van Alfons
Roeck in Oost-Brabant en van Cathérine Van Eyden, die in 1988
verdwerk verrichtte in haar geboortedorp
Kaggevinne (Diest). In het
Pajottenlandse
Pepingen werd, volgens een bericht in ‘De Gazet van
Antwerpen’ van 30 juli 1988, nog een huis in brand gestoken om boze
geesten te verdrijven. Er worden nog steeds mensen verdacht van
duistere praktijken, terwijl anderdeels geloof gehecht wordt aan
‘modernere’ vormen van bijgeloof.
We denken o.a. aan handopleggers,
overlezers, wenende (O.L.Vrouw) beelden ...computervirus op vrijdag
de dertiende… en de invloed van de zgn. overdreven occulte pulpliteratuur.
We kennen anderzijds het fenomeen van de nieuwe heksen. De
Wicca-beweging is een religie die uit Engeland overwaait. Deze
‘heksen’ vereren de natuur en houden er bij hun besloten
bijeenkomsten, ‘bij volle maan’, eigen rituelen en inwijdingen op
na. Tijdens hun ‘sabbats’ vieren ze het wisselen van de seizoenen.
De inwijdingen gebeuren soms, onder bepaalde groepen, naakt om beter
de natuurelementen te ervaren. De nieuwe heksen voelen zich verwant
met de middeleeuwse heksen en ze baseren zich op voorchristelijke
Europese religies. Het
ecologisch bewustzijn speelt een belangrijke
rol in de
moderne heksenbeweging.
  

*
De spookridder van Horst

De oudere verhalen hebben het
over een kasteelheer (baron), een mooie vrouw en een kapelaan die
vermoord wordt. De kasteelheer, die de moord beging, is gedoemd om
op het kasteel te komen spoken.
“Lang geleden - zo begint het verhaal - was het kasteel in van een
zekere Amelrijk Pynnock, een ijverig volgeling van
Nemrod.
Het jagen zat hem zodanig in het bloed dat hij de kapelaan van het
kasteel opdracht had gegeven de mis zo laat mogelijk te beginnen,
dat hij eerst bij het morgenkrieken nog op jacht kon gaan. De
priester ging er met enige tegenzin op in.
Op een zondagmorgen was de baron zodanig in beslag genomen door het
najagen van een hert dat hij de mis totaal vergat. Pas toen hij in
de verte het klokje van de kapel hoorde kleppen, besefte hij dat hij
naar de mis moest. IJlings reed hij naar het kasteel. Toen hij in de
kapel aankwam zag hij dat de kapelaan niet op zijn komst had gewacht
en reeds aan de laatste gebeden toe was. Het maakte hem waanzinnig
van woede. Hij viel de priester aan en doorstak hem met zijn dolk.
(De Cock en Teirlinck laten hem in hun ‘Brabantsch Sagenboek’
schieten met een geweer).
Sinds dit voorval beweerden de lieden uit de omgeving dat ze ‘s
nachts de schim van Amelrijk Pynnock te middernacht in de kapel en
in de zalen van het kasteel zweefde. Anderen vertelden dat hij in de
woeste nachten op zijn ros door de streek stormt en nooit meer rust
vinden kan.

*
De Zwarte Karos

Uit de puinen van het vroeger pershuis, gelegen in een elzenbosje op
ongeveer 1 km van het kasteel, doemt iedere nacht een grote rode
koets op, getrokken door zes paarden. Het gevaarte ratelt door de
Lindedreef over de ophaalbrug en verdwijnt geheimzinnig in de
vestingtoren. Door het hele kasteel beginnen onheilspellende
schijnsels voor de schietgaten te dansen: spoken en geesten beleggen
een vergadering in de kale vertrekken. Na een kwartier rijdt de
koets opnieuw over de ophaalbrug om in de puinen van ‘t pershuis
weer op te lossen.
Het Pershuis, stond op een heuvel die thans nog
steeds de ‘Peerse’ noemt; hier werden in de middeleeuwen druiven
geperst. (De peerse).

*
Schat verlost kasteelspook

Bij het thema van de
spookridder heeft zich mettertijd in de volksmond het verhaal over
een verborgen schat gevoegd. Zo werd verteld:
“In ‘t kasteel op de ‘Peerse’ spookte het iedere nacht. Mijn vader
en negen andere mannen wilden eens een nacht waken. Ze hadden een
revolver bij. Om twaalf uur vliegt de deur open. Ze werpen een
doodskop binnen. En wat later de benen en de armen tot alles daar
was en dan kroop het aaneen en niemand schoot verdorie. Iemand tist
(dierf) niet spreken. Het spook zei dan: ‘Volg me’. En niemand tist
meegaan. Maar hij wilde dat ze meegingen en dan deden ze het. En ze
kwamen aan een kerksteen. ‘Hef het op’, zei het spook. ‘Doe het
zelf’, zegden ze en dan zagen ze potten vol geld staan. ‘Nu ben ik
verlost’, zei het spook en ze zagen niks meer”.
Wie dat die mensen waren weet ik niet, maar onze va zaliger kost ze
allemaal noemen.






    
Meer van deze sagen en legenden
kun je vinden in het boek
“Magisch en Mysterieus Hageland” en telt
256 bladzijden.
Dit boek is in alle Hagelandse toeristische kantoren
verkrijgbaar.
Tel.: +32 016-56.97.05
Dinsdag tot vrijdag: 09.00 u
tot 12.00 u en van 13.30 u tot 16.30 u.
Zaterdag en zondag: 13.30 u tot 16.30 u.
dienst.toerisme@aarschot.be
Elisabethlaan 103, 3200
Aarschot.

“Magisch en Mysterieus Hageland”
ISBN 90-74977-02-3.
D/1996/3800/1.
Het boek werd uitgebracht door IGO LEUVEN,
Brouwerstraat 6, B-3000
Leuven.
IGO LEUVEN
Aarschotsesteenweg 212, B-3010
(Kessel
- Lo)
Leuven.
Tel.: +32
016-29.85.41
igo@igo-leuven.be

Magisch en Mysterieus Hageland is ook een mogelijke gids
om deze
streek te verkennen en te ontdekken.
  

    
 |