De Germanen vierden rond Midwinter (21 december) reeds midwinter- of joelfeesten waarbij het boze werd verjaagd en het licht werd begroet. (Joel ~ Yule ~ Yula).
In de Scandinavische talen heet Kerstmis tot op vandaag Jul.
Het Joelfeest is het Germaanse zonnewendefeest. Een feest ter ere van de zonnegod Freyr. Het duurt twaalf dagen, waarvan de kortste dag van het jaar de belangrijkste is en dit in de periode rond 21 december.
Men ontsteekt dan het Joelvuur en offert soms een everzwijn.
De boomstam (Yuleblok) die aangestoken wordt, blijft een lange tijd branden.
De meeste verklaringen voor de herkomst van het woord "Yule" worden betwist.
Zo is er een populaire verklaring van de herkomst van het Oudnoordse hjól, wiel, waarmee het moment zou worden aangegeven waarop het zonnewiel op zijn laagste punt is en dus klaar om weer te gaan klimmen.
Een waarschijnlijker oorsprong kan worden gevonden in het woord "geol", geel. Men ziet een evolutie van dat woord in alle Germaanse en Scandinavische landen en talen: Duits "gelb", Noors "gul", Deens "gul", Gaelic 'geal', Nederlands "geel", Zweeds "gul", Fries "giel", zelfs het Italiaanse "giallo", Litouws "geltonas" en Roemeens "galben". Het Oudengelse Géol werd het Middenengelse "Yole" en tenslotte het moderne Yule, terwijl het woord geol of geolu evolueerde tot yellow.
Al deze termen zouden dan van de Indo-Europese wortel "ghel-" komen, wat "schijnen" betekent. Het weer langer gaan schijnen van de zon, het geel opglinsteren van de zon in de sneeuw zouden aan de basis liggen van de uitdrukking.

Freyr was een vruchtbaarheidsgodheid. Men kan er dus in elk geval van uitgaan dat het feest met vroegere vruchtbaarheidsriten gepaard ging die inherent waren aan de Freyrcultus, waar ook latere bronnen over berichten.
Ook in de sagen omtrent voorgeslachten is hier en daar sprake van Joel, maar in dit tijdsbereik is zeker al mogelijke beïnvloeding aanwezig vanuit de kerstening en de daarmee gepaard gaande christelijke feestenkalender. De offerrituelen die door Snorri Sturluson en anderen worden afgeschilderd worden niet als authentiek beschouwd. Men houdt ze vandaag de dag eerder voor literaire constructies. Maar de gelofte die men met een hand op een
everzwijn aflegde dat daarna dan aan Freyr werd geofferd, schijnt wel een voorchristelijk element te zijn, ook al is de overlevering ervan relatief laat in de tijd tot ons gekomen.

In de vierde eeuw zorgde keizer Constantijn de Grote ervoor dat Kerstmis op 25 december zou vallen. Op deze datum werd rond de Middellandse Zee tot dan toe de zonnegod Mithras vereerd. De geboorte van Christus nam in de kerkelijke kalender daarvoor geen bijzondere plaats in en tot op de dag van vandaag geldt Pasen in de kerken als veel wezenlijker dan het even bedrieglijke Kerstmis.
Beide feesten bestaan niet in hun huidige christelijke context. Ze werden gekerstend uit een heel ver voorchristelijk bestaan, waardoor ze waardeloos geworden zijn.


De aansprekende thematiek en de reeds bestaande tradities hebben Kerstmis echter tot het voornaamste feest in het jaar gemaakt. De huidige tradities rond het kerstfeest zijn van land tot land verschillend, zoals ze ook lang niet allemaal even oud zijn. Duidelijk is dat de Amerikaanse kerstgewoonten overal elders doordringen, ook in de Lage Landen.

Het woord 'Kerstmis' is eigenlijk 'Christus-mis' en is samengesteld uit de twee woor­den 'kerst' en 'mis'. Het woord 'kerst' is uit het woord "christus" ontstaan; zo betekent "kerstenen" bijvoorbeeld "christelijk maken".
'Mis' is het oude woord voor eucharistieviering, waarin aan het einde van de dienst gezegd wordt "ite, missa est": gaat, de bijeen­komst is opgeheven.
Vooral op zon- en feestdagen werd de Heilige Mis opgedragen.
Daardoor kreeg het woord mis ook de betekenis van feestdag.
Kerst-mis is dan te 'vertalen' met: Christus-feestdag of Christus-viering.

Het Joelfeest bij de Germanen is het zonnewendefeest. Een feest ter ere van de zonnegod Freyr. Het duurt twaalf dagen plus 1 dag (Dertiendagh), waarvan de kortste dag van het jaar de belangrijkste is.
Men ontsteekt dan het Joelvuur en offert een everzwijn.

De boomstam die aangestoken wordt, blijft een lange tijd branden. De kerststronken zijn daar nog een overblijfsel van. (Het Yuleblok).



MAAR, eerst even wat meer over onze voorvaders(moeders) "de Germanen" en wie of wat zij waren. Zo schep je een duidelijker beeld over het geheel.

De Germanen zijn een Indo-Europese bevolkingsgroep die woont in Noordwest-Europa en Scandinavië, oorspronkelijk bestaande uit een groot aantal stammen. Tegenwoordig leven de "Germanen" nog steeds in ditzelfde gebied, maar hebben ze zich ook in grote aantallen gevestigd op de Britse Eilanden, IJsland en in voormalige overzeese kolonies, zoals in Noord-Amerika, Australië en Zuid-Afrika.
Tegenwoordig wordt de term Germanen vaak verward met de term Duitsers.
Dit heeft vooral zijn oorzaak in het Engelse woord voor Duitsland, "Germany". Hierdoor heeft men het in het tegenwoordige spraakgebruik niet snel over Germanen, maar over sprekers van een Germaanse taal.
Dit laatste is nog steeds een belangrijke overeenkomst tussen de verschillende volken van Germaanse afkomst. De hoofdindeling van de Germaanse taal in Noord-Germaans, West-Germaans en Oost-Germaans, komt overeen met de historisch - geografische indeling van de Germanen.

Op linguïstische en culturele gronden gaat men er tegenwoordig van uit dat de Germanen nauw verwant zijn aan de Kelten, Slaven, Latijnen, Grieken en andere Indo-Europese volkeren. De profilering als afzonderlijke groep heeft zich vermoedelijk aan het eind van het tweede millennium voor Christus of iets later voltrokken ergens in de Oost-Europese vlakten. Over de vroegste geschiedenis van de Germaanse volkeren weet men weinig meer dan dat ze omstreeks de 6e eeuw v. Chr. in Scandinavië en rond de Oostzee leefden. Hier verdreven ze de eerder gearriveerde Lappen, Kelten en Baltische stammen en/of vermengden zich er gedeeltelijk mee.
Na verloop van eeuwen ontstond er in deze streken een zekere overbevolking en velen van hen migreerden steeds verder naar het zuiden (het huidige Duitsland), om zich van daaruit geleidelijk naar het oosten, zuiden en het westen te verspreiden.
Er ontstonden op die manier vele verschillende volksstammen, die op verschillende tijden en plaatsen met andere namen werden aangeduid zoals de Friezen, Toxandriërs en Kaninefaten. Hierdoor wordt het moeilijk hun juiste bewegingen in het bijzonder te volgen. Toch weten we dat omstreeks het begin van de jaartelling in het westen de belangrijkste volken de Saksen en de Franken waren, in het noorden de Juten en Angelen en in het oosten vooral de Goten, Bourgondiërs en Vandalen.

De Vandalen waren een Oost-Germaans volk.
Het was een nomadisch volk dat zich oorspronkelijk ophield aan de Oostzee. Opgejaagd door andere volken, zoals de Hunnen, verplaatsten ze zich westwaarts waar ze stuitten op de grenzen van het Romeinse Rijk aan de Donau en de Rijn.
In 406 vielen zij Gallië binnen, samen met de Alanen. Later kwamen zij in Spanje (het huidige Andalusië) terecht en uiteindelijk stichtten zij een rijk in Noord-Afrika. In 535 werden zij door de Oost-Romeinse troepen vernietigd. Naar het volk der Vandalen is het verschijnsel vandalisme genoemd. Mensen die vandalisme plegen, worden ook wel vandalen genoemd. Dit woord is afkomstig uit het Frans en in 1794 gevormd door Grégoire, een bisschop uit Blois, om de reacties van het Parijse gepeupel te kenschetsen.
Het herinnert aan de plundering van Rome door de Vandalen in het jaar 455.

Het leven van al deze volken verschilde onderling niet zo veel omstreeks de tijd dat de Romeinen hun macht over Europa (Germanen) uitbreidden.
In hoofdzaak waren het plattelandsbewoners die een afkeer voor steden hadden.
Vele Germaanse nederzettingen waren dan ook niet groter dan kleine dorpen.
De westelijke volksstammen bestonden voornamelijk uit landbouwers, de oostelijke voornamelijk uit schaapherders en veehoeders. De Germanen waren erg gesteld op hun onafhankelijkheid en hadden geen sterke stamverbanden. In tijden van crisis werd er door de aanzienlijke mannelijke stamleden een leider gekozen maar deze moest steeds de belangen van de 'kiezers' in het oog houden. Dit systeem werkte zelfs door tot in de Middeleeuwen waar het Germaanse gebied nog lang versplinterd bleef in vele kleine staatjes. Toen de Romeinen Gallië binnenvielen waar ze de Keltische bewoners versloegen, kwamen ze in het noorden ook (opnieuw) in aanraking met de Germanen. De Romeinen hadden namelijk al eens kennis gemaakt met een Germaans/Keltische invasie van Cimbren en Teutonen in de 2e eeuw v. Chr..
De Romeinse veldheer Gaius Marius wist hen toen te verslaan (102 v. Chr.). Aanvankelijk beschouwden de Romeinse geschiedschrijvers hen gewoon als 'barbaren'. Tacitus, die in de eerste eeuw leefde, schreef echter op sentimentele wijze over hen, alsof de Romeinen het leven van de Germanen best konden benijden.

Omdat de Romeinen er niet in geslaagd waren om al deze volkeren te overwinnen (de nederlaag van de Romeinse generaal Varus in het Teutoburgerwoud) trachtten ze hen gedurende lange tijd in een gebied tussen de Rijn en de Donau vast te houden. Maar van het einde van de 4e eeuw af begonnen Germaanse stammen in steeds toenemende aantallen het Romeinse Rijk binnen te dringen.
Dit ging vrij gemakkelijk omdat inmiddels het Romeinse Rijk gesplitst was in een West-Romeins en Oost-Romeins deel. Terwijl het Oostelijke deel zich nog goed kon verdedigen doordat de economische basis daar nog steeds toe in staat was verzwakte de West-Romeinse defensie aanzienlijk.

De belangrijkste vredelievende invasie was misschien wel die van de Visigoten - (West-Goten) - die met tienduizenden uit Transsylvanië kwamen.
Ze vroegen bescherming op Romeins grondgebied omdat ze zelf door de uit Azië aanstormende Hunnen verdreven werden. Hun verzoek werd ingewilligd.

Van toen af ging het binnendringen van Germaanse stammen in bijna alle delen van het Romeinse Rijk gestaag voort. De Germanen die op Romeins grondgebied woonden, toonden zich vaak uitstekende burgers en velen vochten zelfs mee om het rijk te verdedigen. Ze gingen namelijk veelal in dienst bij het Romeinse leger. Hierdoor ging de plaatselijke militaire macht geleidelijk van Romeinse in Germaanse handen over. Toen Germaanse stammen die buiten het rijk woonden rechtstreekse aanvallen gingen ondernemen, was de tegenstand van het toen reeds sterk verzwakte West-Romeinse Rijk niet meer zo krachtig.

In 430 moesten de Romeinen de hulp van de Hunnen inroepen om het Bourgondische koninkrijk Worms (Duitsland) te verslaan.
In 436 werd dat rijk vernietigd.
Worms is nu nog de naam van de oudste stad van Duitsland, samen met Trier.


(Klik op deze linkfoto)

In 439 veroverden de Vandalen vanuit Spanje de stad Carthago in Tunesië), hét centrum van de Romeinse tarweschuur dat grotendeels Italië van voedsel voorzag, en bouwden ze vlug een machtige vloot op die deze stad als basis had. Van Carthago uit stroopten de Vandalen een tijd lang de Middellandse zee af als piraten totdat de Byzantijnse generaal Belisarius hen versloeg in de 6e eeuw.

Na de definitieve val van het West-Romeinse imperium werden de eens zo misprezen Germaanse volkeren de nieuwe meesters van West-Europa. De Visigoten heersten over een groot deel van Spanje, de Franken werden de meesters van Frankrijk, bijna heel het huidige deel van België, Nederland en het Rijnland, de Ostrogoten (Oost-Goten) vestigden op hun beurt hun macht in Italië.

Na dit stukje geschiedenis over de volkeren die "Kerstmis" samengesteld hebben onder de oorspronkelijke benaming van Yule (Joel), gaan we terug op onze stappen komen met de uitleg over het ontstaan van (het niet bestaande) "Kerstmis".



De zonnewende (ook wel in het Latijn aangeduid als solstitium) is de gebeurtenis, waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie bereikt.
Deze plaats op aarde wordt aangeduid door de beide keerkringen.
Naarmate de zon zich beweegt in de richting van de noordelijke keerkring worden de dagen op het noordelijk halfrond langer, en op het zuidelijk halfrond korter. Wanneer de zon zich beweegt naar de zuidelijke keerkring is dit precies andersom. De zonnewendes vallen samen met de dag dat de zon boven de Noordelijke- of Kreeftskeerkring dan wel Zuidelijke- of Steenbokskeerkring staat.